Lévi Weemoedt: onder lijn 4

Onder lijn 4

De werkers kwamen fluitend van karwei, / staken de rijweg over, dromden rond de halte. / De adel van hun kracht beschaamde mij: / triest hing daartussen, zinloos, mijn gestalte.

Een eerlijk broodblik priemde in mijn kraag, / een zwaar beslagen schoen rustt’ op mijn tenen. / Mijn leven had nog nooit zó leeg geschenen: / ik had alleen een plaat gekocht vandaag.

O! ’t Liefst zou ik van hen hier voorman wezen / en legde in één gebaar de hele haven lam!

Maar ach! Voor morgen staat een boek op het program. / En dan maar weer een plaat: men kan niet eeuwig lezen.

Levi-Weemoedt-©-Reyer-Boxem-hpdetijd

foto: Reyer Boxem, HH; bron foto: HP/De Tijd

Lévi Weemoedt (1948)

Uit: Van harte beterschap, Kleine triologie der treurigheid, Geduldig lijden, Geen bloemen, Zand erover, Contact Amsterdam, 1990

Oswald Achenbach schilderde het licht en Zuid-Italië

Achenbach-Oswald-2

Achenbach-Oswald-4

Achenbach-Oswald-6

Oswald Achenbach (1827 – 1905, Duits) was landschapsschilder, geboren in Düsseldorf, volgde zijn opleiding aan de kunstacademie en bij zijn broer Andreas, die ook schilderde. Ter verdieping van zijn natuurstudies maakte hij een reis door Tirol en Italië. Oswald werd vooral bekend door zijn bonte genrestukken en zijn Zuid-Italiaanse landschappen met opvallende lichteffecten.

Achenbach-Oswald-1

Achenbach-Oswald-3

Wislawa Szymborska: de vreugde van het schrijven

De vreugde van het schrijven

Waar rent die geschreven ree door het geschreven bos naar toe? / Gaat ze van het geschreven water drinken / dat haar snuitje als een doorslag spiegelt? / Waarom tilt ze haar kop op, hoort ze iets? / Op vier van de waarheid geleende pootjes steunend / spitst ze onder mijn vingers haar oren. / Stilte – dat woord ritselt ook over het papier en het duwt / de door het woord bos veroorzaakte takken uiteen.

Boven het blanco papier liggen ze op de loer, / de letters die zich misschien niet zullen schikken, / de insluitende zinnen / waaraan niets of niemand ontkomt.

In elke druppel inkt zit een flinke voorraad / jagers met toegeknepen ogen, / klaar om langs de steile pen omlaag te rennen, / de ree te omsingelen en aan te leggen voor het schot.

Ze vergeten dat dit niet het leven is. / Zwart op wit heersen hier andere wetten. / Een oogwenk zal zo lang duren als ik wil, / ik kan hem opdelen in kleine eeuwigheden, / vol in hun vlucht gestuite kogels. / Zo ik het beveel, zal hier nooit meer iets gebeuren. / Buiten mijn wil zal zelfs geen blaadje vallen, / geen sprietje buigen onder de punt van enig reeënhoefje.

Er bestaat dus een wereld / waar ik een lot regeer dat onafhankelijk is? / Een tijd die ik met tekenketens bind? / Een bestaan, continu op mijn bevel?

De vreugde van het schrijven. / Het vermogen tot vereeuwiging. / De wraak van de sterfelijke hand.

szymborska wislawa, culturebron foto: culture.pl

Wislawa Szymborska (1923 – 2012, Pools)

Uit: Uitzicht met zandkorrel, Meulenhoff Amsterdam, 1997; vertaling Gerard Rasch

James Joyce laat de doden dwalen in Dublin

Uit: De doden

Maar de temperatuur in de kamer verkilde zijn schouders. Hij strekte zich behoedzaam uit onder de dekens en ging naast z’n vrouw liggen. Eén voor een zouden ze allemaal schimmen worden. Maar, beter moedig naar die andere wereld over te gaan, in de volle glorie van een liefde, dan weg te kwijnen en treurig met de jaren te vergaan. Hij dacht eraan hoe zij, die hier naast hem lag, zoveel jaren dat beeld van de ogen van haar liefste, toen hij vertelde dat hij niet meer verder wilde leven, in haar hart had bewaard.

