Marie Bashkirtseff bewees dat ze leefde

Marie Bashkirtseff | Мария БашкирцеваMarie Bashkirtseff (1858 – 1884) was Russische, haar voorouders waren nomaden aan de Kaspische Zee. Op haar tiende bad zij: ‘God, maak dat ik nooit de pokken krijg, mooi word, een fraaie stem krijg, gelukkig word in het huwelijk en lang zal leven!’ Ze kreeg geen pokken, werd mooi, had een goede stem, ze speelde harp en piano, leerde zes talen, ze kon meer dan aardig dansen, schilderen, beeldhouwen, had schrijftalent, en ze was schatrijk. Ze was gevierd in de mondaine kringen van Nice, Napels, Rome. Ze werd echter niet gelukkig in het huwelijk en stierf jong. Ze was een flirt, verliefde gemakkelijk bij de paardenrennen en op de rolschaatsbaan. Maar toen ze werkelijk liefkreeg werd haar liefde niet beantwoord. Toen haar aanbedene ging trouwen, schreef Marie, dat jongemeisje uit duizend, een brief die ze nimmer verstuurde met regels als: ‘Als het waar is dat u enkel een verstandshuwelijk sluit, weet dan dat er een vrouw is, veel rijker dan uw verloofde, en die meer van u houdt dan welke vrouw ook ter wereld.’ Men heeft gesuggereerd dat het liefdesverdriet haar dood heeft bespoedigd.

Misschien heeft niemand zo klemmend onder woorden gebracht als zij, waarom zij dagboek hield. Kort voor haar overlijden, op 1 mei 1884, noteerde zij: ‘… men zal mijn dagboek vinden, mijn familie zal het vernietigen na het te hebben gelezen en dan zal er weldra niets meer van mij over zijn, niets…niets! Dat heeft me altijd verschrikkelijk geleken. Leven, zoveel plannen hebben, lijden, huilen, vechten, en, ten slotte, vergetelheid! Als ik niet lang genoeg leef om beroemd te worden, zal dit dagboek toch de naturalisten belang in boezemen; het is toch merkwaardig, het leven van een vrouw, van dag to dag, zonder aanstellerij, alsof niemand ter wereld het ooit had moeten lezen, en tezelfdertijd toch geschreven met de bedoeling om gelezen te worden; want ik ben er zeker van dat men mij aardig zal vinden, en ik zeg alles, alles, alles. Wat heeft het anders voor zin!’

Uit: Binnenste buiten – Hans Warren, Bert Bakker Amsterdam, 1989

Generatie(s): knapenmin

Knapenmin

Als kind begeerde ik mijn tante Saar. / Haar torso was ’t centrum van gedachten, / welke mijn ouders niet van mij verwachtten, / want och, ik was een knaap van dertien jaar.

Soms, als zij bij ons op visite zat, / haar weelde door een zomerjurk ontspannen, / bleek één verlangen maar niet uit te bannen: / mijn kinderhand te leggen op haar boezemschat.

O, als zij bukte om iets op te beuren! / Hoe scherp zagen mij jongensogen dát. / Maar let eens op: te zelden valt er wat / en zelfs een kind mag er niet steeds om zeuren.

Soms deed mijn blik haar in gepeins vervallen. / Dan sprong ik schutterig naar buiten, / toonde een kindertronie voor de ruiten / en riep: ‘O lieve tante, komt u ballen?’

Carmiggelt g.verkuil

Simon Carmiggelt in 1970. foto: G. Verkuil; bron foto: literatuurmuseum.nl

Karel Bralleput (pseudoniem van Simon Carmiggelt 1913 – 1987)

Uit: De gedichten, Arbeiderspers Amsterdam, 1977

Licht: wat ik vooral mis?

