Johnny Cash in de gevangenis die hem wereldberoemd maakte

johnny-cash-billboard

bron foto: billboard.com

Johnny Cash (1932 – 2003, Amerikaans), the Man in Black, heeft heel wat keren in zijn leven op een kruispunt gestaan. Daarbij moest de muzikant kiezen welke richting het op ging. Dat leidde soms tot prachtige vergezichten en vaak tot doodlopende stegen. Eén van de belangrijkste keuzes was die om in de gevangenis te gaan optreden. Eerst in Folsom, later in San Quentin. Van die optredens kwamen platen die tot verkopen leidden waarvan the Beatles slechts konden dromen.

Het is 1968. Country-zanger Cash scheidde van zijn eerste vrouw Vivian. Om het leed te verzachten nam hij zijn toevlucht tot pillen. Muzikaal gezien was de man van hits als Ring of Fire en Orange Blossom Special even de weg kwijt: country, folk, rock? June Carter bracht hem weer enigszins op het juiste spoor. Voor het optreden in Folsom was Cash een man zonder (muzikaal) thuis. Na Folsom en San Quentin was Cash de rebel, de buitenstaander, de filosoof, de gelovige en de badass, zoals producer Rick Rubin bedacht. Kortom, met die legendarische optredens, die stem gaven aan de gemarginaliseerden, de miserabelen en onfortuinlijken, kreeg Cash respect en waardering van brede kringen luisteraars, zowel oud als jong. Het zou een keerpunt in de loopbaan van Cash worden. Vlak voor zijn dood zou hij dit kunststukje nog eens herhalen met de American Recordings, die the Man in Black voor een tweede keer uit de schaduw haalde.

Generatie(s): tante Marie

Tante Marie

Tante Marie / had een queue de Paris / en ze reed in een rijtuig met paarden. / Tante Marie / zei: ‘Ah, c’est la vie’ / tegen heren met snorren en baarden.

Tante Marie / had zó veel fantasie, / ze borduurde zo fraai en zo netjes. / Ze zat voor het raam / en borduurde de naam / van haar echtgenoot op de servetjes.

Maar zij zag door de hor / een gitzwarte snor / met gitzwarte ogen daarboven. / Tante Marie / zei: ‘Ah, mon ami!’ / en zij liet hem in één der alkoven.

Maar als haar man / weer thuiskwam, ja dan / zat Tante Marie o zo netjes / rechtop voor ’t raam / en borduurde zijn naam / in rood op de linnen servetjes.

Tante Marie / zei: ‘Ah, c’est la vie!’ / en ze heeft hem drie zoons mogen baren. / De jongste der drie / leek op Tante Marie, / behalve zijn gitzwarte haren.

En als ik hem zie / op de fotografie / die mijn brave familie mij stuurde, / dan denk ik: Mais oui! / c’etait la vie / de ma tante Marie / met haar queue de Paris / die zo fantasie-vol borduurde!

anniemgschmidt, famme.nl

bron foto: famme.nl

Annie M.G. Schmidt (1911 – 1995)

Uit: Tot hier toe, Querido Amsterdam, 1986

Odilon Redon’s obsessie: de duistere wereld van het onbestemde

odilon redon 5

odilon redon 4

Odilon Redon (1840 – 1916, Frans) mag je in één adem noemen met James Ensor (1860 – 1946, Belgisch). Dat heeft te maken met het symbolisme, dat beiden in hun kunstwerken lieten zien. Redon en Ensor schetsten hun droomwereld en vermengden bewust in hun werk de zintuigelijke prikkels. Het werk was bedoeld voor ogen, oren en het hart.

odilon redon 3

Redon zocht zijn heil in de ongebreidelde fantasie en in hallucinaties. ‘Alles komt voort’, schrijft hij, ‘uit de onderworpenheid en het onbewuste.’ De Fransman werd geobsedeerd door ‘de duistere wereld van het onbestemde’.

