Stijloefeningen, Raymond Queneau

queneau

U ervaart de wereld om u heen anders dan ik. Dat is het uitgangspunt. U ziet, hoort, proeft, voelt andere dingen, of beter selecteert andere zaken dan ik doe. Dat betekent ook dat u andere zaken opslaat dan ik, belangrijker vindt. En als u daarover vertelt dan doet u dat vanuit een ander perspectief.

Met dat gegeven ging de Franse schrijver Raymond Queneau (1903 – 1976, schrijver, dichter, dramaturg en wiskundige) aan de slag. Hij nam een willekeurige gebeurtenis en herschreef dat in 99 variaties.

Die gebeurtenis: het speelt in een Parijse autobus van lijn S, tegenwoordig lijn 84:  een modieuze jongeman (zazou) maakt zich kwaad omdat hij op zijn tenen wordt getrapt. Later op de dag, vanuit dezelfde bus, ziet de verteller de jongeman opnieuw. Hij wandelt bij het Gare Saint-Lazare in gezelschap van een soortgenoot die hem adviseert een extra knoop aan zijn jas te laten zetten. In de Nederlandse vertaling van Rudy Kousbroek is de gebeurtenis verplaatst naar Amsterdam: het wordt daarom lijn 16, het Concertgebouw en het Jan Willem Brouwersplein.

In deze voorbeelden van zijn stijloefeningen aandacht voor: anglicismen, germanismen en Afrikaans.

Een dag, rond middag, ik tik ’t tram en daarop see ik dit yong man met ’n lange neck alsof ’t was gestrekt, meest ongewoon, en op zyn kop een hoed die my ook slaat. Seer ongemeen hoed was hy, met omheen een streng inplaats van een rijbaan.

Na, pas maal op. Was maakt der kerel op eenmaal? Hei fangt an te schiempen, richt sich verschrikkelijk op en belt iemand aan dat hei afsichtelijk tegen hem aangepralt is. Grote sjouw natuurliek. Da denk ik all: mensch ein krawaal! Maar nichts davan. Plotseliech siet der vijgling een leren zits en hei saust er op.

Jurre, ’n rukkie later sien ek die selle oubaas oppie sypaadje oorkant die Stadsaal. Hy gesels met ’n baie bevoeterde pel van hom, wat hom aanraai om die boonste knoop van sy baadjie hoër op aan te werk. Alles sal reg kom.

Uit: Raymond Queneau, Stijloefeningen, Inleiding en vertaling Rudy Kousbroek, De Bezige Bij, 2014 (ter gelegenheid van het 70-jarig bestaan)

Advertenties

Honderd Jaar Eenzaamheid (2)

Gabriel Garcia Marquez with Book on Head

Gabriel García Márquez is Zuid-Amerika in het algemeen en Colombia in het bijzonder. En volgens de schrijver zelf is de Zuid-Amerikaanse een andere werkelijkheid dan wij Europeanen kunnen voorstellen. Wij Europeanen noemen dat dan onhandig magisch-realisme, maar dat werd door García Márquez altijd ontkend. Laten we het houden op een werkelijkheid met mythische dimensies.

In 100 Jaar Eenzaamheid wordt ons een microkosmos voorgeschoteld met die mythische dimensies. We volgen het geslacht Buendía in het stadje Macondo, waar de doden tussen de levende mensen lopen; er mensen van 200 jaar oud wonen; vreemde verschijnselen en visioenen aan de orde van de dag zijn. En dat tegen de achtergrond van oorlog, revolutie en modernisering. Kortom, een Colombiaanse geschiedschrijving zonder weerga en een stilistisch meesterwerk. Een proeve. Hier volgt de (her)introductie van een personage en daarna een mooi voorbeeld hoe het latijns-amerikaanse machismo om de hoek komt kijken.

Een opmerkelijke man stapte binnen. Zijn vierkante schouders pasten nauwelijks door de deuren. Om zijn stierennek hing een medaille van de Maagd van Alle Middelen, zijn armen en borst waren overdekt  met geheime tatoeëringen en om zijn rechterpols droeg hij de smalle koperen armband van de niños-en-cruz. Zijn huid was getaand door het zout van weer en wind, zijn haar was kort en stug als manen van een muildier en hij had stalen kaken en een trieste blik. Hij droeg een gordel die tweemaal zo breed was als de zadelriem van een paard en laarzen met kappen en sporen en ijzerbeslagen hakken en zijn aanwezigheid bezat de overdonderende uitwerking van een seismische schok.

Al snel blijkt het om José Arcadio te gaan, die eens de wijde wereld in trok en nu terugkeert. Reden voor een feest.