Wat ik vooral mis?

wat ik vooral mis? het licht / dat op een zwarte ouderwetse / lincolnjas te warm is van zichzelf / te heet voor de tijd van het jaar: / in elke hoek van de zachtgele / kamer heb ik een ventilator / die me de wenkbrauwen doet / fronsen, een knagend schuldgevoel / iets dat me opwindt in de stilte / rond rotan het kraken van stoelen / terwijl in de tuin de kleuren eindelijk / tot bedaren zijn gekomen.

ik ben de vliegen hier in dit huis. / en met de spiegels ben ik één. / al ontbonden een voetstap en / knielen de kus op de grond / dienbaar ten teken van wat / groen groen doet lijken.

antoine_de_kom_tineke_de_lange

foto: Tineke de Lange; bron foto: woordnacht.nl

Antoine de Kom (1956, Nederlands-Surinaams)

Uit: ritmisch zonder string, Querido Amsterdam, 2013

Twee lezers gezien door Kees Fens

fra angelico dominicus

Hij kijkt iets langs het boek heen dat op zijn schoot ligt. Zijn linkerhand raakt net de onderzijde van de linkerbladzijde, twee vingers van de rechterhand spelen in gedachten langs zijn kin. Hij lijkt in zijn ruime koormantel te zitten. Uit de kap steekt het gekruinde jongenshoofd, de ogen neerwaarts. Naar het boek? Naar binnen. Hij leest niet, hij is iets verder: hij denkt over het net gelezene na. Wat in het boek staat staat, neemt hij heel langzaam in zich op. Hij is de mooiste lezer die ik ken. Fra Angelico schilderde hem: de stichter van zijn orde. Dominicus. Direct valt het boek in de goed zichtbare slootjes. De ene helft helt al naar de andere. Het heeft dan niet zijn werk gedaan. Het begint dan pas. Hier is dat meditatieve hoofd, dat ook de consequenties overdenkt van het gelezene. En die zijn duidelijk zwaar.

rogier van der weyden maria magdalena

Haar groene kleed is overdadig, ook in de plooien ervan. Het valt aan alle kanten om haar heen, want zij zit op de grond, tegen een kastje. Ze draagt een heel lichte witte sluier. In haar handen houdt ze een boek, een getijdenboek, denk ik.

Haar hoofd buigt zij iets naar voren en naar rechts, want zij leest de tekst op de linkerzijde onderaan. Die getijden moet ze kennen, maar haar gezicht heeft de blankheid van de eerste lezing. Ze lijkt nieuwsgierig naar het vervolg van het vertrouwde. Elke tekst van waarde blijft nieuw. Een doekje beschermt het boek als de sluier haar hoofd. Boek en hoofd gaan op elkaar lijken; ze geven elkaar en nemen van elkaar. Zij is de mooiste lezer die ik ken. Naast haar op de grond staat de balsemfles. Zij is Maria Magdalena, geschilderd door Rogier van der Weyden. Ze zit daar al bijna zes eeuwen. Het is een dag. Zo mooi is lezen.

Uit: Handgroot – Kees Fens, Thomas Rap Amsterdam, 1994 

Middellandse Zee: Palatijn

palatijn Rome, jovia

Rome: Forum Romanum; bron foto: jovia.nl

Palatijn

Het denken aan verval is hier verplicht. / Hoofdschudden. Hoe bestaat het zeggen. Zuchten. / Je ziét Caligula de gang in vluchten, / zegt Truus bij het verkeerde vergezicht.

Zes nonnen, door Van Egeraat ontwricht, / bidden bij ’t schuifelen langs een beruchte / paleislatrine hijgend hun geduchte / Ave Maria’s, rillend noch gesticht.

God weet zien zij hier nog Sebastiaan / als doelwit naakt voor de soldaten staan: / Van Egeraat brengt alles zeer tot leven.

O eeuwig Rome! alles zal vergaan! / O! ’t vlammend mene tekel, ziet het aan! / Ga maar vooruit Truus, want ik moet nog even.

