The Summer of Love bekend

The Doors – Light my Fire

The Beatles – Strawberry Fields Forever

The Beach Boys – Heroes and Villains

Pink Floyd – Interstellar Overdrive

Small Faces – Itchycoo Park

 

Advertenties

Ankie Peypers: de andere

Mist volkomen de handicap van allerlei versleten vormen, metra en rijmen waarmee de meer ‘conservatieve’ poëten zitten opgescheept. Ankie Peypers heeft niet alleen uiterst originele ‘invallen’, zij weet deze ook op een frisse wijze zodanig te formuleren, dat de lezer er ten volle deel aan krijgt.

A.Marja

De andere

In mij is een jongere vrouw dan ik / met lichtere ogen en smaller handen. / Zij staat op kleine gespitste voeten / door mijn ogen naar buiten te zien / en kijkt naar de dagen, naar licht en naar kleuren, / ziet alles verwonderd, ziet alles heel schoon. / Beiden verlangen we, dat zij kon spreken / dat ze kon bewegen en leven en breken / de donkere, die om haar woont.

Uit: Nederlandse dichteressen na 1900 – Nel Noordzij, Bezige Bij Amsterdam, 1957

ankie PeypersAnkie Peypers (1928 –2008) dichteres, schrijfster en journaliste.

Ze debuteerde op achttienjarige leeftijd met de bundel Zeventien, met daarin zeventien jeugdgedichten. In 1951 verscheen haar officiële debuut October. Sindsdien verschenen gedichtenbundels, vertalingen en enkele romans. In 1972 verscheen de verzamelbundel Gedichten 1951 – 1971.

Als journalist werkte ze voor De Vlam en Het Vrije Volk. Peypers was medeoprichter van het feministisch-literaire tijdschrift Surplus. Ze publiceerde regelmatig over de positie van vrouwen.

Peri Rossi: gelijkenis

pinguins op smeltend ijs

Terwijl het eiland langzaam smelt. foto: Shutterstock

Op een drijvend eiland van ijs

Op een drijvend eiland van ijs / losgeraakt van Antarctica / reist een heel volk van pinguïns, / domme vogels die niet weten dat ze reizen. / Terwijl het eiland langzaam smelt / op weg naar de Atlantische oceaan, / werken de pinguïns, zwemmen, / vangen hun voedsel, planten zich voort / en geloven in de onsterfelijkheid.

Cristina Peri Rossi (1941), Uruquaans

Vertaling: poëziewerkgroep ccc

Tsvetajeva: ik heb jou niet langer nodig

Ik heb jou niet langer nodig

Ik heb jou niet langer nodig, / Lieveling – en niet omdat je / Mij niet schreef per eerste post.

En ook niet omdat je deze / Regels, in verdriet geschreven, / Zult ontcijferen met een lach.

(Je onttovert deze regels – / Die alleen voor jou bestemd zijn! – / Voor het eerst! – en niet alleen.)

En ook niet omdat er krullen / Langs jouw wangen strijken, liefste – / Ik lees zelf graag met zijn twee! –

En ook niet omdat je samen / Je vooroverbuigt, al zuchtend, / Over mijn onleesbaar schrift.

En ook niet omdat je ogen / Zomaar toegaan – wat een handschrift, / En dan ook nog een gedicht!

Nee, ’t is simpeler, mijn vriendje! – / ’t Is geen droefheid, het is erger:

Ik heb jou niet langer nodig – / En wel hierom – / Ik heb jou niet langer nodig!

1918

marina tsvetajeva2

Marina Tsvetajeva (1892 – 1941), dochter van een hoogleraar kunstgeschiedenis en een pianiste. Verbleef door haar moeders ziekte (tbc) lange tijd in West-Europa. Publiceerde in 1910 haar eerste gedichten. Wees de Oktoberrevolutie af en emigreerde in 1922 met haar dochter Alja (haar 2-jarige dochter Irina was in 1919 in een tehuis gestorven).

