Toon Tellegen: het leven is een zijtak

Waddenzee_zon

Groot, modderig en ondiep

Het leven is een zijtak

Het leven is een zijtak van de liefde, / bevaarbaar en kort. / Er zijn kaarten voor en krankzinnige loodsen. / De levenden passeren de doden, / een voor een.

De liefde is groot en modderig en ondiep, / de liefde stroom naar zee.

Toon Tellegen (1941), Nederlands

Anti-oorlog: Aan kant of van kant?

eybers

Voorland

Al hoe meer dure minute per uur / bestee jy aan alles en nog wat verplaas / van hierdie na daardie steunvlak, van waar / jy hulle by streng tussenpose weer / te voorskyn haal, beredder, hanteer / in ’n rituele gebarespel.

Jy noem dit aan kant maak en dit verbaas / jou nie meer dat elke beweging verband / hou met die manier waarop alles van kant / gemaak word, o.a. jyself.

Elisabeth Eybers

“Ik ben niet zozeer geïnteresseerd in het schot van Sarajevo dat de Eerste Wereldoorlog ontketende, noch in het bloedbad op de Tempelberg dat de Derde had kunnen inleiden, ik stel veel meer belang in het raadsel dat vervolgens miljoenen huisvaders zingend de grens overtrekken om met hun slagerswerk te beginnen. Van jongs af aan heb ik gedacht dat soldaten juist gerekruteerd moeten worden uit de gelederen van getemden die hun tuinen verzorgen. En sindsdien ben ik doodsbang geweest vooor mensen ‘die hun zaakjes in orde hebben’. Die dus een onvoorstelbare oorlog prefereren boven de onzekerheid van de prijs aan de benzinepomp en de inruilwaarde van hun Opel.”

“Dat de wereld eruit moet zien als het dressoir in de pronkkamer van de premie A-woning, dat is mijn grootste angst. Wat daaruit voortkomt, welke moraal, welke rechtspraak, welke omgangsvormen, ik moet er niet aan denken, al zie ik het de hele dag om me heen.”

fragmenten uit Tuin; uit: Ik leef aan de rand van de wereld – A.L. Snijders, Thomas Rap Amsterdam, 2007

Robert Delauney experimenteerde met kleur en figuratief/non-figuratief

delauney 3

Robert Victor Félix Delaunay (1885 – 1941) Frans kunstschilder. Hij is een van de bekendste vertegenwoordigers van het kubisme.

Delaunay werd geboren in een welgesteld gezin uit de hogere milieus. Zijn ouders zijn al snel na Roberts geboorte gescheiden en mede doordat zijn moeder veel op reis was, werd Robert grotendeels opgevoed door zijn tante Marie en haar echtgenoot Charles Damour. Hij groeide op op het landgoed La Ronchère bij Bourges.

Al in 1902 verliet Delaunay het lyceum, omdat hij geen interesse kon opbrengen voor de klassieke vakken. Hij wilde de kunst in en ging in de leer bij Eugène Ronsin in Belleville voor decorschilder. Dit zou zijn enige formele opleiding op het vlak van de schilderkunst zijn. Delaunay ging over op de schilderkunst.

De eerste schilderijen van Delaunay tonen duidelijk de impressionistische en neo-impressionistische invloeden. In deze eerste tijd dat hij schilderde ging Delaunay enkele malen naar de kunstenaarskolonie in Pont-Aven, waar Paul Gauguin ook gewerkt had. Het werk van Gauguin en van Paul Cézanne imponeerde Delaunay. Delaunay bewonderde Georges Seurat, met name om zijn kleurgebruik.

In 1905 was het Fauvisme in opkomst. De jonge Delaunay werd beïnvloed door het fauvisme met zijn felle, onvermengde kleuren en pigmenten. Kleur ging een steeds belangrijker rol in het werk van Delaunay spelen.

In 1906 ontmoette Delaunay Henri Rousseau, met wie hij tot diens dood in 1910 bevriend zou blijven. De ontwikkeling van de moderne techniek kwam in Rousseaus werk duidelijk naar voren, Delaunays interesse voor die ontwikkelingen zou nog heel vaak in zijn werk terugkomen.