F.L. Bastet (1926-2008)

Uit: Catacomben, Querido Amsterdam, 1980

Fromentin strijdt in Egypte tegen de tijd en het verlies

fromentin de Nijl 6fromentin de Nijl 3Eugène Fromentin (1820-1876, Frans) was een dubbeltalent: hij schilderde en schreef. De schilderijen laten met name oosterse taferelen zien. De boeken die hij schreef waren romans en (reis)dagboeken. Er zijn lieden die beweren dat hij even perfect als Flaubert kon schrijven (Alain-Fourniers). Als Fromentin’s meesterwerk geldt Dominique dat uit 1862 dateert.

fromentin de Nijl 5fromentin de Nijl 2Hans Warren (1921-2001, Zeeuw) was een liefhebber van de reisdagboeken die Fromentin bijhield van zijn tochten in Afrika. Vooral het dagboek dat hij schreef in 1869. De Fransman was als officier van het Légion d’Honneur uitgenodigd als lid van een Frans delegatie voor de feesten bij de opening van het Suez-kanaal.

fromentin de Nijl 4Fromentin, Eugene, 1820-1876; The Banks of the NileVoyage en Égypte behoort, zeker voor iemand die zelf een hartstochtelijk dagboekschrijver is, tot de aangrijpendste journalen die er bestaan. Het toont de worsteling van de mens, de kunstenaar, tegen de tijd en zijn onherroepelijk verliezen. Fromentin, die zoveel van Afrika hield, vond Egypte prachtig. Hij werd overstelpt door indrukken, alles had hij in geschrift en in beeld willen vastleggen. Maar: ‘Het is te laat, ik ben te oud, het gaat te snel.’ Je ziet hem vechten, het notitieboekje op de knie: hoe houd ik het vast. ‘Durven’: de Nijl chocoladebruin schilderen met felblauwe reflexen, het helle groen (‘verdure éclatante’), die honderden details, een jongenslijk dat voorbijdrijft en men laat het drijven, de hebbelijkheid om op alles te schieten, op grote gieren, pelikanen, kraaien, gelukkig bijna altijd mis. Alleen een krokodil is raak, het blijkt dan ook een buffel ‘waarvan men enkel de ruggengraat zag’. Zijn diepe teleurstelling, depressie zelfs als er geen brieven van thuis komen – ze moeten zijn zoekgeraakt. De hitte maakt hem ziek, hij verveelt en ergert zich, maar wordt telkens meegesleept door de schoonheid die hem omringt en die hij, beseft hij, nooit terug zal zien. Geen schets, geen regel mogelijk.

Uit: Binnenste buiten – Hans Warren over dagboeken, Bert Bakker Amsterdam, 1989

Rilke: der Panther

Der Panther

Im Jardin des Plantes, Paris

Sein Blick ist vom Vorübergehn der Stäbe / so müd geworden, dass er nichts mehr hält. / Ihm ist, als ob es tausend Stäbe gäbe / und hinter tausend Stäben keine Welt.

De weiche Gang geschmeidig starker Schritte, / der sich im allerkleinsten Kreise dreht, / ist wie ein Tanz von Kraft um eine Mitte, / in der betäubt ein grosser Wille steht.

Nur manchmal schiebt der Vorhang der Pupille / sich lautlos auf -. Dann geht ein Bild hinein, / geht durch der Glieder angespannte Stille – / und hört im Herzen auf zu sein.

De panter

In de Jardin des Plantes, Parijs

Zijn blik is in het voorbijgaan der spijlen / zo moe geworden dat hij niets meer opneemt. / Voor hem is het alsof er duizend spijlen zijn / en achter duizend spijlen geen wereld.

De zachte gang van soepel sterke stappen, / die in de allerkleinste cirkel wendt en keert, / is als een dans van kracht om een midden / waarin verdoofd een grote wil staat.

