Hildegard von Bingen, Carpaccio en Ursula

Hildegard von Bingen? Als het hele universum een vraag is, dan is de mystiek ook een antwoord, en haar muziek is gezongen mystiek, aldus 1 van de hoofdpersonen in de roman Allerzielen van Cees Nooteboom.

Zijn advies: Luister naar het vrouwenkoor op 10.000 meter hoogte. Dan ben je het dichtst bij waar zij dachten dat deze muziek vandaan kwam.

Als het over de muziek van Hildegard von Bingen gaat, praten we over de Middeleeuwen. De tijd waarin het normaal was de lof over God te zingen. Schrikbeelden, afgronden, verlossing, extase; daar waar de mensen in terecht kwamen, men had er in die tijd een muzikaal antwoord op.

De legende van Ursula was een bekende in de Middeleeuwen. Ze was martelares. Von Bingen bezong die legende en de Venetiaanse schilder Vittorio Carpaccio maakte er de beelden bij.

Volgens de legende was Ursula de beeldschone, wijze en vrome dochter van de christelijke koning Deontus van Bretagne. Haar reputatie was ter ore gekomen aan de koning van Engeland die haar als vrouw wou hebben voor zijn enige zoon Aetherius. Hij zendt een ambassadeur naar Deontus om haar ten huwelijk te vragen voor zijn zoon en hij gaf hem de opdracht met oorlog te dreigen als vriendelijkheid niet tot een resultaat leidde.

Deontus was ten einde raad, hij wou zijn dochter niet ten huwelijk geven aan de zoon van de heidense koning die berucht was om zijn wreedheid. Maar Ursula raadde haar vader aan het aanzoek te accepteren op voorwaarde dat de koning haar tien zeer mooie maagden zou sturen, elk vergezeld van 1000 andere maagden en daarbovenop nog duizend maagdelijke gezellinnen voor zichzelf. Ze moest ook voorzien worden van de nodige schepen om met het gezelschap op reis te gaan. Verder bedong ze een termijn van drie jaar voor een bedevaart naar Rome om de jonge prins de gelegenheid te geven het christelijke geloof te bestuderen en zich te laten dopen.

De vloot vertrok en legde aan in Keulen. Een engel verscheen aan Ursula om haar te vertellen dat ze na haar reis naar Rome zou terugkomen en de martelaarskroon zou ontvangen samen met al haar reisgenoten. Ze reisden verder naar Rome. Daar werden ze verwelkomd door paus Cyriacus, die besliste zijn pontificaat op te geven en de maagden naar Keulen te vergezellen. Ze vertrokken naar Keulen, met in hun kielzog een hele reeks edelen en geestelijken.

Toen ze aankwamen in Keulen werd de stad belegerd door de Hunnen, die het complete gezelschap vermoordden, alleen Ursula bleef gespaard vanwege haar schoonheid, op voorwaarde dat ze de bruid zou worden van aanvoerder Atilla. Ursula weigerde en werd door Atilla met een pijl doorboord.

Aetherius die ondertussen na de dood van zijn vader koning was, had zich bekeerd tot het christendom. Na zijn goddelijke boodschap reisde hij naar Keulen om er zijn bruid weer te  zien. Samen met haar stierf hij de martelaarsdood. Na de slachting werden de Hunnen verdreven door een hemels leger van Maagden, samengesteld uit de maagden die de Hunnen net hadden gedood.

Vittore_Carpaccio_Ursula-1Vittore_Carpaccio_Ursula-2

 

De mens gezien door een worm

lisette model-benen en voeten

Foto: Lisette Model

Hij liet de taxi vertrekken en begon de lange straat in de omgekeerde richting af te lopen, kijkend naar de voeten van de voorbijgangers, de wakkere stap van na de siësta, voeten die ergens heen gingen, die voor de tweede keer die dag geboren waren. Er was een zin die hem op een dag zo gefrappeerd had dat hij hem nooit meer had kunnen vergeten: ‘Lisette Model put her camera at nearly groundlevel to achieve a worm’s-eye view of pedestrians.’ De wereld van onderen, de onderste wereld, al die reuzengestaltes die de stad beheersten, die boven op de wereld liepen omdat het hun domein was, waarin ze met grote zekerheid verkeerden. En tussen al die reuzen de reuzin die hij morgen moest vinden, daar was geen twijfel meer aan.