In 1907 ontmoette Delaunay de joods-Oekraïense kunstenares Sonia Terk. In dat jaar ook moest Delaunay zijn militaire dienstplicht vervullen. Zijn zwakke gezondheid maakte dat hij bij de reserves werd ingedeeld. In het najaar van 1908 zat zijn tijd er op en keerde hij terug naar Parijs.

In de periode 1909–1910 werden de omtrekken van Delaunays persoonlijke stijl duidelijk. Delaunay kwam in deze periode in contact met de eerste kubisten, waaronder Fernand Léger en later Pablo Picasso.

delauney 4

In 1910 trouwde Delaunay met Sonia Terk; zij zou in vele van zijn projecten meewerken. Het huis van de Delaunays werd een verzamelpunt voor schilders en schrijvers van de nieuwe avant-garde. In 1911 werd hun zoon Charles geboren.

In 1911 exposeerde Delaunay op de Salon des Indépendants samen met een aantal andere kubisten. De expositie staat te boek als de eerste tentoonstelling van de kubisten. Zijn contact met Kandinsky in 1911 leidde tot de uitnodiging mede te exposeren op de zogenaamde Blaue Reiter expositie in München.

1912 is het geboortejaar van het orphisme, dat kort maar heftig leefde. De term orphisme is geïntroduceerd door Guillaume Apollinaire, om de lyrische, schitterende kleureneffecten te beschrijven. In de discussies bij de Delaunays thuis werden pogingen gedaan om de kunsten met elkaar te verenigen, om kleuren in een schilderij om te zetten in woorden in een gedicht en omgekeerd.

Eind 1912 schreef Delaunay een brief aan het tijdschrift Gil Blas, waarin hij aangaf zich niet meer tot de kubisten te rekenen. Mede onder invloed van het futurisme wilde Delaunay niet langer aan de statische vormen van het kubisme voldoen, zijn vormen werden dynamischer, zijn werk werd abstracter. Hij hield zich vooral bezig met de kleur, met de kleurtheorieën van Chevreul, en beïnvloedde hierin ook de Der Blaue Reiter groep.

De Eerste Wereldoorlog brak uit toen Delaunay met zijn gezin op vakantie was in Baskenland. De gezondheid van hun zoon was zo zwak, dat ze besloten hadden een tijdlang zuidelijker te gaan wonen. Het zou tot 1921 duren eer de Delaunays weer teruggingen naar Parijs. Het werk van Delaunay veranderde in die periode; het felle Spaanse licht maakte dat hij zich nog meer op de kleuren stortte. De thema’s waren duidelijk minder abstract, meer figuratief.

Met de Russische Revolutie droogde echter de financiële bron uit Rusland op. Ze verhuisden naar Madrid, waar Delaunay in 1918 Serge Diaghilev ontmoette. Dit resulteerde in samenwerking met het Russisch Ballet gedurende enige tijd, en een decorontwerp voor een aantal balletten door Delaunay.  Sonia had veel succes met haar ontwerpen voor de modewereld; aan het einde van de jaren twintig had zij zelfs tientallen medewerkers in dienst. De crisistijd na de beurskrach van 1929 zou daar een eind aan maken.

In de jaren dertig voegden de Delaunays zich bij de groep ‘Abstraction-Création’ die zich bezighield met de non-figuratieve kunst, een groep rond o.a. Theo van Doesburg. Dit was het tijdperk van de “eeuwigdurende ritmes”; een terugkeer naar het abstracte, maar ook een experimenteren met andere materialen, onder meer om reliëf in de werken aan te kunnen brengen

In 1937 en 1938 kocht de verzamelaar Solomon Guggenheim een aantal van Delaunays werken, waardoor Delaunay een huis in Gambais kon kopen. Daar trokken de Delaunays zich terug. In oktober 1941 stortte Delaunay in en werd hij naar het ziekenhuis gebracht. Hij werd geopereerd maar stierf op 56-jarige leeftijd aan kanker.