Haar enige in Parijs verschenen bundel Na Rusland kreeg slechte kritieken: ze was in emigrantenkringen niet geliefd vanwege haar lof op o.a. Majakovski.

Keerde in 1939 terug naar de Sovjetunie. Publiceren was onmogelijk en ze was aangewezen op vertaalwerk. In 1941 werd ze naar Jelaboega geëvacueerd, waar ze op 31 augustus een eind aan haar leven maakte.

Uit: Bloemlezing van de Russische poëzie – Marja Wiebes, Margriet Berg, Plantage Leiden, 1997

Fotorealist John Salt schildert de smerige kant van onze samenleving

Waarom voel je dat dit schilderijen zijn gemaakt naar foto’s en niet naar de werkelijkheid? Is het een jaren zeventig- en tachtigfilter die in de beelden ligt, zijn het de spullen, is het de reflectie van de kleuren van de auto’s?

(..)

Alle vertrouwdheid met de stad (New York, re) was via media tot me gekomen. Niet door eigen waarneming. Televisieseries, films en nieuws hadden New York bijna tot een thuisstad gemaakt. Daar gaan die schilderijen over (..), het vals gevoel van werkelijkheid dat fotografie en film ons bieden, en de schilder streek voor streek vastlegt. Of nou ja vals – een eigen werkelijkheid, meer.

Dus toen ik John Salts spookachtige voorstelling van een afgelegen huis met autowrakken, een picknicktafel met aftandse parasol en kapotte caravan zag, herkende ik een sfeer en een gebied dat ik nooit gezien heb.

(..) Het interessante is dat Salt ongeveer het tegenovergestelde doet van veel van zijn collega-fotorealistische schilders: waar zij het optimistische Amerika van de Koude Oorlogsjaren met de pastelkleurige auto’s en glimmende diners, de nieuwe heiligdommen van het consumentisme als technische apparaten en snel voedsel weergeven tot in de fijnste weerspiegeling – kunsthistorisch gezien een mooie parallel met de ‘goddelijke’ weerspiegelingen in de schilderkunst van Jan van Eyck uit de 15-de eeuw – bepekt John Salt zich tot de keerzijde daarvan. De glimmende auto’s die wrakken zijn geworden, de caravans die niet meer werken. Het begin van de afvalberg die niet meer te stoppen bleek.

(..) De hoop van vooruitsturend Amerika – hoe makkelijk het huishouden werd door de koelkast kunnen we ons niet eens meer indenken – en de smerige andere kant ervan. Wat moeten we als al die apparaten stuk zijn, waar moeten ze heen? Naar dit soort achterlandjes dus, waar zo min mogelijk mensen komen.

fragmenten uit: Buitengebied – Wieteke van Zeil over de koelkasten op een schilderij van John Salt (1937, Brits), VK Sir Edmund, 27 mei 2017

John_Salt_6

John_Salt_4

Onrecht: slaap

hond die zoekt

De hond van de waakzame nachtwaker

Slaap

De hond die het been afkloof / Is verdwenen. / De hond die als een klomp vlees / In de dikke grijze modder van de weg lag / Is verdwenen. / De hond onder de toonbank van de melkwinkel / Die tegen de getraliede deur blafte / Is verdwenen. / De hond van de waakzame nachtwaker / Die het spoor van een schaduw met vreesachtige ogen volgde / Is ook verdwenen. / Hier zijn alleen een paar mannen / Die naakt op een krakende krib liggen / Die hoesten als een verstopte goot / En die soms / Twisten met hun dromen.