Ensor en Redon vertolkten in verschillende technieken (ets, litho, gravure, tekening, pastel) vreemde visoenen en dromen waarin de mens wordt vervormd. Dat riep uiteenlopende reacties op: de dichter/schrijver J.K. Huysmans bewonderde Redon: ‘hij schijnt te hebben gemediteerd over het troostrijke aforisme van Edgar Allen Poe: alle zekerheid ligt in de dromen.’

Ook dichter en criticus Stéphane Mallarmé kende het werk van de Fransman en was er enthousiast over: ‘U roert in onze stilten het gevederte van de droom en de nacht. Alles boeit mij en in de eerste plaats hetgeen voortkomt uit uw eigen dromen. De fantasie heeft diepten die overeenkomen met bepaalde zwarten, lithograaf en demon, en u weet het, Redon, ik ben jaloers op uw onderschriften.’

Uit: Meesters der prentkunst in de 20-ste eeuw – Adhémar en Cogniat, Gaade Den Haag, 1964

Licht: dit is geen goed weer

Dit is geen goed weer

voor Xiaobo

Dit is geen goed weer / zei ik tegen mezelf / staand onder de uitbundige zon.

Naast je staand / aaide ik je hoofd / je haar prikte in mijn handpalm / en voelde vreemd aan.

Ik had geen kans / je iets te zeggen voor je kwam / een persoon uit het nieuws / iedereen keek tegen je op / en ik voelde me verslagen / aan de rand van de menigte

ik rookte maar / en keek naar de hemel.

Misschien was dit een nieuwe / mythe in de maak / maar de zon gaf zo veel licht / dat ik haar niet kon zien.

liu xiaLiu Xia (1961, Chinees)

Dichter, schilder en fotograaf. Sinds de toekenning van de Nobelprijs aan haar man Liu Xiaobo (rechts op de foto) zit ze in geïsoleerd huisarrest. Dit gedicht schreef ze op 2 juni 1989 tijdens de protesten op het Plein van de Hemelse Vrede, die mede door Liu Xiaobo werden geleid en op 4 juni in bloed werden gesmoord.

Middellandse Zee: verschiet te Rome

rome collosseum, booking.com

Bekendste Romeinse ruïne: het Colosseum; bron foto: booking.com

Verschiet te Rome

Ruïnes? Ik weet ze in mijn leven al. / Een weids terrein vol brokken, zelf gemaakt, / uit eigen grond gestampt. Maar avondgloed / te Rome, zachtvurige zonsravage regenboogbekroond

laat door geen glorieus verwoest bestaan / zich evenaren. Ik aanzie die wondere / ondergang, besef hoe mijne evenmin fataal / en keer op keer als voor het eerst zal zijn.

Anneke Brassinga (1948)

Uit: Verschiet, Bezige Bij Amsterdam, 2001

Jan Wolkers over pesten, mensenhaat en dierenvriendschap

jan wolkers, bezige bij

bron foto: debezigebij.nl

Het zijn de eerste vijf jaren van wat later blijken de roerige jaren ’60. Schrijver Jan Wolkers (1925 – 2007) staat aan het begin van zijn bekendheid als schrijver. Hij publiceerde onder andere Serpentina’s petticoat; Kort Amerikaans; Een roos van vlees; Gesponnen suiker; De hond met de blauwe tong en Terug naar Oegstgeest.

Voor de literaire criticus reden voor een eerste duiding van zijn werk. Is er een patroon? Zijn er terugkerende elementen? Kees Fens vindt van wel. Onder het de titel: Slachtoffers van de verbeelding geeft hij een eerste indruk van Wolkers’s werk.