Chlebnikov: weigering

Weigering

Het is mij veel aangenamer / Om te kijken naar de sterren / Dan een doodvonnis te tekenen. / Het is mij veel aangenamer / Om de stem van een bloem te horen / Die zacht fluistert: ‘Dat is hij!, / Als ik slenter door de tuin, / Dan te kijken naar geweren / Die hen doden die verlangen / Mij te doden. / Om die reden zal ik / Nimmer / Een bestuurder zijn!

1919 – 1921

Chlebnikov

Velimir Chlebnikov (1885 – 1922), geboren in een dorpje in het gouvernement Astrakan. Stamt uit een prerevolutionair intelligentsia-milieu. Studeerde wiskunde, biologie, Sanskriet en slavistiek. Moest in 1911 de universiteit van Petersburg verlaten vanwege wanbetaling. Sloot zich eerst aan bij de symbolisten maar introduceerde met onder andere Majakovski het futurisme in Rusland. Er verschenen drie dichtbundels.

Nam tussen 1918 en 1921 als propagandist deel aan de veldtocht van het Rode Leger naar Perzië, werkte als journalist. Ging in 1921 naar Moskou om zijn werk te publiceren maar er was geen belangstelling. Vertrok ondervoed en uitgeput naar het zuiden om op krachten te komen, maar stierf tijdens de reis.

Marie Vandenberghe had een gezegende schoot

marie vandenberghe

Marie Vandenberghe

Schrijver/essayist Jeroen Brouwers is bekend vanwege zijn boek over zelfmoord onder kunstenaars/schrijvers. Brouwers heeft een zesde zintuig ontwikkeld voor de zwaarmoedigen, de lijders onder de duistere krachten en diegene wiens leven meer lijden dan lust is. Hij verzamelt artikelen en geschriften over de mannen en vrouwen die kampen met het bestaan. Dat levert meestal mooie portretten en rake schetsen op. Altijd interessant.

andre baillon

André Baillon

Zo ook het portret dat hij maakte van de Vlaamse schrijver André Baillon (1875 – 1932).

‘Ik hou niet van mezelf. Wat ben ik? Een vuurpijl die door de lucht schoot en een schitterende blauwe sterrenregen had moeten worden, maar opeens foetsie.’

Een citaat uit de roman De oorwurm van het Luxembourg die 4 jaar voor de dood van de Antwerpenaar verscheen. In dit boek maakt Baillon de balans op van zijn leven en schrijverij, zijn krankzinnigheden en zielsverdrieten. Saldo van die balans: dat hij zichzelf een waardeloos sujet vond.

Ik was een lul. Lul, lul, lul, ik verafschuwde iedereen die geen lul was.

Er is een periode in het leven van Baillon geweest waarin mislukking en tegenslag minder aan de orde waren. Bijvoorbeeld toen de vrouwen in zijn leven kwamen.

Hij had vrouwen gehad zoals een ander vlooien: ze hadden het bloed uit zijn lijf gezogen; hij wist niet met welk kruid je vrouwen van je lijf kon houden.

En toen kwam hij de vrouw tegen met wie hij zou trouwen. een mooie karakterschets:

Ze heette Marie Vandenberghe. ‘Een groot hart in een grote boezem,’ merkte Baillon op. Ze trouwden op 20 oktober 1902.

In vrijwel al zijn teksten komt Marie voor, – onder welke naam dan ook, zij het merendeels gewoon als Marie. Zij had al heel wat achter de rug toen ze Baillon leerde kennen. Een ellendige jeugd, net als hij, maar dan zo volkomen anders dat zij eruit te voorschijn was gekomen als een pront, door alle waters gewassen, verstandig wijf, goedhartig en aanzienlijk minder verknipt dan haar schrijver. Zij was al vroeg in de prostitutie verzeild, in Brussel, daarna in Londen, maar had er zich uit weten te bevrijden. In het leven van Baillon werd zij de robuuste moeder die zich zorgzaam over hem zou ontfermen. Moeder, minnares en madonna tegelijk en dan nog Marie geheten ook, net als Zij die wordt aanbeden in het weesgegroet, ‘de gezegende onder alle vrouwen’, ‘vol van genade’, met een al even gezegende schoot.