Uit: Cees Nooteboom – Allerzielen, uitgeverij J.M. Meulenhoff, Amsterdam (in licentie van uitgeverij Atlas, Amsterdam)

Ouder huis, Adriaan Morriën

adriaan Morrien

Van de taal werd een spaarzaam gebruik gemaakt: – liefkozingen moesten worden ontvreemd. – Als mijn moeder mij streelde schaamde zij zich – en ik schaamde mij – onze schaamte was nog gescheiden.

Ik hield van de schaar waarmee zij knipte, – haar vingerhoed, de draad die zij bevochtigde, – het gesnor van de naaimachine – en de stilte wanneer de machine zweeg.

Zij sliep in een weergaloos bed – en als mijn vader opstond voor zijn werk – nam ik zijn plaats in in haar warmte.

Ik raakte haar aan zoals een ander kind – de muur aanraakt waartegen het slaapt – met levensgrote vingertoppen – en zonder dat de muur het merkt.

Uit: Adriaan Morriën: Het gebruik van een wandspiegel, Bezige Bij, Amsterdam, 1968

Cees Nooteboom geeft een beeld van de werkelijkheid

cees nooteboom

‘Als je in een trein zit, en je kijkt niet uit het raam maar naar je medepassagiers, dan vorm je je, misschien door wat ze zeggen of lezen, maar ook door hun houding, hun kleding, een beeld van ze. Zou je dat beeld nu opschrijven, dan zou je waarschijnlijk denken dat je daarmee een beeld van de werkelijkheid hebt gegeven. Je hebt ze tenslotte echt gezien, je hebt misschien wel met ze gesproken. Maar als je dat nu omdraait, en je stelt je voor dat een van hen jou net zo nauwkeurig heeft gadegeslagen als jij hem of haar, in hoeverre is dat beeld dat diegene van jou heeft nu een werkelijk beeld? Jij weet zelf hoeveel je niet laat merken, wat je achterhoudt, verbergt, of wat je voor jezelf nog niet eens hebt gedefinieerd – omdat er nu eenmaal ook dingen zijn die mensen voor zichzelf geheim houden, die ze ontkennen, niet willen weten. Daarbij komt nog het arsenaal aan herinneringen, het domein van het geziene en gelezen, de wereld van de verborgen verlangens… de hele trein zou niet groot genoeg zijn om dat allemaal te bevatten. Toch denkt elk van die drie of zes passagiers in dat compartiment dat er tijdens de reis een, hoe zal ik het zeggen, een of andere manifestatie van de werkelijkheid heeft plaatsgevonden. Maar is dat ook zo?

Uit: Cees Nooteboom, Allerzielen,  1998, Uitgeverij J.M. Meulenhoff, Amsterdam (licentie uitgeverij Atlas, Amsterdam)

Berlijn: hoop of het verhaal van Osmin Kalin

Berlijn heeft in de 2 dagen dat ik er (voor het eerst) was, grote indruk op me gemaakt. Een stad als een vat tegenstellingen: ultramoderne nieuwbouw afgezet tegen wat restte uit voorbije jaren; shopping malls met veel luxe tegenover bedelaars op straat en veel daklozen met een fles aan de mond of in de hand; oost (Russische nouveau riche viert haar bruiloft) tegenover west (Scandinavische nerds houden een brainstorm-sessie); park tegenover stedelijke bebouwing; veel verleden tegenover veel toekomst.

Na de visuele indrukken, die overweldigend zijn, komen de gesprekken. Een keur aan nationaliteiten trekt voorbij aan oog en oor. Voor velen is de drijfveer om naar Berlijn te komen: hoop. Hoop op werk; een fatsoenlijk inkomen; een betaalbare plek; op een toekomst die wat meer zekerheid biedt. Vooral de jeugd meldt zich in alle toonaarden en laat zien dat je met eenvoudige middelen begint. Talloze eettentjes, barretjes, boekwinkeltjes, kledingzaakjes en middelen die de dagelijkse behoeften bevredigen vindt je er. In Stadtmitte viert het grote geld hoogtij. In de wijken er omheen (Kreuzberg, Neukölln, Friedrichshain) zie je de gewone man en vrouw worstelen met het bestaan.

