Wonderkind Luis Garcia Mozos kiest voor het stripverhaal

EPSON scanner ImageLuis Garcia Mozos (1946) wordt geboren in een Spaans provinciestadje. Zijn vader, die bij het spoor werkte, zag zijn zoon’s tekentalent. Om dat te ontwikkelen moest de familie naar de grote stad: in dt geval Barcelona. Met veel moeite kreeg pa Garcia Mozos het voor elkaar dat zoonlief naar de middelbare school ging. Luis tekende liever. Hij zocht contact met uitgeverij Bruguera en mocht aan de slag. Op 12-jarige leeftijd tekende Luis al illustraties voor Curiosities, een uitgave van Bruguera. In de loop der jaren namen de bijdragen toe. Hij werkte in opdracht en paste zijn stijl gemakkelijk aan. Van western tot horror: het wonderkind Garcia Mozos kon, gewapend met pen en potlood, alles aan.

EPSON scanner Image

In de jaren 70 van de vorige eeuw koos Luis voor zijn eigen stijl. Daarmee gepaard ging zijn zoektocht naar nieuwe ideeën en nieuwe samenwerkingsverbanden. Hij keerde zijn Amerikaanse stripvoorbeelden de rug toe en koos voor illustrators uit eigen land en het naburige Frankrijk. Bijdragen van Luis verschenen in bladen als: Pilote, Linus, Scopp en Troya. Hij werkte onder andere samen met Giménez, Usero en Hernández Cava.

EPSON scanner ImageTegenwoordig schildert Luis onder andere portretten en geeft daarover uitleg aan belangstellenden.

luis garcia mozos 1

Advertenties

Heine: steeds naderbij

Steeds naderbij

De slanke waterlelie / kijkt dromend naar omhoog; / daar groet de maan met teder / om liefde smekend oog;

van schaamte zinkt haar kopje / terug naar ’t spiegelend meer; / daar ziet zij aan haar voeten / die bleke minnaar weer.

heine hHeinrich Heine (1797 – 1856), Duits

Vertaling: W. L Penning

Uit: Aan een droom vol weelde ontstegen – Gerrit Komrij, Meulenhoff Amsterdam, 1982

Italo Svevo legt het verschil uit tussen oude en jonge verliefde mannen

joyce en svevo

Vrienden en zielsverwanten James Joyce (links) en Italo Svevo

Wanneer een echte jongeman verliefd wordt, brengt de liefde in zijn hersens dikwijls reacties teweeg die al gauw niets meer met zijn begeerte te maken hebben. Hoeveel jongelui die gelukzalig tot rust zouden kunnen komen in een gastvrij bed bederven de zaak tenminste niet voor zichzelf omdat ze denken dat je, om met een vrouw naar bed te gaan, eerst moet veroveren, scheppen of vernietigen. Oude mannen echter, van wie wordt gezegd dat ze beter tegen hartstochten bestand zijn, geven zich er welbewust aan over en stappen alleen met het verschuldigde respect voor verkoudheid in het schuldige bed.

Eenvoudig is de liefde voor oude mannen evenmin. Bij hen wordt ze gecompliceerd door hun motieven. Ze weten dat ze zich moeten verontschuldigen. Onze oude man zei bij zichzelf: Dit is nu mijn eerste avontuur na de dood van mijn vrouw. In de taal van oude mannen is een avontuur echt als ook het hart een rol speelt. Men kan zeggen dat een oude man zelden jong genoeg is om een onecht avontuur te kunnen hebben, aangezien het een uitbreiding is die een zwakheid moet makseren. Zo halen zwakke personen, als ze iemand een klap geven, niet alleen uit met de hand, de arm en de schouder, maar ook met de borst en de andere schouder. Door de grote uitbreiding van de krachtsinspanning wordt de klap zwak, terwijl het avontuur aan duidelijkheid inboet en gevaarlijker wordt.

Daarop dacht de oude man dat de kinderlijke blik van het jonge meisje hem had veroverd. Als ze verliefd worden, doorlopen de oude mannen altijd het stadium van het vaderschap en elke omhelzing van hen is een bloedschande waarvan de liefkozing de wrange smaak heeft.