Op het hoogtepunt van het feest sprong hij (José Arcadio) op de bar en toonde zijn onwaarschijnlijke mannelijkheid, die geheel getatoeëerd was met een warnet van rode en blauwe opschriften in verschillende talen. Aan de vrouwen, die hem met hun begerigheid belegerden, vroeg hij wie er het meest betaalde. De vrouw die het meeste geld bezat, bood twintig peso. Toen bood hij aan, zich onder alle vrouwen te verloten voor tien peso per lot. Het was een buitensporig hoge prijs, want de meest gevraagde vrouw verdiende acht peso per nacht, maar allen namen het aanbod aan. Ze schreven hun namen op veertien papiertjes, deden die in een hoed en elke vrouw haalde er een uit. Toen er nog maar twee papiertjes waren overgebleven, ging hij na bij wie ze behoorden.

‘Allebei nog vijf peso erbij,’ stelde José Arcadio voor. ‘Dan verdeel ik me tussen jullie tweeën.’ Hier leefde hij van.

Hans Lodeizen maakte zich met moeite alleen

Ik heb mij met moeite alleen gemaakt

ik heb mij met moeite alleen gemaakt.

je zou niet zeggen: je zou niet zeggen dat – het zoveel moeite kost alleen te zijn als – een zon rollende over het grasveld

neem dan – vriend! – de mieren waar – wonend in hun paleizen als een mens – in zijn verbeelding-;  wachten zij op regen en – graven dan verder: het puur kristal is hen zand geworden.

in het oog van de nacht woon je als een merel, – of als een prins in zijn boudoir: de kalender – wijst het zeventiende jaar van Venetië en – zachtjes, zachtjes slaan zij het boek dicht.

kijk! je schoenen zijn van perkament

o – mijn vriend – deze wereld is niet de echte.

Uit: Het innerlijk behang en andere gedichten, 1952 Van Oorschot, Amsterdam

De buigzaamheid van het verdriet

in een wereld van louter plezier – kwam ik haar tegen, glimlachend, – en ze zei: wat liefde is geweest – luister ernaar in de bomen – en ik knikte en we liepen nog lang – in de stille tuin.

de wereld was van louter golven – en ik zonk in haar als een lijk – naar beneden en het water sloot – boven mijn hoofd en even – voelde ik een vis langs mij strijken – in de stille zee.

dag zeg ik tegen haar dag kom – ik je nog eens tegen, glimlachend – maar de wind blies weg – haar gezicht in het water – en ik knikte en ik werd onzichtbaar – in het stille leven.

Uit: Het innerlijk behang en andere gedichten, 1952 Van Oorschot, Amsterdam

Fellini’s 8 1/2

De wereld is een circus met mensen als groteske of onschuldige clowns. Frederico Fellini als de dompteur. “Als er geen film was, was ik misschien wel circusdirecteur geworden”, aldus Fellini zelf. Het circus is de metafoor voor de werkelijkheid in de ogen van de Italiaanse filmmeester. Circus speelt een belangrijke rol in de film La Strada (1954). Daarna  beginnen de films autobiografische trekjes te vertonen met Marcello Mastroianni als alter ego van Fellini. In 8 1/2 (1963, het aantal films tot dan toe gemaakt) speelt Mastroianni een filmregisseur met een creatieve blokkade. Dat biedt Fellini de gelegenheid om fantasie en werkelijkheid eens flink door elkaar te schudden. Op onnavolgbare wijze. Met zwart-wit film als middel. De filmwereld werd nooit meer dezelfde en Fellini’s naam was voorgoed gevestigd.

Ferdinand Bauer tekent fauna

Ferdinand Lucas Bauer (Hietzing, Wenen, 1760 – Feldsberg, toen Oostenrijk, 1826) Oostenrijkse botanische en zoölogische illustrator.

Bauer tekende en schilderde met wetenschappelijke precisie. Hij had een speciaal kleurencodeersysteem ontwikkeld waarbij elke kleur een nummer kreeg waardoor hij zijn schetsen later kon uitwerken tot volwaardige tekeningen en schilderijen.

In 1784 kwam hij in dienst van John Sibthorp, hoogleraar in de botanie aan Oxford University. Deze nam hem mee op een expeditie naar Italië, Griekenland, Cyprus, Kreta en andere delen van het oostelijke Middellandse Zeegebied. Op deze reis maakte hij schetsen van planten en dieren die hij perfectioneerde in meer dan 1500 tekeningen bij terugkomst in Oxford. Deze tekeningen werden gepubliceerd in zijn Flora Graeca.

