Hans Lodeizen: ik ben het zuiverste dier op aarde

hans-lodeizen

Ik ben het zuiverste dier op aarde

ik ben het zuiverste dier op aarde / ik slaap met de nacht als met mijn lichaam / en de nacht wordt groter in mijn hart

in het donkere weefgetouw van je vingers / borduur ik een nacht van eenzaamheid / veelkleurig veeleisend veranderlijk

ik ken alle tranen van eenzaamheid / sla mij maak mij open / ik ben een roos van vrolijkheid

kom hier vertrouw mij / ik gooi de wind vol sterren

als een boot van overvloed / in de spaarzaamheid van de zee

nu ben je niet gekomen / en zachtjes ga ik dicht.

Uit: Het innerlijk behang en andere gedichten, Hans Lodeizen, Van Oorschot, Amsterdam, 1951

Wadlopen in Dld (Japsand, Amrum en Hallig Hooge)

im Watt von Hooge nach Japsand

Op weg naar Japsand

Wie iets met eilanden heeft, zal vast eens Texel, Schiermonnikoog, Vlieland, Terschelling of Ameland hebben aangedaan. Deze eilanden liggen in een uniek gebied: de Wadden. Een gebied dat zich bij eb en vloed zich telkens anders presenteert. En omdat het water zich bij eb terugtrekt, kun je er ook wandelen: wadlopen.

amrum2

Het duin overheerst op Amrum

hallig-hooge1

Om droge voeten te houden, ligt de boerderij op Hallig Hooge hoger op het land.

De Wadden strekken zich uit van Nederland via Duitsland naar Denemarken. Bekend voorbeeld van een Duits Waddeneiland is Sylt; de Denen kennen Rømø. Minder bekend wellicht is dat je in Duitsland ook kunt wadlopen. Bijvoorbeeld over het Japsand naar de eilanden Amrum en Hallig Hooge. Leuke bijkomstigheid: je kunt tijdens het wadlopen de postbode treffen. De Pellwormer postbode zorgt dat op deze eilanden de post bezorgd wordt. ’s Winters warm aangekleed tegen wind, kou en nattigheid en ’s zomers waarschijnlijk blootsvoets met een eenvoudige rugzak waarin post die niet per mail gestuurd kon worden. Haast u want de Pellwormer postbode is een voorbijgaand verschijnsel.

knud-knudsen-alexander-babic

De Pellwormer postbode, foto: Alexander Babic

Rubén Darío: ik jaag fervent een vorm na

ruben-darioRubén Darío (1867 – 1916) Nicaraguaans schrijver en dichter. Zijn oorspronkelijke naam is Felix Rubén García-Sarmiento, hij heeft later zijn oude familienaam, Darío, aangenomen.

Ik jaag fervent een vorm na

Ik jaag fervent een vorm na die ik in mijn stijl ontbeer, /de knop van al het denken dat het liefste wordt tot roos; / wanneer ik kus en met Venus van Milo minnekoos / in een omarming die niet kan, geeft hij zich even weer.

De witte zuilengang met palmen ademt groene sfeer; / het visioen van de Godin spreekt uit de sterren, broos, / en in mijn diepste wezen vlijt het licht zich moeiteloos, / zoals de vogel maan die neerstrijkt op een rustig meer.

En ik vind niets dan woorden die vervluchtigen tot lucht, / de aanzet tot een melodie die fluks de fluit ontvlucht / en het bootje van mijn dromen dat zich in de ruimte waagt;

en daar onder het venster van de Schone Slaapster-mijn / het onophoudelijk snikken van de straal van de fontein, / terwijl de grote, witte zwanenhals mij ondervraagt.

Uit: De dichter is een kleine God, vertaald en samengesteld door Barber van de Pol en Maarten Steenmeijer, Atheneum, Polak en Van Gennep, Amsterdam, 2010.

Saba over Svevo: ‘als een kind dat op school een 10 heeft gekregen’

Umberto Saba, de Italiaanse schrijver, dichter, die vastgeklonken zat aan de stad Triëst, was tijd- en stadsgenoot van die andere (beroemdere) Italiaan Italo Svevo, ook onlosmakelijk verbonden aan de havenstad. Uit een brief, die Saba schreef aan Nino Curiel (14 maart 1926), blijkt dat Saba en Svevo elkaar kennen.

italo_svevo

Italo Svevo

Zoals je uit de kranten zult weten, leefde er in Triëst een groot schrijver, die nu 65 jaar is en die niemand kende: Italo Svevo (Signor Schmitz joods industrieel, God zegene hem!). Onverwachts hebben ze hem in Parijs ontdekt, en vandaag is hij wereldberoemd. Hij komt me tamelijk vaak in de Libreria opzoeken en zelfs heb ik op een avond het genoegen gehad hem aan jouw vader voor te stellen.

(..) Ik stelde me hem voor als iemand die op een vervelende manier speelt met psychologische en psychoanalytische raadsels; maar hij is gewoon een groot kunstenaar; een geboren verteller die de lezer van de eerste tot de laatste bladzijde boeit. Morgen zal ik je zijn laatste en beste roman (De bekentenissen van Zeno) toesturen, ik kan me niet voorstellen dat hij je niet bevalt. Hij heeft hem geschreven op zijn 63-ste, en het is het meest frisse dat in Italië tussen 1900 en nu geschreven is. Ik kan aan dit alles niet denken zonder dat ik tranen in de ogen krijg. En je zou het geluk van Svevo moeten zien. Hij is als een kind dat op school een 10 heeft gekregen.

