Martin Lewis tekende de stadsnacht

Martin Lewis (1881 – 1962), Amerikaan geboren in Victoria, Australië. Werd bekend als maker van tekeningen die over het (nachtelijk) stadsleven In New York gaan in de jaren 20 en 30 van de vorige eeuw.

Als jongeman moest Lewis zijn draai nog vinden tussen de twaalf ambachten en 13 ongelukken; hij was cowboy in Australië, werkte in de mijnen en was bootsman. Toen hij naar Sydney ging (2 jaar zou hij er verblijven), volgde hij een kunstopleiding. Tijdens dit verblijf maakte Lewis kennis met het maken van grafisch werk voor tijdschriften. Hij wist twee van zijn tekeningen te publiceren in The Bulletin.

In 1900 verliet Lewis Australië om zich in San Francisco te vestigen. Een tiental jaar later duikt hij op in New York. Wat er in de tussenliggende jaren gebeurd is, blijft een raadsel. Wat we weten: hij werkte vooral om geld te verdienen en produceerde zijn eerste etsen in 1915. Lewis’  vaardigheden als etser vielen op, bijvoorbeeld bij Edward Hopper, die een vriend voor het leven zou worden. Teleurgesteld over zijn werk, pakte Lewis al zijn spaarcenten bij elkaar en vertrok in 1920 naar Japan om er kunst en tekenen te gaan studeren. Na een twee-jarig verblijf keerde hij terug naar New York. Pakte er de draad weer op als commerciële kunstenaar, maar ruimde plaats in voor zijn eigen artistieke aspiraties.

Tijdens de Depressie verhuisde Lewis naar het platteland om later in Manhattan een school te helpen stichten voor grafici. Tussen 1944 en 1952 gaf Lewis les aan deze school in grafische vormgeving.

Tijdens zijn ruim dertig jaar durende loopbaan maakte Lewis zo’n 145 werken. Zijn drukwerk werd zeer gewaardeerd tijdens de jaren 30. Vooral vanwege de realistische weergave van het dagelijks leven. Zijn vakmanschap op grafisch gebied werd geroemd.

Lewis is een van de weinigen die in zijn grafisch werk aandacht besteedde aan nachtelijke scenes. Vooral in dit werk wordt zijn kunstenaarschap duidelijk: stippen, lijnen en vlakken; dit alles op de gevoelige plaat, maakten van Lewis een topper. Waarvan acte.

Advertenties

Frank Koenegracht: epigram en vooruitgang

frank koenegracht

Epigram

Net als grote komieken voor hem, moeder / werkt de dood met de techniek van de herhaling.

En zo komt het dat de kinderen het huis uit gaan, / de vrienden vertrekken

en je alleen achterblijft.

Ongaarne verplaats ik mij in de jonge moeder / die van deze dingen hoort of leest.

Vooruitgang

Van alle auto’s in de regen / die suizen langs mijn raam, / koplampen aan, / en die passeren door de bocht van de weg, / hoop ik maar dat ze ergens heengaan / en niet een reeks / die zonder reden telkens opnieuw / wordt rondgezonden / door steeds dezelfde onzichtbare gek.

Uit: Vroege sneeuw. Gedichten 1971 – 2003, Bezige Bij Amsterdam, 2003

Retna ontwikkelt zijn eigen script

Retna (1979) is een hedendaagse kunstenaar, vooral bekend om graffiti art. Hij is geboren en getogen in Los Angeles, en begon zijn carrière in de vroege jaren 1990.

Hij ontwikkelde een onderscheidende geconstrueerd script dat is afgeleid van Blackletter, Egyptische hiërogliefen, Arabisch en Hebreeuws kalligrafie, maar ook meer traditionele vormen van straat op basis van graffiti.

Naast het tentoonstellen bij instellingen en galeries in Los Angeles, Miami, Londen, New York en Hong Kong, heeft Retna reclame werk voor bekende merken gedaan.

Sonja Prins: als voor de eerste keer

Zij spreekt haar woorden recht in het door oorlogen en wanbeheer ‘geschonden aangezicht’ van onze oude aarde. Zij spreekt van schoonheid in gewone dingen en van een goede toekomst die moet worden veroverd. Door haar ‘moderne’ techniek is de stem van haar gedicht bewogen waar bewogenheid past, versnelt de hartslag van het vers zich daar waar er aanleiding toe is. De vorm van haar werk is niet meer een overdadig versierde beker waarin om het even welk onderwerp kan worden gegoten, maar versmelt tot een eenheid met dat onderwerp.

