Sonja Prins: als voor de eerste keer

Zij spreekt haar woorden recht in het door oorlogen en wanbeheer ‘geschonden aangezicht’ van onze oude aarde. Zij spreekt van schoonheid in gewone dingen en van een goede toekomst die moet worden veroverd. Door haar ‘moderne’ techniek is de stem van haar gedicht bewogen waar bewogenheid past, versnelt de hartslag van het vers zich daar waar er aanleiding toe is. De vorm van haar werk is niet meer een overdadig versierde beker waarin om het even welk onderwerp kan worden gegoten, maar versmelt tot een eenheid met dat onderwerp.

Jan G. Elburg

Als voor de eerste keer

je ziet hun schaduwen blauw en zwart / hun film als gedachte

je ziet de weerkaatsing van licht / die door de zintuigen / wordt opgezogen / en je ziet hoe zij altijd bewegen / voor het eerst / hoe zij elk ding voor het eerst in hun handen houden

de eerste geur de eerste verbazing / en je ziet hun schuchterheid

kon ik ooit / terugkeren / en niet meer zien / de muur en het doek / van verschrikking

verraderlijk als een leeuw / die nog niet voldaan is / geel en grijs als het zand / van verwoeste gebieden

nee je ziet hen nog altijd gaan / daar liep een jonge vrouw met een dood kind in haar armen

en weigerde te geloven / dat het dood was / en langs de weg lagen de tekens / van nederlaag en verlies

als op het laatst / alles is afgestroopt / meer dan ooit is de holte gevuld /met steeds groter spanning geladen

zie je de nieuwe ach en de ogen vol tranen / als voor de eerste keer

Uit: Nederlandse dichteressen – Nel Noordzij, Bezige Bij Amsterdam, 1957

sonja prins

Sonja Prins (1912 – 2009) Nederlandse dichteres. De dochter van de linkse non-conformist, schrijver en vertaler Apie Prins en van de vrouwenactiviste en onderwijsvernieuwster Ina Elisa Willekes Macdonald. Nog maar achttien jaar oud richtte Sonja Prins het internationale tijdschrift voor avant-gardeliteratuur Front op.

Prins publiceerde in 1933 haar eerste dichtbundel Proeve in strategie onder de schuilnaam Wanda Koopman: een modernistische bundel met sociaal geëngageerde poëzie.

Rond 1930 werd Sonja Prins lid van de Communistische Partij. Tijdens de oorlog maakte ze de illegale krant Vonk, waardoor ze tijdens de Tweede Wereldoorlog in het concentratiekamp van Ravensbrück terechtkwam.

Ze verwerkte die kampervaringen in haar roman De groene jas en in de dichtbundel Brood en rozen. De poëzie die ze in de jaren 50 schreef vertoont verwantschap met die van de Vijftigers. Later versoberde haar stijl. In 1956 trad ze uit de CPN, ontgoocheld door de inval van de Sovjet-Unie in Hongarije.

Prins trok zich in de jaren 70 als kluizenaar in de bossen bij Baarle-Nassau terug om daar in alle rust te kunnen werken aan haar beschouwend proza en herinneringen aan het verzet, naast tijds- en politieke gedichten. De nalatenschap van Prins (o.a. 49 dozen met brieven, dagboekaantekeningen en andere archivalia) bevindt zich in het Letterkundig Museum.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s