En de derde belangrijke gedachte van de oude man, zich verrukkelijk schuldig en verrukkelijk jong voelend, was: Mijn jeugd keert terug. Het egoïsme van de oude man is zo groot dat zijn gedachten zelfs geen moment bij het voorwerp van zijn liefde blijven zonder meteen aan zichzelf te denken. Wanneer hij een vrouw begeert, herinnert hij zich koning David, die van de jonge meisjes de jeugd verwachtte.

Italo Svevo (1861 – 1928), Italiaans

Uit: De goede oude man en het mooie jonge meisje – Italo Svevo, Goossens Tricht, 1989

Paul Celan: Sprachgitter

Sprachgitter

Augenrund zwischen den Stäben.

Flimmertier Lid / rudert nach oben, / gibt einen Blick frei.

Iris, Schwimmerin, traumlos und trüb: / der Himmel, herzgrau, muss nah sein.

Schräg, in der eisernen Tülle, / der blakende Span. / Am Lichtsinn /errätst du die Seele.

(War ich wie du. Wärst du wie ich. / Standen wir nicht / unter einem Passat? / Wir sind Fremde.)

Die Fliesen. Darauf, / dicht beiander, die beiden / herzgrauen Lachen: / zwei / Mundvoll Schweigen.

Spreektralies

Ogenbol tussen de spijlen.

Trillend ooglid / roeit naar boven, / geeft een blik vrij.

Iris, zwemster, droomloos en troebel: / de hemel, hartgrauw, moet nabij zijn.

Schuin, in de ijzeren kandelaar, / de walmende gloeispaan. / Aan het lichtgevoel / herken je de ziel.

(Was ik maar zoals jij. Was jij maar zoals ik. / Stonden we niet / onder één passaat? / We zijn vreemden.)

De plavuizen. Daarop, dicht bij elkaar, de beide / hartgrauwe poelen: / twee / monden vol zwijgen.

Paul Celan (1920 – 1970)Paul-Celan

Uit: Sprachgitter, S.Fischer Frankfurt am Main, 1959

Ayesta en Bression: de mens verdwijnt, de natuur verschijnt

ayesta-bression 5

In 2011 vond de kernramp plaats in het Japanse Fukushima. Massaal trokken de mensen weg uit dit door radioactiviteit getroffen gebied. Tot op de dag van vandaag is het een no go area. De Franse fotograaf Guillaume Bression en de Venuzuelaan Carlos Ayesta gaan ieder jaar terug naar dit rampgebied. Ze leggen vast wat er veranderde.

Wat direct opvalt is dat de natuur terug is in dit zich herstellende landschap. Planten overwoekeren de verlaten gebouwen, wegen en andere door de mens gemaakte constructies. Waar de mens verdwijnt, verschijnt de natuur.

ayesta-bression 1Nature...Nature...ayesta-bression 4

 

(On)Zin: september 1903

September 1903

Laat ik mezelf tenminste nu bedriegen met illusies, / opdat ik niet de leegte van mijn leven merk.

Zovele keren ben ik zo nabij geweest. / En hoe verlamd, schuchter, was ik, / waarom hield ik mijn lippen op elkaar / terwijl mijn lege leven in mij weende / en mijn begeerte zwarte kleren droeg.

Zovele keren zo dicht bij te zijn geweest, / bij de ogen, bij de zinnelijke lippen, / bij het gedroomde, geliefde lichaam. / Zovele keren zo dicht bij te zijn geweest.

kavafisKonstantinos Petrou Kaváfis, (1863 – 1933) Grieks

Uit: Gedichten, Bert Bakker Amsterdam, 1991, vertaling Hans Warren en Mario Molegraaf

Generatie: oma’s

Oma’s

Kinderen, mijn oma komt / en ze blijft wel zeven dagen / en dan is ’t altijd feest / en ik kan haar alles vragen, / alles wat ik lekker vind / – Ze verwent je, lieve kind!

En mijn oma heeft ’n hoed / en daar kom ik mee beneden / en mijn oma lacht erom / want ze houdt wel van verkleden / ze vindt mij zo’n leuke vent / – Omdat oma jou verwent!

Oma neemt van alles mee / wat ik heel goed kan gebruiken, / ze heeft snoepjes in haar tas / die naar odeklonje ruiken, / ze heeft lollies en kaneel / – Ze verwent je veel te veel!

