Paul Gellings: Málaga

Malaga

Málaga

Wat hij wel beleefde / de avond van vertrek.

Hoe vluchtig alles is, een vliegtuig / boven zee en in het volgend zit hij zelf. / Schittering dooft altijd in de haven / van een droom.

Tenslotte kijken van de heuvels huizen eenzaam / naar de stad, vol ruimte en ommuring, / zo heeft hij haar gekend.

Paul Gellings (1953)

Uit: Het oog van de egel, Arbeiderspers Amsterdam, 1990

Advertenties

Koos van Zomeren redeneert op zijn vogels

Koos van Zomeren (1946) was ooit links-radicaal en woont tegenwoordig in de Republiek der Letteren. Dat is een betere en veiliger plek. Van Zomeren is een veelschrijver; bij voorkeur over de Natuur en nog preciezer over Vogels. In navolgend stukje gaat het over de Waddenzee, de vogels en over het waarom we zuinig moeten zijn op dit gebied.

steltloper

Illustratie steltloper: Erik van Ommen

We hebben het nu alleen nog maar over de Waddenzee als pleisterplaats en ruicentrum gehad. Daarnaast wordt dit gebied door honderdduizenden vogels als broed- of overwinteringsgebied gebruikt. En behalve de steltlopers heb je ook nog de meeuwen, de ganzen, de eenden en de vissen. De Waddenzee is echt uniek. Dat is op zichzelf nog geen reden om het zo te laten. U wilt dus niet alleen feiten, maar ook nog argumenten. Welnu, hier is een theorie, ontwikkeld door een fervent voorvechter van ongerepte wadden:

De straaljageroefeningen tussen Friesland en Vlieland vormen een aanslag op de steltlopers.

Daardoor gaan er in het poolgebied minder broeden.

Daardoor ontstaat een muggenplaag.

Daardoor mislukt de graanoogst in Rusland – en nu finaal.

Daardoor zijn de Russen gedwongen tot uitbreiding van hun leefgebied.

En ziedaar: de volgende oorlog.

Zo bereikt de NAVO precies het tegenovergestelde van wat ze zegt te willen bereiken. Zo is het verband tussen steltlopers en wereldvrede zonneklaar aangetoond. Inderdaad. Er zijn minder vernuftige redeneringen voor natuurbehoud in stelling gebracht.

Uit: Alle vogels – Koos van Zomeren, Arbeiderspers Amsterdam, 2017

Remco Campert: poëzie is een daad

Poëzie is een daad

Poëzie is een daad / van bevestiging. Ik bevestig / dat ik leef, dat ik niet alleen leef.

Poëzie is een toekomst, denken / aan volgende week, aan een ander land, / aan jou als je oud bent.

Poëzie is mijn adem, beweegt / mijn voeten, aarzelend soms, / over de aarde die daarom vraagt.

Voltaire had pokken, maar / genas zichzelf door o.a. te drinken / 120 liter limonade: dat is poëzie.

Of neem de branding. Stukgeslagen / op de rotsen is zij niet werkelijk verslagen, / maar herneemt zich en is daarin poëzie.

Elk woord dat wordt geschreven / is een aanslag op de ouderdom. / Tenslotte wint de dood, jazeker,

maar de dood is slechts de stilte in de zaal / nadat het laatste woord geklonken heeft. / De dood is een ontroering.

Remco Campert (1928)

Uit: Alle bundels gedichten, Bezige Bij Amsterdam, 1976

remco campert22

Elke Erb: Liebesgedicht

Liebesgedicht

Als auf dem Perron seine Stirn und Wangen um die blauen Augen weiss segelten, weisse Wölkchen über blauen Himmel, und das Schwarz der Locken flockte, Wolken schwarz auf eine Himmel blau, stach mich, dass er so verfallend aussah; verwünscht, verwünscht, ich kann ihn pflegen, das Haar ihm schneiden gleich nach meiner Rückkehr, so dass er aussieht wie ein nacktes Kind.