M.K. Hameed, Pakistaans

Uit: Moderne poëzie uit Azië, Van Gennep Amsterdam, 1977, vertaling Bertus Dijk

Rebel Michail Lermontov onderzoekt het fatalisme

Michail Lermontov (1814 – 1841) was een bleekneusje. Als kind vaak ziek. Omdat zijn moeder op drie-jarige leeftijd stierf, werd hij grootgebracht door zijn oma. Hij verbleef tijdens zijn jeugd vaak in kuuroorden en pas na zijn gang naar Moskou, om er te studeren,  begon hij met schrijven en dichten. Lermontov had een afkeer van de manier waarop de tsaren het volk onderdrukten. Conflicten met het hof en de autoriteiten bleven niet uit.

Na zijn studietijd schreef hij zich in bij het leger om daarmee in de voetsporen van zijn vader te treden, die legerkapitein was. Zijn ervaringen in het leger diende als stof voor verhalen, zoals De Fatalist. In dit verhaal onderzoekt Lermontov het fatalisme en gebruikt daarbij de Russische roulette.

fatalistDe ik-figuur is een legerofficier, die een hekel heeft aan het lege vermaak waarmee de officieren hun tijd doden. Tot op een avond er een discussie ontstaat over bijgeloof en het lot van de mens.

… als er werkelijk voorbeschikking bestaat, waarom hebben we dan een vrije wil en verstand gekregen?, vraagt één van de officieren zich af.

Een Servische officier genaamd Woelitsj wil een weddenschap aangaan. Hij wil bewijzen dat de mens zelfstandig over zijn leven kan beschikken dan wel aantonen dat de noodlottige minuut voor ieder van ons van tevoren vaststaat. Hij gebruikt daarvoor een geladen pistool en zet die op zijn voorhoofd. Woelitsj vraagt of iemand een kaart uit het kaartspel wil pakken en wil opgooien. Die kaart is hartenaas. Toen de kaart op tafel viel, haalde de Serviër de trekker over.

Het schot ketste! ‘Goddank!’ riep bijna iedereen, ‘het is niet geladen…’ ‘We zullen zien,’ zei Woelitsj; hij mikte op de pet die boven het raam hing en haalde opnieuw de trekker over; er klonk een schot en kruitdamp vulde de kamer; toen de damp was opgetrokken, haalden ze de pet van de muur; precies in het midden zat een gat en de kogel was diep in de muur gedrongen.

Een minuut of drie kon niemand een woord uitbrengen. Woelitsj streek doodkalm zijn goudstukken op.

(..)

‘U bent gelukkig in het spel!’ zei ik tegen Woelitsj. ‘Voor de eerste keer in mijn leven,’ antwoordde hij met een voldaan glimlachje. (..) ‘En? Gelooft u nu een beetje aan voorbeschikking?’

‘Dat wel, maar ik begrijp alleen niet waarom ik dacht dat u onherroepelijk zou sterven…’

Voor de ik-figuur is deze gebeurtenis van blijvende invloed.

Als kind was ik een dromer. Ik hield van het afwisselend spel van sombere, gelukkige taferelen die in mijn rusteloze, onverzadigbare verbeelding opkwamen. Maar wat was daarvan overgebleven? – alleen een gevoel van vermoeienis  als na een nachtelijke veldslag met een spookverschijning, alleen een troebele herinnering vol zelfbeklag.

(..) ik had als stelregel, niets absoluut te verwerpen en nergens blind in te geloven.

Zijn uiteindelijke conclusie na het gebeurde:

Ik geef er de voorkeur aan om overal aan te twijfelen; die neiging behoeft een mens overigens niet minder resoluut te maken; integendeel, – wat mijzelf betreft, ik ga altijd ergens met meer moed op af, als ik niet weet wat me te wachten staat. Iets ergers dan de dood kan er echt niet gebeuren – en de dood is onvermijdelijk.

1840

Uit: De Fatalist – Michail Lermontov, vertaling J. van der Eng

Frans Budé: vlammend marmer

Versie 2

Frans Budé, foto: Marc Brester

Vlammend marmer

In galop de vlakte door. Vuur:

strobrand trekt de nacht / omhoog. Melkwitte vulva

Veldman, het brandt in uw slaap / Rook waait in, waait uit

Bloedeigen damp, sintels

Wie bewaakt uw stallen, / hakt het overjarig stro?