fragmenten uit Woorden met angels, woorden met scharen, over André Baillon, uit: Het circus der eenzaamheid – Jeroen Brouwers, Arbeiderspers Amsterdam, 1994

Onrecht: in die jaren

besneeuwd veld

In die jaren

In die jaren / was de tijd bevroren: / ijs zover de ziel reikte

Aan de daken / hingen dolken / De stad was van / bevroren glas / mensen zeulden / zakken vol sneeuw / naar ijzige brandstapels

Eens viel er een lied / uit gouden vlokken / op het besneeuwde veld: / ‘Ken je het land / waar de citroenen bloeien?’ / De sneeuwmannen / wisten het niet

Woekerend ijs / sloeg / witte wortels / in het merg van onze jaren

Rose Ausländer (1907 – 1978), Roemeens-Duits

Uit: De tiende muze, Kritak Goossens, 1995, vertaling Paul Claes

‘Parijs dat de jeugd minacht’

parijs minacht de jeugd

foto: Pierre-Ange Carlotte, bron: ID-Vice.com

Witold Gombrowicz (1904 – 1969), geboren Pools, vertrok voor de Tweede Wereldoorlog naar Argentinië en kwam begin jaren 60 terug naar Europa. In Argentinië was hij eerst down-and-out, werd bankmedewerker en begon met het publiceren van romans. Zijn bekendste werken: Ferdydurke, De pornografie en Kosmos. Daarnaast schreef Gombro toneel en hield hij dagboeken bij waaruit hij publiceerde.

De terugkeer van de Pool naar Europa was geen succes. Na een teleurstellend Parijs, vertrok hij naar Berlijn waar hij artist-in-residence was op uitnodiging van de Ford Foundation. Gombro kon niet aarden en werd ziek. In het Franse Vence, leefde hij tot aan zijn dood, lijdend aan astma, terug getrokken op het platteland en voldeed moeizaam en met tegenzin aan verzoeken om zijn werk toe te lichten.

Over de thema’s van zijn 3 grote romans zei hij: ‘Ferdydurke gaat over de mens geschapen door de andere mens; De pornografie is de volwassene geschapen door de jeugdige en Kosmos gaat over de mens geschapen door en zelf schepper van de Vorm.’

Voor de Pool Gombrowicz was de jeugd een alles overheersend thema. Het keerde in vele gedaanten in zijn werk terug. Ook in onderstaand fragment waarin hij ingaat op het gevoel dat Parijs hem teleurstelde.

Om welke cultus van de naaktheid is het mij te doen wanneer ik zeg dat Parijs haar naaktheid verloren heeft? Kan ik het nader preciseren? Ik verlang niet van hen dat zij met een simpel hart het lichaam, de natuur en het natuurlijke leven vereren, ik vraag niet dat zij hymnes aanheffen op de nudisten. Maar ik vraag wel van de mens dat in hem (zelfs al was hij een monster) het idee leeft van de schoonheid van het menselijk geslacht, ik zou willen dat hij het volgende niet vergat: ‘Ik behoor tot een ras dat mij verrukt; ik aanbid de schoonheid van de wereld door de menselijke schoonheid.’

Daarom is het belangrijk, dat wij innerlijk nooit met de periode van ons leven breken waarin de schoonheid toegankelijk is, dat wil zeggen: met de jeugd. Want elk later verkregen schoonheid zal altijd onvolledig zijn, misvormd door het gebrek aan jeugd. Daarom is de jonge schoonheid een naakte schoonheid, de enige die zich niet hoeft te schamen.

En wie voortdurend met de jeugd verbonden is, zal nooit van kleren houden. Dat is het fundament van mijn esthetiek. Om deze afkeer van de kleding gaat het mij, daarom zal ik me niet verzoenen met Parijs dat de jeugd minacht.