De jeugd overheerst in het straatbeeld. Berlijn is een hippe stad. Dat trekt. Het leeft en er is van alles gaande. De sfeer is relaxed, in afwachting van de dingen die komen gaan, verwachtingsvol. De jongeren zijn spraakzaam, hebben het hart op de tong. Ze praten graag over hun verwachtingen en over hoe ze die gaan realiseren. Zelfs in de metro, waar normaal de stilte heerst en van je af gekeken wordt.

Maar Berlijn is ook worstelen met het verleden. En altijd is er dat ene verhaal dat alles duidt.

Tijdens een alternatieve tour door de stad kwamen we langs Das Bauhaus an der Mauer (Gecekondu von Kreuzberg of Guerrilla-Garten). Een bouwsel van Osmin Kalin (geb. 1925). Van afvalhout bouwde hij een hut van twee etages. Die hut of das Baumhaus bevindt zich op een stukje verkeersluw terrein vlakbij de Bethaniendamm, Kreuzberg. Een tuinhuis gebouwd in een stukje niemandsland tijdens de deling van Berlijn in oost en west. Na de deling werd het tuinhuis officieel erkend en het geldt als bijzonder verschijnsel uit de recente Berlijns geschiedenis.

Osmin kwam in 1980 naar Berlin, woonde eerst in Spandau later in Kreuzberg. In 1983 begon hij als vader van zes kinderen en inmiddels gepensioneerd aan de ontwikkeling van het door Oost en West betwistte stukje niemandsland. Eerst werd het afval opgeruimd, toen de grond geschikt gemaakt voor de verbouw van groenten. Daarna begon hij aan de bouw van een onderkomen. Zijn verrichtingen werden met argus-ogen gevolgd door de Oost-Duitse autoriteiten. Zij zagen het tuinhuis dat hij bouwde als een potentieel gevaar, want het kon gebruikt worden als vluchtroute. Hij moest verdere bouw staken maar kreeg wel toestemming voor de verbouw van groenten.

Na de val van de muur breidde Osmin zijn volkstuintje verder uit en bouwde een verdieping op het bestaande tuinhuis. Ondertussen begon men in Berlijn aan de herontwikkeling van alle gronden die vrijkwamen door de val van de muur. Het zag ernaar uit dat Osmin slachtoffer zou worden van de drang van ontwikkelaars naar het grote geld. Echter, de buurt, het bestuur van de wijk Kreuzberg en de katholieke kerk kwamen voor de volkstuinder op. Nu heeft het kleine complex officiële status en geldt als bijzonder monument in Kreuzberg. De ruim 90-jarige Osmin leeft nog steeds en is nog regelmatig in zijn tuintje te vinden. Het tuintje en het complex wordt tegenwoordig door zijn zoon onderhouden. Ik had het geluk deze stille held te treffen tijdens mijn bezoek aan Berlijn.

 

Marlene Dietrich: Einen Koffer in Berlin

ICH HAB’ NOCH EINEN KOFFER IN BERLIN

Wunderschön ists in Paris
auf der Rue Madleen
schön ist es im Mai in Rom
durch die Stadt zu gehen
Oder eine Sommernacht
still beim Wein in Wien
doch ich denk wenn ihr auch lacht
heute noch an Berlin

Ich hab noch einen Koffer in Berlin
deswegen muß ich da nächstens wieder hin
die Seligkeiten vergangener Zeiten
sie sind alle immer noch in diesem kleinen Koffer
drin

Ich hab noch einen Koffer in Berlin
das bleibt auch so und das hat seinen Sinn
auf diese Weise lonht sich die Reise
und wenn ich Sehnsucht hab dann fahr ich wieder hin

Ich hab noch einen Koffer in Berlin

Ich hab noch einen Koffer in Berlin
deswegen muß ich da nächstens wieder hin
die Seligkeiten vergangener Zeiten
sie sind alle immer noch in diesem kleinen Koffer
drin

