Wislawa Szymborska: een poging

Een poging

Waarom toch, liedje, drijf je zo de spot met mij. / Al ga ik nog zo hoog, nooit bloei ik als een roos. / Alleen de roos bloeit als een roos. En dat weet jij.

Ik wilde wortel schieten. Bladeren krijgen. / Met ingehouden adem – zodat het sneller ging – / wachtte ik tot ik als roos mezelf zou ontstijgen.

Liedje dat geen enkel mededogen met me kent: / mijn lichaam is wat het is en wordt niet anders. / Tot op het bot eenmalig – zo ben ik gepland.

wszymborska, freedomsoratorbron foto: freedom’s orator

Wislawa Szymborska (1923 – 2012, Pools)

Uit: Roepen naar Yeti (1957), Meulenhoff Amsterdam, 1998; vertaling Gerard Rasch

Advertenties

CSN&Y: baanbrekend en invloedrijk

Veel in wat popmuziek zijn gaan noemen, vond zijn oorsprong in de jaren 50 en 60 van de vorige eeuw. Op het Britse eiland luisterde men goed naar wat er in de States gebeurde: jazz, blues, country. Van skiffle ging het naar beat-muziek. The Beatles lieten zich beïnvloeden door wat ze op de radio hoorden en in de clubs zagen en hoorden. Voor the Rolling Stones was het de blues en later country, die een rol speelde bij het tot standkomen van de eigen sound.

Bij de Amerikaanse band Crosby, Stills and Nash (later kwam Neil Young over uit Canada) was het de combinatie van muzikale invloeden, sterke songteksten met een boodschap en het plezier in samenzang. Die combinatie was baanbrekend en zou invloedrijk zijn en blijven. CSN&Y was vooral akoestisch afgewisseld met rock; prachtige samenzang met ruimte voor de individuele stem (Young kreeg bijvoorbeeld ruimte voor zijn zelfgeschreven songs). En aanwijsbare invloeden uit: singer-songwriter, folk, country en rock. Maar bovenal was de band een deel van de (puber)tijd waarin ze bestond. CSN&Y verbind ik aan flower-power, hippie-tijd en experimenteren met liefde en drugs. Zeg maar de puberteit van de pop. Al die elementen hoor ik terug in hun muziek. Hun speciale mix van muzikale invloeden, songteksten en de tijd waarin ze groot waren (opkomende burgerrechten-beweging, black-awareness) maakten de band een belangrijke schakel in de popmuziek.

Een overzicht van de geschiedenis van de band.

Een paar favoriete nummers van CSN&Y.

Het binnenstebuiten van Marja Pirilä

Het idee voor de serie binnen/buiten kreeg de Finse fotografe Marja Pirilä door een reeks zwart-wit foto’s van Abelardo Morel. Morel fotografeerde mensen in een kamer terwijl ook het uitzicht vanuit het kamerraam te zien was. Haar idee: als ik de omgeving van de persoon kan laten zien, kan ik misschien ook het mentale landschap van de geportretteerde tonen: kortom, weerspiegelingen van herinneringen, dromen, angsten en mijmeringen.

interior: exterior marja pirilä 1interior: exterior marja pirilä 3interior: exterior marja pirilä 5Camera obscura/Taina´s Room, Tampere, Finland,1996Het werken aan de serie was voor Pirilä alsof ze werkte aan een familie-album. Ze bezocht allerlei mensen maar ook haarzelf. Voordat Marja de foto’s kon maken moest de ruimte (de kamer van de geportretteerde) flink onder handen worden genomen. De kamer moest verduisterd op een gat na. Door dat gat kon de buitenwereld geprojecteerd worden op de wanden van de kamer. Die projectie liet de buitenwereld ondersteboven zien. Vervolgens werden kamer, projectie en de bewoner van de kamer gefotografeerd. Eigenlijk met de camera obscura-methode.

De foto’s werden gemaakt in Finland, Noorwegen, Italië en Frankrijk.

interior: exterior marja pirilä 2interior: exterior marja pirilä 4Camera obscura/ Melchior, Rouen, France 2007Camera obscura/Mariana 1999, Mazzano Romano, Italia

Hendrik de Vries: we waren alleen in huis…

We waren alleen in huis

We waren alleen in huis. / We hoorden op ’t venster kloppen. / We gingen ons gauw verstoppen / In ’t bed en achter ’t fornuis. / De deur werd opengebroken. / Een man en een vrouw kwamen binnen. / Waren dat menschen of spoken? / Ze zochten in alle kasten.

Speelgoed en lakens en linnen / En kroezen en tinnen kannen / Gaven ze weg door de ramen. / Daar stonden andere mannen. / Wij keken toe wat ze namen, / Hielden ons diep neergedoken: / Tegen zooveel vreemde gasten / Konden wij toch niets beginnen.

Uit: Toovertuin, Stols Den Haag, 1948

hendrik de vries, woest en ledig

bron foto: woestenledig.com

Hendrik de Vries (1896 – 1989)

Klassieke Tamil poëzie gaat over minnaars

Altijd weer verbazingwekkend als je er achter komt dat gedichten uit een andere tijd en van een andere plek op de globe, toch aanspreken. Uit een boekje dat de aandacht trok bij een zoektocht: Oosterse literatuur, een inleiding tot De Oosterse Bibliotheek, samengesteld door W.L. Idema en D.W. Fokkema met een bijdrage van Aad Nuis. Dat boekje verscheen bij Meulenhoff Amsterdam. We schrijven 1979.