Milde tranen vulden Gabriels ogen. Hij had zich nog nooit zo vreemd gevoeld tegenover een vrouw, maar hij wist dat dit gevoel niet anders dan liefde kon zijn. De tranen drongen steeds dichter in zijn ogen en in de halve duisternis verbeeldde hij zich de gestalte van een jongeman te zien, die stond onder een drupende boom. Andere gestalten waren in de nabijheid. Zijn ziel was het gebied genaderd, waar de uitgestrekte scharen van de doden dwalen. Hij was zich bewust van hun grillig en flakkerend bestaan. Zijn eigen identiteit loste op in een grijze, ongrijpbare wereld – de wereld der dingen zelf, waarin deze doden eens geleefd en gewerkt hadden, loste op en verdween in het niets.

james-joyce-grandson, thedailybeast.comJoyce met zijn kleinzoon. Bron foto: thedailybeast.com

James Joyce (1882 – 1941, Iers)

Uit: Dubliners, Van Gennep Amsterdam, 1971; vertaling Rein Bloem

Arko Datto tuurt in het kleurrijke donker

arko datto 2arko datto 4arko datto 6

Fotograaf Arko Datto (1986, India) beschouwt de nacht als de tijd waarin de mens eerlijk, intens en waarachtig leeft. Er hoeft niets meer verborgen te worden. Reizend door zijn geboorteland ontmoette hij fascinerende figuren en objecten, die opdoken uit het duister. Hij legde ze vast; soms poserend en vaak betrapt tijdens hun bezigheden. Maar altijd deden de mensen wat ze wilden. Wat aan de foto’s bijdraagt is hun rijkheid aan kleuren. Datto tuurde in het donker en zag een kleurrijke wereld.

arko datto 1arko datto 3arko datto 5

Bohumil Hrabal kortwiekt en begint opnieuw

‘Waar is je haar?’ sprak Francin en hield zijn redis-pen nr.3 in zijn trillende vingers.

‘Hier,’ zei ik en zette mijn rijwiel tegen de muur, trok de klem van de bagagedrager omhoog en reikte die twee zware vlechten aan. Francin stak de pen achter zijn oor en woog dat dode haar van mij op zijn hand en legde het op het bankje. Daarna wipte hij het handpompje van het frame van mijn fiets.

‘Mijn band is hard genoeg opgepompt,’ zei ik en drukte even professioneel mijn voor- en achterband in.

Maar Francin schroefde het uitstulpsel van het pompje los.

‘Met het pompje is ook niks aan de hand,’ zei ik niet-begrijpend.

En Francin sprong opeens op me af, legde me over zijn knie, trok mijn rok omhoog en ranselde mijn achterwerk met het fietspompje en ik was doodsbenauwd of ik wel schoon ondergoed aanhad en me daar goed had gewassen en of de boel daar wel voldoende afgedicht was. En Francin gaf me ervan langs en de wielrijders knikten voldaan en de drie dames van de stadsverfraaiing keken toe alsof deze wraakoefening door hen besteld was.

En Francin zette me weer op de grond, ik trok mijn rok naar beneden en Francin zag er prachtig uit, zijn neusvleugels trilden net of hij zo-even een span op hol geslagen paarden had getemd.

‘Zo meiske,’ zie hij, ‘en nu beginnen we een nieuw leven.’

Uit: Gekortwiekt, Bright Lights Amsterdam, 2007; vertaling Kees Mercks

Bohumil_Hrabal_foto_Hana_Hamplová, wikipediabron foto: Wikipedia

Bohumil Hrabal (1914 – 1997, Tsjechisch)

Willem Jan Otten: voorvaarwel

Voorvaarwel

Ik heb haar op de Lorely-expres gezet. / De tree was ver. In de diepte blonk een fles.

Ongeëvenaard is onze eeuw waar het gaat / om vaarwel. Zij is van negentien nul.

In Bazel zei ze worden wij wakker van ijzer, / daar worden we gerangeerd. Ik knikte, ofschoon

geen sprake kon zijn van wij: zij reisde alleen. / Reisde een reis door reizen van voorheen.

Zullen zij er morgen staan? Ik knikte, ofschoon / geen idee van wie zij zouden zijn. Gaf haar mee

met een arrangement per travel-agency.

Er was iets grijs in haar blik dat ditmaal / de reis niet verder zou gaan dan dit vaarwel.

Uit: Na de nachttrein, Querido Amsterdam, 1988

Otten. mark kohn ilfufoto: Mark Kohn; bron foto: ILFU

(Willem Jan Otten, 1951)

Gerry van der Linden: huis

Huis

Het huis heeft herinnering / tot in de uithoek van ramen. / In sponningen huist / voor- en tegenspoed.

Geluk is onvergeeflijk en / een val op de rand / niet meer dan / een handvol tranen.

Het huis kent zijn gangen / met kind en bont gezelschap. / Een liefde verder en op de hiel

een oude wond. / In zijn nerven slijt / een rode draad.

Gerry_van_der_linden-, wikipediafoto: Patrick Siemons; bron foto: wikipedia.org

Gerry van der Linden (1952)

Uit: Val op de Rand, Prometheus Amsterdam, 1990