Spook en reus en toverheks / daar kan oma van vertellen / en ze geeft me veel patat / en ze geeft me frikandellen / met een lekkere vette smaak / -Ze verwent je veel te vaak!

Nooit praat oma erdoorheen / als ik ook ’n keer wil praten. / Na ’t eten moet ze vaak / hele kleine windjes laten / riketikke tikke tik / – Ze bederft je, dat vind ik!

willem wilminkWillem Wilmink (1936 – 2003)

Uit: Verzamelde liedjes en gedichten, 1986

Koos van Zomeren windt zich op over de maakbare natuur

oostvaardersplassen

“Natuur die zal worden gekoesterd, maar zo nodig ook weer kan worden opgeruimd”. (bron foto: natuurinnederland.nl)

Natuur met een breed maatschappelijk draagvlak. Of in ieder geval natuur waaraan het gemeentebestuur zich heeft gecommitteerd. Natuur die plechtig in bedrijf wordt gesteld. Natuur die feestelijk wordt geopend. Natuur die zich leent voor het doorknippen van linten, de burgemeester, de minister of zelfs de Koningin voorop. Een sleep-in voor de natuur.

Natuur die organisatorisch en begrotingstechnisch is ondergebracht bij de Dienst Gemeentewerken. Natuur die uit dien hoofde zal worden gekoesterd, maar zo nodig ook weer kan worden opgeruimd. Een schepping immers van de overheid, haar wettig eigendom.

Zo verandert de natuur, voor mijn gevoel: van de ene dag op de andere, in het tegendeel van wat zij altijd is geweest – een staaltje van menselijk kunnen in plaats van een herinnering aan menselijk onvermogen.

Want laten we wel wezen, natuur was altijd precies dat wat we nog niet onder de knie hadden, een blamage.

(..)

Al met al: natuur was altijd precies daar waar mensen niet sterk of slim of resoluut genoeg waren geweest. En nu? Grappig: we hadden een maakbare samenleving in een niet-maakbare natuur en nu is het net andersom, een maakbare natuur in een niet-maakbare samenleving.

De natuur is een prestatie geworden. Zij wordt ons aangeboden door Natuurmonumenten, de provinciale landschappen, het Wereldnatuurfonds of Staatsbosbeheer, en als er méér van wilt: sluit je aan, word lid, stort een bijdrage (en bid voor Staatsbosbeheer).

(..)

Weet je wat me altijd aantrok in de natuur? De autonomie ervan! Dat daar dingen gebeurden omdat ze nou eenmaal gebeurden en verder nergens om, dus helemaal los van de vraag of ik het ermee eens was of niet, los van mijn opvattingen over goed en kwaad, dingen die gebeurden als ik erbij was, maar die ook zouden zijn gebeurd als ik er niet bij was. De natuur gaf je even vrij-af van jezelf, vrij-af ook van de anderen, het moeizame mens-zijn.

Onopzettelijkheid en belangeloosheid, dat waren voor mij de waarden van de natuur.

Nee, ik kan nooit hebben gedacht dat deze waarden vanuit de natuur onze samenleving zouden veroveren. Maar standhouden toch wel. Ik zag de natuur als een bastion, een wijkplaats voor de waarheid. Nou, dat bastion is gevallen, als een kaartenhuis in elkaar gestort, als een Big Mac door onze samenleving verslonden. De kring gesloten, geen ontsnappen meer mogelijk. Hier gelden voortaan dezelfde waarden die overal al golden. Als je dat tenminste waarden kunt noemen: effectbejag, belangenstrijd.

Uit: Onze maakbare natuur; uit: De bewoonde wereld – Koos van Zomeren, Arbeiderspers Amsterdam, 1998

Middellandse Zee: le mistral

wind wasgoed

(foto gevonden op startpagina)

Le mistral

welke naam de wind ook heeft / hij is mannelijk in alle talen / of liever jongensachtig / overal blaast hij jurken bol / rukt hij aan wasgoed / en slaat verwoed en wispelturig / de bladen om van boeken / en van kranten

waar het niet waait / vallen geen bladeren / en maakt niemand bewegingen / zoals jij nu met je hand / door je haar zo sierlijk / en vergeefs

Miriam van Hee (1952), Belgisch

Uit: Achter de bergen, Bezige Bij Amsterdam, 1996