Jan G. Elburg

Als voor de eerste keer

je ziet hun schaduwen blauw en zwart / hun film als gedachte

je ziet de weerkaatsing van licht / die door de zintuigen / wordt opgezogen / en je ziet hoe zij altijd bewegen / voor het eerst / hoe zij elk ding voor het eerst in hun handen houden

de eerste geur de eerste verbazing / en je ziet hun schuchterheid

kon ik ooit / terugkeren / en niet meer zien / de muur en het doek / van verschrikking

verraderlijk als een leeuw / die nog niet voldaan is / geel en grijs als het zand / van verwoeste gebieden

nee je ziet hen nog altijd gaan / daar liep een jonge vrouw met een dood kind in haar armen

en weigerde te geloven / dat het dood was / en langs de weg lagen de tekens / van nederlaag en verlies

als op het laatst / alles is afgestroopt / meer dan ooit is de holte gevuld /met steeds groter spanning geladen

zie je de nieuwe ach en de ogen vol tranen / als voor de eerste keer

Uit: Nederlandse dichteressen – Nel Noordzij, Bezige Bij Amsterdam, 1957

sonja prins

Sonja Prins (1912 – 2009) Nederlandse dichteres. De dochter van de linkse non-conformist, schrijver en vertaler Apie Prins en van de vrouwenactiviste en onderwijsvernieuwster Ina Elisa Willekes Macdonald. Nog maar achttien jaar oud richtte Sonja Prins het internationale tijdschrift voor avant-gardeliteratuur Front op.

Prins publiceerde in 1933 haar eerste dichtbundel Proeve in strategie onder de schuilnaam Wanda Koopman: een modernistische bundel met sociaal geëngageerde poëzie.

Rond 1930 werd Sonja Prins lid van de Communistische Partij. Tijdens de oorlog maakte ze de illegale krant Vonk, waardoor ze tijdens de Tweede Wereldoorlog in het concentratiekamp van Ravensbrück terechtkwam.

Ze verwerkte die kampervaringen in haar roman De groene jas en in de dichtbundel Brood en rozen. De poëzie die ze in de jaren 50 schreef vertoont verwantschap met die van de Vijftigers. Later versoberde haar stijl. In 1956 trad ze uit de CPN, ontgoocheld door de inval van de Sovjet-Unie in Hongarije.

Prins trok zich in de jaren 70 als kluizenaar in de bossen bij Baarle-Nassau terug om daar in alle rust te kunnen werken aan haar beschouwend proza en herinneringen aan het verzet, naast tijds- en politieke gedichten. De nalatenschap van Prins (o.a. 49 dozen met brieven, dagboekaantekeningen en andere archivalia) bevindt zich in het Letterkundig Museum.

Handen in de films van Robert Bresson en de gruwelijke eenzaamheid van de dief

Een echtpaar en een huisvriend bevinden zich in een kamer. Er ontbreekt een beeldje op de schoorsteenmantel. Het echtpaar weet dat de huisvriend het gestolen heeft. Het bolt op in zijn jaszak. Maar het echtpaar spreekt het niet uit. Het is stil in de kamer. Iedereen is sprakeloos. De huisvriend weet dat als hij het beeldje terugzet, zich verraadt. Maar hij denkt ook dat hij ermee wegkomt. Het echtpaar weet nu dat de huisvriend een dief is. Je kunt niemand kennen. In de aardige huisvriend manifesteert zich het kwaad. Het echtpaar zal hem vergeven, maar ze zullen hem mijden, voortaan.

Gaat van zijn misdaad een bekoring uit? Ging op het moment van de ontdekking van het gemiste beeldje ook haar bloed sneller kloppen, was het het laatste moment van opwinding in haar saaie bestaan met haar man? Is het kwaad aantrekkelijk? Is het net zo verslavend beroofde te zijn als het is rover te zijn?

De huisvriend is een verslaafde. Hij móét het doen, moet in een zekere fase van een vriendschap zijn vrienden kwaad doen. Moet teleurstellen, moet verraden, dat is zijn levensvorm, steeds weer die gang gaan: van vertrouwen winnen naar vertrouwen beschamen.

De huisvriend komt thuis in een kaal appartement. Zit in het donker, jas aan. Kijkt naar het beeldje dat hij gestolen heeft. Doet zijn best het zijn begeerlijkheid terug te geven. Dat lukt niet. Hoe kan het, dat het zo kleurloos , zo nietsig is geworden, na de hoge prijs die hij ervoor betaald heeft?

Zo gaat het altijd, maar dat verandert niets an het verlangen te willen stelen, dief te zijn.

(te zien in Le Pickpocket van Robert Bresson)

Uit: Een filmscone als zwarte mis – Ger Thijs, De Gids juni, juli 2008

Queneau: bijna was ik verdronken in de Middellandse Zee

drenkeling

Bijna was ik verdronken in de Middellandse Zee

Als ik eens ging zwemmen in de woeste baren / Misschien bereikte ik na enig zwerven dan / Het land waar slechts sirenen heten rond te waren / En waar het leven snel voorbij is voor een man

Een golf voerde me mee op zijn actieve zijde / En weldra  zag ik hoe de omtrek al verdween / Van ’t land waar ‘k dertig jaren een mooi leven leidde / En zellufs nog wat meer waar gaat de tijd toch heen

De hemel echter die een wrede toorn uitbroedde / Begon zijn toppen en hellingen te voeden / En elke terugkeerpoging mocht nu niet meer baten

De vrouwelijke monsters uit het grottenland / Zullen mijn lichaam niet zien overgaan in graten / Want een badmeester brengt me weer terug naar de kant.

