Lenze L. Bouwers: de laatste tekens

Frits-Van-Ooststroom

Illustratie: Jan Verheul, tekens op de gevel van een boerderij

De laatste tekens

de laatste tekens zijn van zwaar gewicht: / u stond vannacht voor opname gereed, / parmantig schuchter in het felste licht, / op z’n zondags in diepzeeblauw gekleed, / de bovenste knoop als vanouds strakdicht, / vertrouwder dan ’t reclamepopgezicht / van zwartwitfoto’s toen u minder leed; / de laatste tekens zijn van zwaar gewicht: / goed, ik kom, antwoord op uw spoedbericht / en kus de wangen, de lippen, warm en schich- / tig, hoor hoe een manchestersterk profeet, / mijn vader, kalm de dood de das om deed: / de laatste tekens zijn van zwaar gewicht

Lenze L. Bouwers (1940)

Uit: de schaduw van de buizerd, Querido Amsterdam, 1988

Advertenties

Hans Berghuis: het masker

Het masker

Rood. Schilder gezichten van de goden rood. / Brand glas in lood van alle vrouwen. Rood. / Loopt je moeder mank, slacht een ooi. Rood / is de kleur die wonderen doet. Barensnood. / Gaat je zuster zwanger, offer een lam. Rood / stroomt bloed, vacht blijft zwart. Een zoon / zal zij baren, prinsenkind. Jij blijft gnoom / en priester van de stam. Wordt je vader doof- / stom, lub de prijsstier van je kudde. Rood / overleeft het zaad in kalfjes, bont en rood. / Maar sterft je stamboom, heilig zij de dood, / maak dan het dodenmakser van je vader. Rood.

rood dodenmasker

Hans Berghuis (1924-1994)

Uit: Etruskische gezangen, Querido Amsterdam, 1989

Gerrit Bakker: de denneappel

Dennenappels

Bron foto: vrijetijdbarneveld.nl

De denneappel

Van alle eigenschappen die de vruchten / tot vruchten maken, / heeft de denneappel er niet één.

Meer lijkt hij op een houten bloem / want wanneer je één voor één / hem van zijn schubben hebt ontdaan, / houd je bijna nog minder over dan niets.

Ook hoog in de boom, in zijn volle glorie / blijft hij een probleem; / pas na de allergrootste aandacht / tekent hij zich tegen zijn achtergronden af:

het suizen van de wind in de naalden / dat doet denken aan het ruisen van de zee.

Gerrit Bakker (1939)

Uit: Ommekeer, Querido Amsterdam, 1975

Gerrit Achterberg: mania religiosa

mania religisosaMania religiosa

De dorpsveldwachters hebben hem besprongen. / Hij gooide melkbussen over het huis, / van veertig liter elk. Het was niet pluis / in deze bovenkamer. Cellen drongen

te veel open. Hij voelde zich gedwongen / de orde te herstellen door de sluis / der kracht open te zetten. Vol gebruis / stroomde de melk omlaag in lange tongen.

Hij had verkering, maar het ging niet door; / zodat zijn leven tot een bus bevroor. / En bijbelteksten lagen op de loer;

de tien talenten en de goede werken. / God heeft ze hedenmiddag kunnen merken. / Daarvoor waren ze dan ook van een boer.

Gerrit Achterberg (1905 – 1962)

Uit: Verzamelde gedichten, Querido Amsterdam, 1988

Joop Moesman was luis in de surrealistische pels

Joop Moesman (1909 – 1988) was spoorwegbeambte, surrealistisch schilder, polemist, letterontwerper en amateur-fotograaf.

De autodidact Moesman vond in het winkeltje van de surrealist Willem Wagenaar een Frans tijdschrift waar hij afbeeldingen in zag van surrealistische schilders. Hij raakte geïnteresseerd en begon in een vergelijkbare stijl te werken. Hij werd de belangrijkste surrealistische schilder in Nederland. Wellicht zijn bekendste werk is het schilderij Het gerucht.

joop moesman 5Het oeuvre van Moesman kreeg in de jaren 1960 enige internationale erkenning door de inzet van Her de Vries, die reproducties liet zien aan de voorman van de surrealisten in Parijs, André Breton. Breton besloot het werk van Moesman daarop op de Internationale surrealistische tentoonstelling in Milaan te tonen. Met Dirkje Kuik en Henc van Maarseveen was hij oprichter van het Utrechtse kunstgenootschap De Luis.

joop moesman 6Moesman stamde uit een drukkersgeslacht. Zijn vader, J. A. Moesman, was onder meer lithograaf en fotograaf. Moesman heeft het lettertype de Petronius ontworpen.

Tomas Lieske: neem de segrijnslak

Neem de segrijnslak

Neem de segrijnslak.

Is hij dan eetbaar, zoals zijn voldane familie? / Wordt ook hij gedood door het zout, voor de boter met kruiden?

Slakken zijn reizigers, hun zak met organen / op de rug gebonden. Zo rijk gevuld dat mantel en zak / precies in het huis passen. Tussen de wanden / kalken pijlen en kristallen stelen om het eten te roeren. / Zij zijn op pad, zij bestaan slechts uit huis, / ogen en voet. Pelgrims met een vergeten doel.

