Rune Guneriussen betovert de natuur

guneriussen 1

De natuur, u kent het wel. Je wandelt er eens door; je laat je hond er in uit; je fiets je longen uit het lijf in bos en/of over hei. Of je waait eens flink uit aan het strand; allemaal natuur. Niets meer aan doen, goed zo. En dan komt de Noorse kunstenaar Rune Guneriussen (1977) en die heeft daar hele andere opvattingen over. Je kunt de natuur verfraaien met installaties. Dat doet hij. Hij grijpt in, maakt er foto’s van en ruimt daarna de installatie netjes op. Keurige jongen. Van al die ingrepen maakt hij foto’s als bewijs. Een keuze daaruit en zijn opvattingen over zijn werk.

guneriussen 3

Rune_G_310811_1_2Hr

As an artist, I believe strongly that art itself should be questioning and bewildering as opposed to patronising and restricting. As opposed to the current fashion I do not want to dictate a way to the understanding of my art, but rather indicate a path to understanding a story.

guneriussen 4

guneriussen 2

 

Byron: ze schrijdt in schoonheid

byronZe schrijdt in schoonheid

Ze schrijdt in schoonheid, zoals ’n nacht / die helder is, vol sterren staat; / licht en donker, klare pracht / komt in haar ogen, haar gelaat: / vertederd tot een licht dat zacht / de mooiste dag achter zich laat.

Meer schaduw, of wat minder licht, / verzwakt de eed’le gratie; / die gaf haar lokken, haar gezicht, / hun naamloze staatsie; / en alle zoets waar zij aan dacht / droeg bij aan haar serene pracht.

En om haar mond, en op haar wangen, / speelt zacht en zonder vragen / een lach, een blos, een stil verlangen / naar vroeg’re, schone dagen; / haar ziel heeft alle rust ontvangen / om zuiver te behagen!

Lord George Gordon Byron (1788 – 1824), Brits

Uit: Aan een droom vol weelde ontstegen – Gerrit Komrij, Meulenhoff Amsterdam, 1982, vertaling Peter van Zonneveld

Gerard Reve verhaalt over een lezing over De Avonden

Uit: Een lezing op het land

‘Dat boek De Avonden,’ vroeg ze streng, ‘daar komt helemaal geen seksualiteit in voor. Kunt u me ook zeggen, waarom dat zo is?’

Ik probeerde na te denken, maar dat leidde tot niets.

‘Een interessante vraag,’ zei ik. ‘Dit is werkelijk een interessante vraag.’ Ik meende de vraagstelster hiermee tot genoegen te hebben geantwoord, maar zij bleek niet deze mening te hebben: tot mijn verbazing stond haar gezicht zelfs boos en keek ze Slok beschuldigend aan. Iedereen zweeg.

‘Zeg maar wat, jongen,’ hoorde ik opeens Phal luid zeggen. Hij zat ergens achter me, maar ik kon niet omkijken, omdat ik dan mijn moeizaam verworven oriëntatie in de ruimte zou hebben moeten prijsgeven. Ik glimlachte, maar kon niets anders bedenken om te zeggen dan een herhaling van mijn erkenning dat de vraag zeer interessant was. Hier en daar werd nu duidelijk gegiecheld.

‘We zijn hier gekomen om vragen te stellen,’ zei de dame geprikkeld. Opnieuw was er een benauwd zwijgen. Ten slotte nam Phal het woord. Ik begon juist iets bij te komen en alles iets duidelijker te zien en te horen.

‘Nou moeten jullie niet liggen te leuteren,’ verklaarde hij. ‘Die jongen die heeft dit boek geschreven. Nou heeft die jongen dat boek geschreven. En nou moeten jullie niet leuteren. Dat boek, dat heeft hij geschreven. Dus hij heeft dat boek geschreven.’

 Uit: Meesters der Nederlandse vertelkunst – Gust Gils en Bert Schierbeek, Meulenhoff Amsterdam, 1967

Gerard_Kornelis_van_het_Reve_(1963)

Gerard Kornelius van het Reve zoals hij zich noemde in 1963, het moment waarop deze foto gemaakt werd.

Gerard Reve (1923 – 2006)

H.C. Artmann: ein Reisbrett aus Winter

Ein Reisbrett aus Winter

ein reisbrett aus winter, / alles pro forma, / der abend reitet darüber.

ich hätte ein klares aug / und der sinn für sterne.

ich bin vierzig jahre.

meine beine sind in einen / einzigen stiefel genäht.

ich bin ein hüpfender / unter guten läufern.

Een tekenbord van winter

een tekenbord van winter, / alles pro forma, / de avond rijdt erover.

ik zou een helder oog / en een gevoel voor sterren hebben.

ik ben veertig.

mijn benen zijn in een / enkele laars genaaid.

ik ben een huppelaar / onder goede lopers.

H.C._ArtmannH.C. Artmann (1921 – 2000), Oostenrijks

Uit: Verbarium, Walter Olten und Freiburg, 1966

(on)zin: Hamlet

Royal-Mail-Stamps-RSC-HamletHamlet

De zaal werd stil. En ik sta op de planken. / Ik draal nog even leunend aan de deur. / En ik vang op in verre echoklanken / wat in mijn leven om mij heen gebeurt.

De nacht, het duister sluipen starend nader / en duizenden binocles draaien aan. / Indien het mogelijk is, abba, vader, / laat deze beker ditmaal langs mij gaan.