Raymond Queneau (1903 – 1977), Frans, vertaling Martin de Haan

Ukiyo-e in rood, ook geliefd in Europa

Ukiyo-e (1620 – 1912) is Japans voor ‘afbeeldingen van de drijvende wereld’ waarmee de Japanner het voorbijgaande dagelijks leven bedoelt. Dit thema is een belangrijke inspiratiebron voor de Japanse prentkunst vanaf de 17-de tot aan de 19-de eeuw. Het voorbijgaande dagelijks leven kreeg gestalte in de werken van kunstenaars als: Hiroshige, Hokusai en Utamaro.

Typische onderwerpen in deze prentkunst waren theater-scenes, met acteurs in bekende rollen, en scenes uit het nachtleven van Edo, zoals Tokyo toen heette.

Het resultaat waren felgekleurde prints van houtsneden, die ook geliefd waren in Europa. Vanaf het midden van de 19-de eeuw doken de prints in Europa op en hadden een bepalende invloed op avant garde-kunstenaars uit het Impressionisme en Post-Impressionisme. Ze lieten zich met name inspireren door de gedurfde composities en de opvallende kleuren.

Boenin: die blik als van een hert

Die blik als van een hert

Die blik als van een hert, die stille ogen, / En al wat mij daarin is lief geweest, / Staan mij nog steeds vol droefheid voor de geest, / Maar je gezicht is al in rook vervlogen.

Ook het verdriet zal slijten mettertijd, / En de herinnering zal eens verglijden / Naar waar geen vreugd meer is en ook geen lijden, / Alleen nog afstand die niets meer verwijt.

1901

Eens komt de dag dat ik verdwijn

Eens komt de dag dat ik verdwijn, / En hier, waar ik dan niet meer woon, / Zal alles nog hetzelfde zijn: / De bank, de tafel, de icoon.

En net als nu vliegt hier dan weer / Een bonte zijden vlinder rond, / Hij snort en fladdert op en neer / Tegen het lichtblauwe plafond.

En net als nu kijkt van omhoog / Door ’t open raam de hemelboog, / En lokt de effen blauwe zee / Een ieder naar haar verten mee.

1916

Ivan_Bunin_(sepia)

Ivan Boenin (1870 – 1953), afkomstig uit een oude adellijke familie in Voronezj. Maakte het gymnasium niet af. Publiceerde in 1887 zijn eerste gedichten en vestigde zich in 1889 in Orjol. Daar werkte hij als corrector, vertaler en toneelrecensent. Vertrok in 1895 naar Petersburg en daarna Moskou. Daar deed hij zijn intrede in de literaire kringen. Maakte vele reizen, onder andere naar Griekenland en Turkije. Verbleef lange tijd in Palestina, Egypte en India. Emigreerde na de Oktoberrevolutie naar Frankrijk, waar hij als één van de beste schrijvers van de emigranten gold.

In 1933 kreeg hij, mede voor zijn autobiografische roman Het leven van Arsenjev, als eerste Russische schrijver de Nobelprijs.

Uit: Bloemlezing van de Russische poëzie – Marja Wiebes, Margriet Berg, Plantage Leiden, 1997

Verwant: de vrouw van Lot

vrouw van lot - fieke van dieren

De vrouw van Lot door Fieke van Dieren

De vrouw van Lot

De rechtvaardige volgde de bode van God, / Reusachtig en stralend, de donkere berg op. / Maar luid spraken onrust en angst tot de vrouw: / Je hebt nog tijd voor een laatste blik

Op de rode torens van Sodom, je vaderstad, / Op het plein waar je zong, de hof waar je spon, / Op de lege vensters van het huis / Waar jij je echtgenoot kinderen baarde.

Zij keek om – en door een dodelijke pijn / Werd zij met blindheid geslagen; / Haar lichaam veranderde in een zoutklomp, / Haar snelle voeten schoten wortel in de aarde.

Wie zal om haar ooit tranen vergieten? / Telt zij van alle verlies niet het minst? / Alleen mijn hart zal de vrouw nooit vergeten, / Die haar leven gaf voor één enkele blik.

Anna Achmatova (1889 – 1966), Russisch

Uit: De laatste roos, Arbeiderspers Amsterdam, 1983, vertaling Kristien Warmenhoven

Lluis Marsans schildert de werkelijkheid uit het verleden

Lluís Marsans i Julià (1930 – 2015) Catalaans schilder, geboren in Barcelona, groeide op in Parijs. Reisde in 1947 naar Mexico en de Verenigde Staten. Studeerde schilderkunst in Barcelona van 1948 tot 1950.

In de periode 1966–1970 onderzocht hij het werk van de Franse schrijver Marcel Proust Op zoek naar de verloren tijd en legde de resultaten van dat onderzoek vast in een reeks tekeningen. Die tekeningen waren succesvol en te zien tijdens exposities in Barcelona, Parijs en Washington DC.

Marsans schilderde stillevens en landschappen, in kleine formaten en met gemengde technieken.

Marsans wordt als realist gezien. Daarover en over zijn relatie met het realisme zegt Marsans zelf: ‘Je kunt niet schilderen wat je ziet. Je kunt alleen schilderen wat je je herinnert. Mijn realisme is de identificatie met de werkelijkheden uit het verleden.’