Uit: Dagboek Parijs-Berlijn – Witold Gombrowicz, Moussault Amsterdam, 1972, vertaling Paul Beers

Huub Beurskens: ik ken een man

huub beurskens

Ik ken een man

Ik ken een man, die is voor een eigen gedachte / bang. Niet voor zijn herinneringen aan hoe hij / onder het bloeien der seringen, in stegen, tegen / een linde, op parkbank of matras, bij vollemaan, / in meiregen of zomergras, onhandig soms spontaan / ontvlammend of verlegen stamelend bij meisjes of / vrouwen kwam. Gerust gedenkt hij hoe hij zich deze / of gene tot vriendin verbeeldde zonder dat ze ervan

wist of iets met hem deelde. Maar verlammend is / hem de gedachte dat, omgekeerd, ongeweten ooit / een vrouw of meisje vurig hem begeerde, dat hij in / haar leefde om haar te kussen op een perron, haar / te strelen op een balkon met uitzicht op een meer / met zwanen. Ach, dan komen ook algauw de tranen. / Ik ken de man. Zo gaat het met oudere heren, teren / op hun drassige hart zonder hun brein te irrigeren.

Uit: Eigenlijk heb ik alles al – Huub Beurskens, Meulenhoff Amsterdam, 2009

Nel Noordzij: wedergeboorte

noordzij

Het is direct, zuiver, echt, krachtig, eigen. Het is een vervulling die ons doet beseffen dat er onder de jongsten nog zijn die iets meer geven dan het faciele, hetzij omkleed met gewichtigdoenerij, hetzij naakt. Want dit is precies wat het zijn moet, en anders niet.

F. Bordewijk

Wedergeboorte

ik had zo graag / een kleine holle boom / daar wil ik in / volmaakt en naakt en vroom / tot ik hem vullend eerst / weer overstroom

Uit: Nederlandse dichteressen – Nel Noordzij, Bezige Bij Amsterdam, 1957

Antoine-Jean Gros was de huisschilder van Napoleon

2014.271.2

Antoine-Jean Gros, baron Gros (1771 – 1835), Frans kunstschilder, werkend in de traditie van het neoclassicisme, maar met een hang naar de romantiek. Hij vervaardigde portretten en historische taferelen, met name de veldslagen en overwinningen van Napoleon Bonaparte, waarmee hij grote faam verwierf.

Gros was een zoon van de miniatuurschilder Jean-Antoine Gros. Hij leerde al op jeugdige leeftijd tekenen. Al in 1785 werd hij leerling van Jacques-Louis David, met wie hij bevriend raakte en die hem sterk beïnvloedde.

In 1793 ontvluchtte Gros met hulp van David de troebelen van de aan de gang zijnde Revolutie. Hij ging naar Italië, waar hij verbleef in Genua en in Florence. Hij bestudeerde er het werk van onder meer Anthony van Dyck en Peter Paul Rubens. In Genua ontmoette hij Joséphine de Beauharnais, de vrouw van Napoleon. Zij bracht hem in contact met de aanstaande keizer, die hem de opdracht gaf voor wat zijn eerste grote werk zou worden: Bonaparte bij de brug van Arcole. Het (geromantiseerde) werk viel zeer in de smaak bij Napoleon en deze gaf hem de functie van ‘inspecteur aux revues’, waardoor hij Napoleon kon volgen op zijn veldtochten en tevens kunstwerken kon selecteren voor opname in het Louvre.

In 1811 kreeg hij opdracht de koepel van het Panthéon te beschilderen. Dit werk voltooide hij pas in 1824.

Na de val van Napoleon nam Gros de studio van de uitgeweken David over. Hij werd hofschilder van de Bourbons, die na de val van de keizer in ere waren hersteld. Hij verwierf daarbij de titel van baron. Zijn romantische touch verruilde hij voor de klassieke van David.

Als gevolg van toenemende kritiek, ook van David, raakte Gros in een depressie en uiteindelijk pleegde hij zelfmoord door zich te verdrinken in een zijrivier van de Seine.

j a gros 2