Af en toe slechts schuift het gordijn van de pupil / geluidloos open -. Dan gaat een beeld naar binnen, / gaat door de gespannen stilte der ledematen – / en houdt in het hart op te bestaan.

rainer-maria-rilke

bron foto: biography.com

Reiner Maria Rilke (1875 – 1926, Tsjechisch, Oostenrijks, Zwitsers)

Uit: Sämtliche Werke, Insel Frankfurt am Main, 1975

Valerio Adami: zijn kunst lijkt uit te gaan van de pop

Valerio Adami (1935, Italiaans) schildert complexe werken die indruk maken door de figuren, de kleuren, de vlakverdelingen. Er is veel te zien: figuren, dieren, plekken, voorwerpen en handelingen. De onderlinge relaties laten zich raden. Dat is aan de kijker; zijn manier van kijken, waarnemen en het maken van het verhaal door al die elementen te combineren.

Adami zelf zegt dat hij onder andere beïnvloed is door Roberto Matta en Francis Bacon. Zijn figuren zijn realistisch en doen mij denken aan de modelpoppen waarna veel schilders schilderen, schetsen of tekenen om posities van het lichaam, of delen daarvan, uit te proberen.

Zijn figuren bevinden zich in een wereld van papier. Zijn schilderijen doen ook aan strips denken.

adami 4

adami 8

 

adami 1

adami 3

Ian McEwan beschrijft het wees worden

‘Ze is dood,’ zei Julie. ‘Ga zitten. Begrijp je het nu nog niet? Ze is dood.’

‘Ik heb ook de verantwoordelijkheid,’ zei ik en ik begon te huilen omdat ik me bedrogen voelde. Moeder was weggegaan zonder Julie uit te leggen wat ze tegen mij had gezegd. Niet naar het ziekenhuis, maar helemaal weg, zodat we het haar niet meer konden vragen. Een ogenblik besefte ik heel duidelijk  dat ze dood was en mijn snikken werden droog en hard. Maar toen dacht ik aan mezelf als iemand die net zijn moeder had verloren en de tranen begonnen weer vrij en makkelijk te stromen. Julies hand lag op mijn schouder. Zodra dit tot mij doordrong, zag ik, als door het keukenraam, het roerloze tableau dat we vormden en even wist ik niet precies wie van de twee ik was. Naast mij, aan het eind van mijn vingers, zat iemand te huilen. Ik wist niet of Julie met tederheid of met ongeduld wachtte tot ik zou ophouden met huilen. Ik wist zelf niet of ze wel aan mij dacht. De aanraking van de hand op mijn schouder voelde neutraal aan. Deze onzekerheid maakte dat ik ophield met huilen. Ik wilde de uitdrukking van haar gezicht zien. Julie nam haar positie bij de gootsteen weer in en zei: ‘Tom en Sue komen zo.’ Ik veegde mijn gezicht af en snoot mijn neus in de keukenhanddoek. ‘We moeten het ze maar meteen als ze binnenkomen vertellen.’ Ik knikte en we stonden bijna een halfuur zwijgend te wachten.

Uit: De Cementen Tuin – Ian McEwan, Harmonie Amsterdam, 1978, 2006; vertaling Heleen ten Holt

Ian-McEwan

foto: Murdo MaCleod; bron foto: startribune.com

Ian McEwan (1948, Brits)

Generatie(s): twee

Twee

Kijk eens naar deze man en deze vrouw / en hoe hij stuntelt om zijn veel te sterke / gevoelens aan geen mens te laten merken. / Wat zij in hem zag zie je niet zo gauw.

Maar raadhuiszalen evenmin als kerken / noch hemelbedden telen zoveel trouw. / Twee lichamen die warm bij elke kou / ook nog twee zielen liggen te verwerken.

Dit hardop lezend hoor ik hoe een floers / zich zachtjes om mijn strottenhoofd komt leggen / terwijl ik toch niets treurigs heb te zeggen. / Wees maar jaloers, wees maar gerust jaloers. / Zoveel geluk wil ik met niemand ruilen. / Pas op hoor of ik maak je aan het huilen.

Uit: De tweede ronde (literair tijdschrift), 1984

Lachen in een leeuwKees Stip houdt in Ouwehands Dierenpark een vers dier in zijn armen. bron foto: 4umi.com

Kees Stip (1913 – 2001)