Wat moet ik je vertellen om je op te vrolijken? / Zij, de wandelaars weten wat winst en verlies is. / Hun huizen zijn verkocht als sieraad om de hals / van smalle, slagvaardige vrouwen. Betaalmiddel / zijn ze geworden en symbool voor de dood / en het overleven. Zelf gegeten en in hun huis / is olie opgeslagen. Ze dienden / in vreemde muziekkorpsen. Hun geheimste / missie is het leveren van purper aan / de Romeinse keizers. Hun kleinsten / tonen een grote doorzichtigheid: / parelmoeren miniatuurpaleizen / trillen bij de eerste wandelpas. Lijfje / van gelatine, huis van glas. / Met slijm lijmen ze onderweg hun liefdes / en ze schieten hun pijlen gevoelig / in een ander. Jij zwicht, jij / bent mijn segrijnslak. Ik proef je en richt / mijn pijl in je zoetste delen. Geen zout, / geen puntje. Met het voorste lik ik je.

tomas lieske

Tomas Lieske (1943)

Uit: Grondheer, Querido Amsterdam, 1993

Cees Nooteboom: ander Ibizener gedicht

ibiza

…alleen vallen af en toe zilveren splinters omlaag… Bron foto: marislife.nl

Ander Ibizener gedicht

het regent treurig vannacht, / het water sluipt over de heuvel, / naar de duistere graven van de goden / gaat het water

zij keren zich machteloos om in hun slaap / gekweld door onduldbare heimwee / naar vroegere verering, / naar de voedzame gebeden van mensen, / nachtenlang, nachtenlang

maar de wind rijdt voorbij op schichtige paarden / de maan kiest een angstige weg in de wolken / alleen af en toe vallen zilveren splinters omlaag

de goden liggen en luisteren wachtend, / niemand zet een schotel offers neer.

Cees Nooteboom (1933)

Uit: Koude gedichten, Querido Amsterdam, 1959

Walter Scott: het viooltje

Het viooltje

Waar ’t beekje vliet met murmelend geklater, / en hazelaar en berk zich vormt tot bos, / noem’ zich ’t viooltje, aan d’effen zoom van ’t water, / der bloemen pronk door oogbekoorbre dos.

Ofschoon de dauw zijn knopjes hoger blauwen / en door zijn wicht ter aarde neigen doet; / mocht ik een oog van reiner blauw aanschouwen, / dat traan bij traan verhulde in zachter gloed.

De zomerzon zal ras die dauw doen drogen, / eer ’t heden weer in morgen is verkeerd; / niet langer blinkt de traan der smart in de ogen / van haar, die thans een ander liefde zweert!

Sir_Walter_Scott.jpg

Sir Walter Scott (1771 – 1832)

Vertaling: S.J. van den Bergh

Uit: Aan een droom vol weelde ontstegen – Gerrit Komrij, Meulenhoff Amsterdam, 1982

Jürgen Becker: keine Laune für Mitteilungen

Keine Laune für Mitteilungen

Was wollen Sie wissen? Im Augenblick interessiert mich / der Rauhreif, das kahle Geäst; hier könnte ich, / ganz ohne Stottern, einmal von Strukturen / sprechen – / nein, abends der Kopf ist zu voll / zum Denken; die Dunkelheit zieht mich an, / schwarzes Gewässer; und ich horche nach draussen, / das Fauchen der Küsten – / buchstabieren Sie nicht. / Nie half ein Begriff. Erzählen Sie etwas von / Leiterwagen, Bohnenstangen und Lauch, / für Ihre soziologischen Kinder – / nachts, wenn / Tiere mich bissen, wild auch mein Körper, / und die Nerven schlugen zurück. Wollten Sie / weiter fragen – / ich sagte, im Augenblick, und was / mich beschäftigt, etwas Natur, mit den Gewichten / der Müdigkeit. Verstehen Sie, ich will atmen –

Geen zin in mededelingen

Wat wilde u weten? Op het ogenblik interesseert me / de rijp, de kale takken; hier zou ik, / helemaal zonder te stotteren, eens over structuren / kunnen spreken – / nee, ’s avonds is mijn hoofd te vol / om te denken; de duisternis trekt me aan, / zwart water; en ik luister naar buiten, / het blazen van de kusten – / spelt u maar niet. / Nooit hielp een begrip. Vertelt u maar iets over / ladderwagens, bonenstaken en prei, / voor uw sociologische kinderen – / ’s nachts , toen / dieren mij beten, wild ook mijn lichaam, / en de zenuwen sloegen terug. Wilde u / nog iets vragen – / ik zei, op het ogenblik, en wat / mij bezighoudt, een beetje natuur, met de gewichten / van de moeheid. Begrijpt u, ik wil ademen –

Becker_Juergen

Jürgen Becker (1932)

Uit: Gedichte 1965 – 1980, Suhrkamp Frankfurt am Main, 1980