Liefdesgedicht

Toen op het perron zijn voorhoofd en wangen wit om zijn blauwe ogen zeilden, witte wolkjes over een blauwe hemel, en het zwart van zijn krullen dwarrelde, wolken zwart tegen een hemel blauw, stak het mij dat hij er zo vervallend uitzag; vervloekt, vervloekt, ik kan voor hem zorgen, zijn haar knippen meteen na mijn terugkeer, zodat hij eruitziet als een naakt kind.

31. Erlanger Poetenfest 2011 26 August 2011 Übersetzerwerkstatt Ausstellung Falkner Menschik Kunstverein Preisverleihung Balleis Wangemann Rakusa Stolterfoht Atom Glaser Weyh

Elke Erb (1938)

Uit: Der Faden der Geduld, Aufbau Berlin, 1978

Dieren: Kaap Ann

zeemeeuw, metronieuws

bron foto: Metronieuws.nl

Kaap Ann

O kwiek kwiek kwiek hoor de zangmus, / Moerasmus, vismus, vespermus, / Bij dageraad en vallend duister. Volg de dans / Van de goudvink op de middag. Geef een kans / Aan de grasmus, de schuwe. Begroet / Met schril gefluit de roep van de boomkwartel die vlucht / In het laurierbos. Volg de voet / Van de loopvogel, de waterspreeuw. Volg de vlucht / Van de dansende pijl, de purperzwaluw. Groet / Stilzwijgend de nachtzwaluw. Allemaal zijn ze verrukkelijk. Zoet zoet zoet. / Maar geef dit land ten slotte terug, geef het terug / Aan zijn rechtmatige eigenaar, de oude taaie, de zeemeeuw.

Het bekvechten is voorbij.

Thomas Stearns Eliot (1888 – 1965), Brits

Uit: Nieuw Wereldtijdschrift 1995, nummer 4, vertaling Paul Claes

Shelley: klacht

percy-bysse-shelley

Klacht

Sneller dan des zomers vlucht, / sneller dan der jeugd genucht, / sneller dan een weeldezucht / kwaamt ge en gingt ge heen. / Als de aarde zonder bloemenpracht, / als de slapeloze nacht, / als ’t harte dat de vreugd veracht / ben ik gans alleen.

De zwaluw Zomer komt wel weer, / het uiltje Nacht naakt reeds van veer, / de wilde zwaan Jeugd wenst veeleer / met u, valse, mee te tijgen. / Mijn hart wenst ied’re dag het morgen, / zelfs de slaap verzwaart mijn zorgen, / gaarne wou mijn winter borgen / ’t Zonnig blad der zomertwijgen.

Lelies voor het bruidsaltaar, / Rozen voor der echtvrouw haar, / violen voor de dodenbaar, / geeft pensees als bloemen mij. / Strooit hen zonder tranen uit / op ’t levend graf dat mij omsluit, / geen vriend, hoe ook mijn ramp hem stuit’, / koest’re hoop of vrees voor mij.

Percy Bysshe Shelley (1792 – 1822)

Vertaling: Edward B. Koster

Uit: Aan een droom vol weelde ontstegen – Gerrit Komrij, Meulenhoff Amsterdam, 1982

Erasmus wist zichzelf onder de aandacht te brengen

Erasmus (1466 – 1536), geboren in Rotterdam, opgegroeid in Gouda en Deventer, was een vernieuwend en uitmuntend denker. En een kosmopoliet. De Rotterdammer was te vinden in Engeland, in Oostenrijk, in Italië en in Frankrijk. Zijn filosofie was er één van denken zonder grenzen. Dat hij daar veel succes mee kreeg, lag niet alleen aan zijn vernieuwende ideeën en de boekdrukkunst in opkomst, die een brede verspreiding van zijn ideeën mogelijk maakte. Erasmus wist als geen ander zijn gedachten aan de man te brengen.