Ich hab noch einen Koffer in Berlin

Tekst van: Aldo von Pinelli, Ralph Maria Siegel

BP: Murilo Mendes

Murilo.Mendes.Two.Ph

Murilo (Monteiro) Mendes wordt in 1902 in Juiz de Fora in de provincie Minas Gerais geboren. Vanaf 1920 werkzaam als ambtenaar in Rio de Janeiro. Studeert in de jaren ’60 Braziliaanse literatuur aan de universiteiten van Rome en Pisa, Italië. Is medewerker van de tijdschriften die het Modernisme uitdragen, in Sao Paulo. Publiceert zijn eerste gedicht in 1930. Bekeert zich tot het katholicisme. Probeert het linkse katholicisme van Ismael Nerys te versmelten met de alledaagsheid van het Modernisme. Kerk en muze strijden bij Mendes om voorrang. Daarna rekent hij dichterlijkerwijze af met dictatuur, oorlog en onrechtvaardigheid. Vervolgens bezingt hij de schoonheid van Andalusia, Spanje en de geest van Minas Gerais. ‘Ik heb van het leven gedronken. Ik heb aan de Goden opgedragen. Ik vermeerder me in de dood.’

Postkarte

Sonntag im nachdenklichen Stadtpark. – Gewissen errötend in der Sonne auf den Bänken, – Säuglinge, in deutschen Kinderwagen archiviert, – erwarten geduldig den Tag, an dem sie Guarani lesen können.

Vorbeispazieren Arme und Brüste auf eine Weise, – dass Lenin, hätte er zugesehen, nicht den Sowjet begründet hätte. – Betrunkene amerikanische Matrosen pinkeln – gegen Barrosos Standbild, – Portugiesen met Schnurrbart und Uhrkette – befingern Mulattinnen.

Die Sonnen versinkt im Westen – wie der Kopf des sommersprossigen Mädchens – im Kopfkissen mit Blumenmuster, gestickt von Donna Cocota Pereira.

1929

Der Lauf der Geschichte

Ich stand am Meilenstein des Horizonts, – Wo die Wolken sprechen, – Wo die Träume Hände haben und Füsse – Und das Meer verführt wird von Sirenen.

Ich stand da, wo das Wirkliche Fabel ist, – Wo die Sonne das Licht des Mondes empfängt, – Wo die Musik das tägliche Brot ist – Und das Kind sich mit den Blumen berät,

Wo Mann und Frau eins sind, – Wo Säbel und Granaten – Sich in Pflüge verwandelten, – Und so Wort und Tat verschmelzen.

1941

Die Freiheit

Ein Bukett aus Wolken:

Der Arm eines Sternbildes – Enttäuscht dem Spitzensaum des Himmels.

Der Raum verwandelt sich nach meinem Belieben, – Er ist Schiff, eine Oper, eine Fabrik, – Oder auch das ferne Persepolis.

Ich bewundere die Ordnung der ewigen Anarchie, – Den Adel der Elemente – Und die grosse Keuschheit der Poesie.

Schlafen im Meer! Schlafen in den alten Galeeren!

Ohne den Schrei der Schiffbrüchigen, – Ohne die Todesopfer der Unterseeboote.

1941

Etwas

Was die Form selten offenbart, – Was ohne Beweise lebt, – Was die Veilchen träumt, – Was der Kristall enthält, – In seiner ersten Kindheit.

1945

Romy Schneider: opgroeien en bekeken worden

Romy Schneider tussen Sissi en La Passante du Sans-Souci. Eerst een kindvrouw die de heldin van een massa-vehikel wordt, ten slotte eindigend als moeder van een geadopteerd kind met een bewogen oorlogsgeschiedenis. Tussen die twee films ligt een wereld van verschil. In Sissi staat de Duitse actrice aan het begin van een veelbelovende filmloopbaan en een uitdagend leven. Na de kennismaking met de Franse acteur Alain Delon nam haar turbulente leven en steigerende filmloopbaan een wending. Haar rollen werden serieuzer en haar blik op de (film)wereld breder en dieper. Ze werkte samen met regisseurs als: Luchino Visconti, Orson Welles en Woody Allen. Na de scheiding van Delon deed ze een zelfmoordpoging. Ze trouwde in 1966 met Harry Mayen met wie ze zoon David kreeg. Ondertussen vergaarde ze internationale roem met haar filmvertolkingen. Met name in Frankrijk rees haar ster tot ongekende hoogten. In Frankrijk werkte ze met regisseurs die bekend stonden om hun hoge eisen als het om acteren ging: Tavernier, Chabrol en Sautet.

En toen kwam de rampspoed op haar pad: alweer een scheiding en haar enige zoon David kwam noodlottig om het leven bij een val uit het huis van de ouders van haar ex. Schneider was ontroostbaar en maakte in 1982 een einde aan haar leven.