De botanicus Joseph Banks beval Bauer aan bij de botanicus Robert Brown en Matthew Flinders. Bauer maakte deel uit van de expeditie (1801 – 1803) van Matthew Flinders op het schip de Investigator. Tijdens tussenstops tijdens deze expeditie tekende hij vogels en andere dieren die door de bemanning werden gedood. Uiteindelijk kwamen ze in West-Australië aan land. In Australië tekende Bauer planten en dieren waaronder de koala, de skink, de kangoeroe en de buideldas. Ook bracht hij van 1804-1805 acht maanden door op Norfolk waar hij een groot aantal tekeningen van planten maakte. Zijn tekeningen uit Australië publiceerde hij in zijn flora Illustrationes Florae novae Hollandiae.

ferdinand bauer-1

ferdinand bauer-2

Platypus watercolour by Ferdinand Bauer

6: Erinaceus Europaeus—Linn—The Hedge-hog—Bell's British Quadrupeds—page 76

Rainbow lorikeet watercolour by Ferdinand Bauer

.

Tsjechov: man en vrouw

In verhaal In het badhuis van de Russische schrijver Tsjechov gaat het om de gesprekken die de bezoekers onder stoom voeren. Bijvoorbeeld over het huwelijk en over hoe de moderne tijd het lastig maakt om man en vrouw bij elkaar te brengen. Tijdloos?

anton en michel Tsjechov

Anton en broer Michail Tsjechov

Moge God me mijn oordeel vergeven, maar de jongedames van tegenwoordig zijn allemaal losgeslagen en onbezonnen… Vroeger wilde een huwbaar meisje trouwen met een degelijke, strenge man die een kapitaal had, over alles kon praten en die zijn geloof niet vergat, maar tegenwoordig vallen ze voor geletterden. Ze moeten een geletterd man, en met een heer uit de ambtenarij of iemand uit de koopmansstand hoef je niet aan te komen – die lachen ze uit!

(..)

De man is tegenwoordig verwend, dom, een vrijdenker. Hij wil het allemaal graag om het cher ami en z’n eigen gewin. Voor niks zet hij geen stap in je richting. Jij doet hem een genoegen, moet hij nog geld van je ook. En trouwen doet hij ook niet zonder bijgedachten: ik trouw, en haal een smak geld binnen. Dat zou nog niet zo erg zijn, vooruit – eet, schrans, neem mijn geld, maar trouw alsjeblieft met mijn kindje; maar geld is vaak een tranendal waar je niets dan bittere ellende van hebt. Soms wil iemand almaar trouwen, en als puntje bij paaltje komt, in de kerk zowat, krabbelt hij terug en stapt hij naar een ander. Het is fijn verloofde te zijn, heerlijk. Hij krijgt zijn natje, zijn droogje, geld te leen – zijn kostje is gekocht. En zo hangt hij in lengte van dagen de verloofde uit, tot hij doodgaat, hij hoeft niet zo nodig te trouwen. Hij is al compleet kaal, compleet grijs, heeft kromme knieën, maar is nog altijd een verloofde. Dan heb je er ook die niet trouwen uit domheid… Een domoor weet zelf niet wat goed voor hem is, dus zit hij te dubben: dit bevalt hem niet, dat deugt niet. Hij loopt de deur plat, maakt werk van zijn aanzoek, en dan opeens, zomaar: ‘Ik kan het niet,’ zegt hij, ‘en ik wil niet.’

Uit: In het badhuis, 1885

Anton Tsjechov, Op Kamers, Verhalen 1880-1885, Uitgeverij G. A. van Oorschot, Amsterdam, vertaald door Tom Eekman en Aai Prins

Eddy du Perron: Burgerdeugd

Sonnet van burgerdeugd

De trammen tuimelen door de lange straten, – al ’t leven buiten en de ramen dicht, – wat tee voor ons en de avond te verpraten, – de lamp streelt rustig ons voornaam gezicht.

Inbrekers, wurgers, rovers en piraten, – en de eerste zondvloed en het laatste gericht, – elke onrust heeft ons deugdzaam hart verlaten. – O tee! o vriendschap! 0 kalmerend licht!

Straks ’t balsemende donker, morgen lopen – wij opgefleurd te kopen of verkopen; – God levert de eerzucht en het daagliks brood.

Genoeg vermoeienis om ’s nachts te slapen, – alle overgangen tussen lach en gapen, – en aan het eind, de liefderijke dood.

Uit: Mikrochaos, Maastricht-Brussel, 1935

du perronCharles Edgar du Perron (E. du Perron) (Meester Cornelis, West-Java, 1899 — Bergen NL, 1940) Nederlands dichter, criticus en prozaschrijver. Hij richtte samen met Menno ter Braak en Maurice Roelants het invloedrijke literaire tijdschrift Forum op. Een deel van zijn werk (tot 1925) publiceerde hij onder het pseudoniem Duco Perkens. Hij gebruikte meer pseudoniemen.