Erasmus schreef bestsellers. Hij had een uitgebreid netwerk aan correspondenten en hij liet op veel, en belangrijke, plekken zijn gezicht zien. Achter de nederige monnik, die hij leek te zijn, school een man die heel goed wist wat hij wilde; niet schroomde anderen zijn mening op te dringen en ijdel was. Erasmus wist dat zijn ideeën meer kans hadden voort te leven als hij ze krachtig onder de aandacht bracht en hield. Daarvoor moest hij zelf zichtbaar zijn.

Quentin_Massys-_Erasmus

Erasmus geschilderd door Quinten Massys

Om die reden werd Erasmus de meest afgebeelde 16-de eeuwer die niet van koninklijke of grafelijke bloede was. Erasmus had fans over heel Europa en die wilden weten hoe hij eruit zag. Zijn persoonlijke propaganda bestond uit het laten schilderen van zichzelf. In 1517 liet hij zich portretteren door Quinten Massys, op dat moment één van de beste schilders van die tijd. Daarna volgde een portretpenning, ontworpen door die zelfde Massys. Die kon de Rotterdammer sturen naar zijn fans.

Holbein-erasmus

Portret van Erasmus geschilderd door Hans Holbein de Jongere

De samenwerking op het gebied van de persoonlijke propaganda was het meest succesvol met Hans Holbein de Jongere. In 1523 maakte Holbein drie portretten van Erasmus, die tot op de dag van vandaag bepalend zijn voor onze indruk van de denker. Holbein was bekend vanwege het feit dat hij de geportretteerden altijd iets mooier maakte dan ze waren, zonder te overdrijven.

Erasmus gaf de meeste aan zijn portretten weg. Vervolgens werden ze gekopieerd door tal van andere schilders en graveurs. Dat was zijn manier om alomtegenwoordig te zijn. We weten tot op heden dat die missie perfect gelukt is.

(naar: Hans Holbein de Jongere: Portret van Desiderius Erasmus ca. 1523, Uit: Verleden in verf  – Hans den Hartog Jager en Pieter Steinz, Atheneum, Polak & Van Gennep Amsterdam, 2011)

Albert Verwey: Cadiz

cadiz

Cadiz

Staat haar krijtwitte en sierlijke façade / Niet gastvrij op het water? zijn de kleuren / Die ’t wit en ‘ t groen van haar balkons verfleuren, / Is ’t pronktapijt dat afhangt van de estrade / Die om den raadhuistoren loopt – in fade / Goude-appelrand borduursel op azuren / Ruit, geel en bruin, Leeuw en Kasteel, de keur en / Roem van Spaanse standaarden, – een parade / Van stad in zon voor één, een féést-dag, gauw te / Gaan met dien dag? – Wie aan kwam zeilen over \ De blauwe zee en aanstonds  zal verlaten / Dit Cadiz, weet het niet, maar zal de flauwte / Van verre erinring vroolken met getover / Van zulk gevlag en vaandling op de straten.

Albert Verwey (1865 – 1937)

Uit: Oorspronkelijk dichtwerk, Querido Amsterdam, 1938

J.Eijkelboom: o

j. eijkelboom foto

J. Eijkelboom, foto: Serge Ligtenberg

O

O, dat ik ooit nog eens / een vers met o beginnen mocht, / dat het dan ongezocht een ode / werd waarin zeg maar een dode / dichteres tot leven kwam / of wel een warm lief lijf / tot marmer werd waardoor / voor wie daarvoor gevoelig is / een adem ging als was het / leven nu voorgoed betrapt.

Maar nee, wat bij mij ingaat moet bezinken, / verdicht zich tot een sprakeloos substraat / dat roerig wordt en uit wil breken / en soms vermomd de mond verlaat.

O, klonk het nog eens ongehinderd.

J. Eijkelboom (1926 – 2008)

Uit: De gouden man, Arbeiderspers Amsterdam, 1982

BewarenBewaren