Het oudste verhaal van Jan Wolkers De verschrikkelijke sneeuwman uit de bundel Serpentina’s petticoat, blijkt veel elementen te bevatten die in het latere werk geregeld terugkeren. De hoofdfiguur Herman is een uitgestotene die door zichzelf te ‘blinderen’ zijn uitgestotenheid volkomen maakt. Zijn gruwelijke daad is er een van wraak, een tot op de spits gedreven vorm van pesten van zijn huisgenoten. Eenmaal blind wordt hij ook zelf nog getreiterd door zijn oudste zus. Herman wil, zoals hij zelf verklaart, voor iedereen een vloek zijn, waarop zijn moeder hem geruststellend toevoegt, dat hij dat altijd geweest is. Herman is mensenhater, maar hij is een dierenvriend, vooral van de kleine, onaanzienlijke dieren. Zijn verhouding tot mens en dier wordt duidelijk uitgesproken in de volgende passage:

“Hoe heb ik ooit voor deze mensen kunnen voelen, dacht Herman. Hoe heb ik ooit als kind in bed nachten lang kunnen huilen bij de gedachte dat ze eens dood zouden gaan. Als een duif van mij dood ging mocht ik hem niet in de tuin begraven, en geen teken voor hem oprichten. Hij moest in de vuilnisbak. Een dier komt niet in de hemel, zei mijn vader. De eeuwigheid is voor de mens die naar Gods wil leeft, hij hoort in een graf, om daar te wachten tot de jongste dag. En de vogel wierp hij tussen de groenteafval.’

Uit: Slachtoffers van de verbeelding – Kees Fens, uit: Literair Lustrum 1, Atheneum Amsterdam, 1977

Drijfnatte jongeman leest J.C. Bloem

JCBloem

de dichter J.C. Bloem

Het was lawaaierig en druk, de tafeltjes moesten gedeeld worden in de wachtkamer. Ik suf en wacht op het voorgeschreven uur. Tegenover mij komt een jongeman zitten , met vrolijk krulhaar en een neus die nog weinig onraad heeft geroken. Hij is drijfnat, want buiten valt de herfstregen uit een grijze lucht. Uit zijn binnenzak haalt hij een boek. Verzamelde gedichten van J.C. Bloem. Hij begint bij het eerste gedicht van Het Verlangen. Ik kijk. ‘En zwerven is verlangen en verlangen derven’, moet hij nu lezen. Er wachten hem nog 250 bladzijden somberheid.

Maar dan komt een meisje binnen, even krullerig als hij. Het boek valt dicht. Hij omhelst haar. Zijn verlangen is nu al vervuld. Zal hij zijn boek ooit uit krijgen?

Uit: Handgroot – Kees Fens, Thomas Rap Amsterdam, 1994

Alfred Mombert: in Booten liegend

In Booten liegend

In Booten liegend. Und die Boote schwankten / und stiessen met den Kielen aneinander. / Die Ruder schlappten im Nacht-Wasser. / Und unsre Häupter lagen auf dem Bord, / gross, wild, und einsam, / und Augen glänzten überm gurgelnden Wasser. / Und Manche schliefen nach so lnger Meerfahrt, / nach soviel glanzgestirnten Nächten, / jetzt nahe einer unbekannten Küste. / Wir aber, wir, wir Tiefsten, Schlummerlosen, / wir blickten in der Richtung einer Stadt, / die prachtvoll nackt am Strande sich erhob / met Türmen und Palästen, hellerleuchtet, / mit wandelnden Volk auf weiten Marmorplätzen. / Die mir gefolgt durch die Gedanken-Meere, / und ich, ihr träumender Dämon: / Wir schauten glühend und begehrlich lüstern / hinüber in das greifbar nahe Land der Menschen.

In boten liggend

In boten liggend. En de boten schommelden / en botsten met hun kielen tegen elkaar. / De riemen klotsten in het nacht-water. / En onze hoofden lagen op de rand, / groot, wild, en eenzaam, / en ogen glansden boven het gorgelende water. / En menigeen sliep na een zo lange zeetocht, / na zoveel glansgekruinde nachten, / nu dicht bij een onbekende kust. / Wij echter, wij, allerdiepsten, sluimerlozen, / wij keken in de richting van een stad, / die prachtig naakt oprees aan het strand / met torens en paleizen, fel verlicht, / met slenterend volk op weidse marmeren pleinen. / Zij die mij volgden door de gedachten-zeeën, / en ik, hun dromende demon: / wij keken gloeiend en begerig wellustig / naar het tastbaar nabije land der mensen.