Ik hoef mij niet voor deze rol te schamen, / ik heb jouw eigenzinnig oogmerk lief, / maar wat nu gaat, dat is een ander drama / en liever zag ik, dat je mij onthief.

De vijf bedrijven volgen vaste regels / en onafwendbaar eindigt ieder ding. / Ik ben alleen. En alles wordt gehuichel. Het leven is geen wandeling.

Boris Pasternak (1890 – 1960) Russisch

Uit: Kwartet, Arbeiderspers Amsterdam, 1982, vertaling: Charles B. Timmer

Edward Hopper heeft ons echt gezien

Night-Shadows (1921) Hopper

‘Om met Reve in De Avonden te spreken: ‘Het is gezien, het is niet onopgemerkt gebleven.’ In De Avonden stemmen we in met die conclusie terwijl we ons verplaatsen in de ander. Bij het zien van Hoppers oeuvre stemmen we ermee in terwijl we vermoeden dat de kunstenaar zich verplaatste in onszelf. Daarom houden we van Hopper. Iemand heeft ons gezien, écht gezien.

Uit: Hoppers Hollywood

Uit: Alles is gekleurd – Joost Zwagerman, Arbeiderspers Amsterdam, 2011

nighthawks (1942) Hopper

chair car (1965) Hopper

Anne Vegter: de natuur

De natuur

Vocht in de knieën, middagdut, ken je mej.T., / die op haar zeventigste pianoles, heeft ‘K’. / Of ik van oude mensen hou, nou nee. / Is het net winter, alles dor, is het buiten / alweer zover. De natuur, nietwaar? / Ik denk dat ik het maar niet word.

Geslaagd, jong, roos desnoods, / in het rijbewijs blijf ik geldig tot / nieuwjaarsochtend twintignegenentwintig, / in het paspoort vroeg scheel, rond de veertig, dat is: / ruim tien maal vijf maal driehonderdzestig dagen / tenminste bijziend naar toilet, dan bril.

Of, als E., maak de voorspelling waar: / eeuwig dertig met de eigen hand. Ik kan niet kiezen: / graf of vuur. Jong zou kosten moeten drukken; / moeder investeert al veertig jaar zeven gulden / per maand in de dood, mensenleven telt. / Of komt er later en hardhorend voor te staan.

Anne VegterAnne Vegter (1958)

Uit: Het veerde, Querido Amsterdam, 1991

Middellandse Zee: Mistral

mistral

Mistral

Ergens op dat godverlaten plateau / moeten enorme kisten staan vol poolwind / wie knoeide er vandaag weer aan de deksels / wie deed er een gemene loeikier open / misschien het kromste wijfje van daarboven / dat stinkend naar schapenmest en urine / weer wraak neemt op de wereld beneden haar / waar de zon schijnt over de toeristen.

J.W. Oerlemans (1926 – 2011)

Uit: Aflandig, Bert Bakker Amsterdam, 1977

Richard Long bekraste de aarde

Richard Long (Brit, 1945) maakte wandeltochten. Eerst in zijn eigen omgeving, vervolgens tot ver buiten Groot-Brittannië. Zoals de meeste wandelaars stippelde hij een route uit op een kaart, trof de noodzakelijke voorbereidingen en vertrouwde op zijn richtingsgevoel.

richard long 6

De meeste andere wandelaars vertrouwen niet alleen op hun richtingsgevoel, maar volgen met hun blik het pad. De insteek van Long (aldus K. Schippers):

De wandelaar bereikt een breed plateau, het hoogste punt. Er is hier geen pad meer dat door vlinders of bomen wordt benadrukt. Het zachtste licht komt tussen een groep sparren op krachten, hoeft later, ergens anders, pas weer volop mee te doen. De reiziger is een grens overgegaan waarachter zich niets meer hoeft af te spelen.

De bomen die op het eerste gezicht allemaal op de weg lagen, de behulpzame vlinders, het veld zonder gebeurtenissen en wat hij verder nog van het geringste zal oogsten, eens zal het deel uitmaken van een ranke geschiedenis die scherp afsteekt bij de gewone reisverhalen.

Als hij binnenkort over zijn tocht vertelt zal hij zich een meester wanen van het caleidoscopische, van het fragment dat te verlegen is om veroverd te kunnen worden, altijd trekt het zich terug. Hoeveel schutkleur het ook heeft, de reiziger zag het en heeft het dit keer gevangen. Hij vermoedt alleen niet dat hij veel heeft overgeslagen, zo tevreden is hij met zijn buit. En toch hebben de lichtste voorvallen zich vlak in zijn buurt afgespeeld. Sterker nog: hij heeft ze zelf veroorzaakt.

(..)

richard long 1Kaarten, stenen, takken en sprenkelingen (de attributen die Long gebruikte op zijn wandeltochten) van de wandelaar die van het ene naar het andere punt probeert te komen. De aarde bekrast. En met zijn cirkels en rechthoeken van stenen, dat nog net niet verdampte water en die voetstappen op de rivierbedding, pas op, het wordt vloed, heeft Long iets onmogelijks in beslag genomen, richting puur, zonder punt van vertrek en zonder bestemming, zonder de noodzaak nog ergens te hoeven komen.

Uit: Sprenkelingen (over het werk van Richard Long), uit: Sprenkelingen – K. Schippers, Querido Amsterdam, 1998