Hartezeer of zadelpijn / De teugels blijven achter

Geen beugel verwacht een voet / die in marmer reizen moet.

Uit: Vlammend marmer – Frans Budé, Meulenhoff Amsterdam, 1984

Lydia Dalmijn: neusvoetend

Lydia Dalmijn loopt niet met haar leed te koop. Dat is het heel eigene, het verborgene in deze gedichten, die regel op regel verrukken door de oorspronkelijke beelden. Er is iets kinderlijks in deze gedichten, die in wezen allerminst kinderlijk zijn, maar uitingen van een ‘door poëzie bezeten’ vrouwenhart. Uit alle gedichten stijgt verwondering op over het leven, een verwondering, vervuld met blijde schrik.

Koos van Doorne

Neusvoetend

neusvoetend zoek ik / de stem uit zijn ruige pij / ’t zelfstandige stuur van zijn benen / de bezwerende paardetong / zijn appeletende handen / de wees van zijn verdriet – / hij snijdt het brood in mijn keel / hij heft mijn geur uit tot de vleugels / hij maakt mij intens verlegen / om de lichte wolk van mijn schoot / hij denkt duidelijk hevig: jij weet ’t / ik zeg: vertel / tussen ons groeit de engel van vroeger / we durven wel

Uit: Nederlandse dichteressen – Nel Noordzij, Bezige Bij Amsterdam, 1957

Lydia-DalmijnLydia Dalmijn (1928). Over Lydia Dalmijn kon ik niet veel vinden. Wel dat ze in Nijmegen geboren werd en 8 dichtbundels uitbracht waarvan de laatste Tekens van de wind in 2015 verscheen. De jaren 80, vorige eeuw, waren, gezien de frequentie waarmee dichtbundels verschenen, haar productiefste.

Bassani beschrijft herinneringen aan Garibaldi

Garibaldi

Maar vaker nog begon hij over Giuseppe Garibaldi, de zon, het idool van zijn jonge jaren zoals hij zonder meer toegaf. Vooral over zijn stem kon hij eindeloos uitweiden, een stem zo krachtig en melodieus als van de beste tenor, adembenemend gewoon. Hij, Salomone Corcos, had hem zelf gehoord, op een avond in juni 1863, toen de generaal onder een met sterren bezaaide hemel de enthousiaste menigte had toegesproken vanaf het balkon van het Palazzo Costabili, waar hij een hele week te gast was geweest.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Hij was er heen gegaan met Elia, placht hij te vertellen, omdat zijn jongste zoon nog te klein was om zich iets te herinneren van een gedenkwaardige avond, enkele jaren daarvoor, toen het oproerige volk de hekken van van het getto had neergehaald, en hij had hem op de arm gehouden zolang de toespraak duurde opdat het beeld van de blonde man met het rode hemd, van Garibaldi, de grondlegger van Italië, voor altijd in zijn geheugen gegrift zou blijven. Hij had destijds een groot gezin te onderhouden gehad, een stuk of twaalf kinderen. Niettemin wist hij dat de generaal maar één woord had hoeven zeggen (hij stotterde altijd een beetje als hij die dingen vertelde, maar dit was een moment waarop hij nauwelijks meer kon spreken) of hij was hem gevolgd, naar het eind van de wereld als het moest. Naar het eind van de wereld, jawel! herhaalde hij, met schitterende ogen. Iedereen die Giuseppe Garibaldi tot het volk had horen spreken had hetzelfde gedaan.

Uit: De wandeling voor het eten – Giorgio Bassani, Het verhaal van Ferrara, Meulenhoff Amsterdam, 1999, vertaling Tineke van Dijk, Joke Traats