alfred mombert

bron foto: wissen.de

Alfred Mombert (1872 – 1942, Duits)

Uit: Dichtungen, Kösel München, 1963

Gabriele loopt een blauwtje bij Tamara

Het gaat om de Italiaanse schrijver Gabriele d’Annunzio en de Poolse schilderes Tamara de Lempicka. Het is 1927. Het verhaal werd opgetekend door Aélis Mazoyer, Frans. Zij kwam in 1911 bij de Italiaan in dienst als koppelaarster, huisbestierster en als minnares als d’Annunzio geen andere vrouw voorradig had.

In 1927 was d’Annunzio vierenzestig jaar. Hij kon geen nacht zonder minnares. De Italiaan was prins uit een oud adelijk geslacht. Had een villa (Il Vittoriale degli Italiani) en een beruchte kamer: de Leda-kamer. Wie als vrouw in die kamer terecht kwam, viel in de armen van de Commandant (zoals d’Annunzio zich noemde).

Sommige vrouwen hebben het al gauw gezien met de geile oude zonderling. Er zijn ook dames die wat langer van zijn gezelschap genieten. Aélis Mazoyer was er daar één van. Zij had de Commandant door: voor haar was hij zo doorzichtig als glas. Ze hield een dagboek bij waaruit onderstaand relaas.

tamara de lempicka

Tamara de Lempicka

In Parijs is een beeldschone Poolse komen wonen die naam maakt als portretschilderes van de hogere kringen. Tamara de Lempicka. D’Annunzio wordt op haar attent gemaakt en bedenkt een list: Tamara moet zijn portret komen schilderen. Ze kan in de Leda-kamer logeren. Haar roem zal door de opdracht verzekerd zijn en hij zal genieten van haar charmes. Het portret hoeft wat hem betreft niet – het is louter een voorwendsel.

Tamara arriveert in januari. Haar leeftijd? Zevenentwintig beweert ze. De scherpziende Aélis schat haar vijfendertig. Het ongehoorde gebeurt: de Commandant loopt zijn eerste blauwtje. De Poolse heeft geen zin syfilis op te lopen of een kind te krijgen. In werkelijkheid, maar dat heeft ze pas later verteld, vond ze hem een onsmakelijke oude man die tot overmaat ging janken bij haar weigering. De Commandant was een slecht verliezer. In plaats van Tamara aan het portret te laten beginnen zei hij dingen als: ‘Heel de Vittoriale hangt aan een haar van uw fica.’ Waarop Tamara informeert of hij de prijs van haar schilderijen wel kent. Nu gooit Gabriele haar de deur uit.

Aélis heeft het in details en met humor genoteerd. Het was een circus van vrouwen met allerlei bedoelingen rondom de geile oude zonderling. Eén tafereeltje: Aélis en een zekere Carlotta komen onverwacht de bibliotheek binnen, zien de Poolse op een divan, de Commandant aan haar voeten. Carlotta vlucht, Aélis moet lachen, de Commandant schreeuwt driemaal: ‘Fiasco!’ ‘Lijkt me van niet’, zegt Aélis. En Tamara schatert het uit. Zij was allesbehalve naïef. Wat haar beweegredenen geweest zijn, valt slechts te gissen. Jammer dat het portret nooit geschilderd werd.

Uit: Binnenste buiten – Hans Warren, Bert Bakker Amsterdam, 1989

Adonis: de weg

De weg

De weg is een vrouw / die de palm van de reiziger / in die van de geliefde heeft gelegd / de hand van de geliefde heeft gevuld / met schelpen van heimwee.

Een vrouw / een droom gemaakt door een vrouw / een sloep smal als een wiek / gekleed in het roze van de winden / zijn haven vergeten.

adunisbron foto: alchetron.com

Adonis (Adunis = Ali Ahmad Sa’id, 1930, Syriër)

Uit: Poésie du monde, Segher Parijs, 2003; vertaling Daan Bronkhorst