(..) Hij is ontdekt door Crémieux in Parijs, hij wordt nu in het Frans en Engels vertaald. Hij zegt dat hij om zoveel niet had gevraagd, dat het absoluut te veel is, dat een klein beetje erkenning in Italië voor hem genoeg zou zijn geweest. Maar hij is zeer ingenomen met zijn succes, en op een tamelijk argeloze manier.

Toen Crémieux treuzelde met het beloofde artikel in de Navire d’Argent, ging Svevo naar een arts en liet hij een attest opstellen waarin verklaard wordt dat hij lijdt aan een vergroting van de aorta, dat hij vervolgens naar Crémieux stuurde, met de mededeling dat hij ieder moment kon doodgaan, en dat hij, als hij hem dit plezier wilde doen, het snel moest doen.

Uit: Voor de vogels en een vriend, Umberto Saba, gekozen, vertaald en bezorgd door Yolanda Bloemen, Atlas, Amsterdam, 2006

Alfred Kossmann: prentenkabinet (1)

Prentenkabinet (1)

De vrouw achter de tapkast was niet groot / maar vreselijk van boezem: een matrone / die lette op haar geld en zeven zonen / en scherp en zeker zijn zou tot haar dood.

Ik mat haar met een schilderblik: in ’t licht / dat scheemrig overbleef uit de gordijnen / heerste bij duisternis en flikkerschijnen / nadrukkelijk en kwabbig haar gezicht.

En ‘k had haar plotseling lief / toen zij zich langzaam, met gracieuze dikte, / afkeerde van haar bier en tarief / en trots en troosteloos in haar zakdoek snikte.

alfred-kossmann

foto: Ries van Wendel de Joode

De plek van: Theo Elfrink

theo-elfrink

foto: via AdLansink.nl

We waren buren: kunstenaar Theo Elfrink en ik, zonder dat we het van elkaar wisten. Theo bewoonde 1 van de pijlers van de Nijmeegse spoorbrug; ik werkte in het gebouw van De Gelderlander aan de spoordijk. Vanaf de vierde etage van het toenmalige gebouw (inmiddels gesloopt) keek ik uit op de brug over de Waal. Ik wist dat er iemand woonde in de pijler en dat het een kunstenaar was.

Over zijn bijzondere woning zei hij:

Ik heb hier twee ramen, een raam op de rivier; dat is niet om naar buiten te kijken, maar om het licht binnen te laten. Mooi licht trouwens, noorderlicht. En dan een hier van opzij, uit het oosten, met zo’n zonnetje of liever nog als de lucht betrekt en het water te keer gaat, prachtig.

Theo (1923-2014) was gehecht aan zijn omgeving. Hij bewoog zich tussen Beek-Ubbergen en Nijmegen en luisterde met aandacht naar de verhalen van zijn streekgenoten. Was gek op de bewoners van de oude Nijmeegse Benedenstad, wiens verhalen over vroeger hij aandachtig in zich opnam.

Theo reisde ook. Dan was hij in de mijnstreek van de Borinage (België), dan bij de boeren in Connemara, (Ierland), dan weer bij de slachters van Grosage (B). Op zoek naar oermensen, zoals hij ze noemde.

Mijn eeuwige mens is een oermens: eenvoudig, zanglustig, gastvrij en ontroerend.

benedenstad

Theo Elfrink: Benedenstad

Zijn ervaringen met mensen en hun plek zette hij om naar tekeningen en schilderijen. Over dat tekenen en schilderen zei hij:

Ik ben enorm geëmotioneerd als ik zit te werken, anders hoeft het voor mij niet.Ik moet door de dingen geraakt worden, pas dan heb ik er lol in. Ik bedenk niets van tevoren, maak geen plan, praat er ook niet over, want als je dat doet, ben je het al kwijt. Ik moet het zelfs niet in mijn kop gaan bedenken, want dan heb ik het dáár al gemaakt en dan krijg ik het niet meer op papier of doek. Als ik teken of schilder moet mijn hand het doen. De lijnen lopen niet voor mijn penseel uit. Mijn hand zet het zonder plan vooraf op het papier.

Over de plek:

Ik schilder uit een soort heimwee naar de plek. Ben ik in Ierland, dan kan dat Nijmegen zijn, zit ik in Frankrijk, dan verlang ik naar de Borinage. Het is dus nooit zo dat ik, als ik ergens ben, alleen maar verlekkerd naar het landschap zit te kijken. Mijn betrokkenheid met dat landschap heeft alles te maken met de mensen erin.

En verder:

Het gaat mij evenmin om het esthetische, het gaat nooit om de lekkere vorm, het moet gaan over de zin van het leven. Die vind ik uiteindelijk in het landschap met de mensen erin. In die openheid zoek ik de beslotenheid, de geborgenheid van een gemeenschap.

(…)

Elke dag fiets ik van mijn huis in Beek langs de stuwwal of door de Ooypolder hiernaartoe en dat is het belangrijkste van mijn dag, dan weet ik telkens weer dat ik er niet voor niets van geniet, maar omdat ik uit het landschap geboren ben.

Uit: Dit is de plek, Wam de Moor, Gaillarde Pers, Zutphen, 1992