Dit boekje laat ons kennis maken met onder andere: de traditionele literatuur van Korea, Japan, China, India, Indonesië en de Arabische landen. Landen die een totaal verschillende geschiedenis hebben als het om literatuur gaat. Maar ook verschillende insteken en toegangen tot verhalen, vertellingen en kronieken.

agastya, sangam poetrybron foto: tamilliterature.in

De Tamil poëzie, daar ging het mij om. De Tamil is een taal en een volk. Dat volk woont op Sri Lanka (waar ze voor hun rechten vochten = Tamil Tigers) en in het zuiden van India. Het Tamil (de taal) is 1 van de oude talen die je in India tegenkomt. Sangam is de naam van een reeks lyrische gedichten in de vorm van monologen, die stammen uit de periode van 200 jaar voor Christus tot ongeveer 200 jaar na Chr. Van die gedichten zijn er 2384 bewaard gebleven, geschreven door 438 verschillende dichters. Sangam kent twee genres: liefdesliederen en heroïsche gedichten.

Over die liefdespoëzie wil ik het hier hebben. Deze poëzie handelt vaak over de geheime liefde, maar gaat ook over ontrouw of scheiding (waar kennen we dat van?). Twee voorbeelden van deze Sangam met een korte toelichting. De gedichten werden vertaald door H. Tieken, verbonden aan de Rijksuniversiteit Leiden.

Wat de dichter zegt tot zichzelf, als hij terugkeert van een rendezvous met het meisje.

Mijn liefje / leidt twee levens: / ’s nachts / komt zij naar mij, / geurend als het Mullur-bos / van Malaiyan, / die roodgeverfde speren heeft / en voor geen enkele tegenstander uit de weg gaat.

Bij het aanbreken van de dag / neemt zij de bloemen uit haar krullen / strijkt haar haar glad met olie, / die naar sandel geurt, / en is weer de lieve dochter van haar ouders / met een ontevreden blik in haar ogen.

Kapilar (naam van de dichter)

Wat haar vriendin zegt tot de ontrouwe echtgenoot van het meisje, als hij terugkeert van een bezoek aan de wijk waar de prostituées wonen en hij dat ontkent.

In die straat van plezier / waar de muziek weerklinkt / zoet als bijengezoem, / van de kleine luit / bespeeld door een muzikant, / stonden weelderig uitgedoste vrouwen op jou te wachten / en, graaiend naar jouw borst, / huilden zij zoute tranen / van langverbeid verlangen.

Wat kon ik doen / toen ik jou zo zag, / nu eens hier, dan weer daar / en uiteindelijk nergens meer, / als een stuk hout / midden op de woeste zee, / waaraan velen zich vastklampen / als het bootje omgeslagen is?

Korranar

Clarice Lispector laat de man de hond bijten

lispectorbron foto: blogs.opovo.com.br

Ik weet nog toen je klein was, dacht hij vertederd, zo klein, snoezig en frêle, kwispelend keek je me aan. En ik ontdekte ineens in jou een nieuwe vorm om mijn ziel te bezitten. Maar toen al werd je elke dag meer en meer een hond die verlaten zou kunnen worden. Intussen werden onze spelletjes gevaarlijk, omdat we elkaar te goed begrepen, herinnerde de man zich tevreden. En het eindigde ermee dat jij tegen me begon te grommen en me begon te bijten en ik lachend een boek naar je gooide. Maar wie weet wat die vreugdeloze lach van mij toen al inhield. Jij was elke dag een hond die verlaten zou kunnen worden.

En wat je de straten niet besnuffeld hebt! dacht de man even lachend, je liet geen steen onberoken… Dat was jouw kinderlijke kant. Of was dat de manier waarop jouw ware hond-zijn gestalte kreeg? En speelde je slechts de rest – namenlijk dat je van mij was. Want je was ontembaar. En door je rustige gekwispel leek je stilletjes de naam die ik je gegeven had, te weigeren. Ja, je was echt ontembaar: ik wilde niet dat je vlees at en zo een wild dier zou worden. Maar op een dag ben je op de tafel gesprongen en heb je, onder het gejuich van de kinderen, het vlees weggegrist en in een wilde staat, die niet van het voedsel afkomstig is, heb je me zwijgend en ontembaar aangekeken, het vlees in je bek. Want hoewel je van mij was, heb je nooit ook maar iets van je verleden of van je aard prijsgegeven. En ongerust geworden, begon ik te begrijpen dat jij niet van mij eiste dat ik iets van mijn aard prijsgaf om van jou te kunnen houden en dat begon me te hinderen. Juist daar waar onze twee karakters elkaar in de weerspannigheid van de realiteit ontmoetten, verwachtte jij dat we elkaar snapten. Mijn en jouw onstuimigheid hoefden niet te worden ingeruild voor vertroetelingen: dat bracht je me langzaam aan bij en dat was ook wat me langzaam aan ging bedrukken. Door niets van mij te vragen, vroeg je me teveel. Van jezelf eiste je dat je een hond was, van mij eiste je dat ik een mens was. En ik, ik verhulde dat zoveel mogelijk. Soms zat je op je achterpoten recht voor me en kon je me zo vreselijk bespieden! Ik keek dan naar het plafond, begon te hoesten, hield me van de domme, bestudeerde mijn nagels. Maar niets bracht jou van de wijs: jij bespiedde me. Aan wie zou je dat gaan vertellen? Doe maar snel of je een ander bent, zei ik dan tegen mezelf, ga op een andere golflengte zitten, aai hem een beetje en gooi hem een bot toe – maar niets bracht je van de wijs: je bespiedde me. Stommeling die ik was, ik zat te beven, terwijl jij de onschuld zelve was. Ik had me moeten omdraaien en jou ineens mijn ware gezicht laten zien en jij zou rechtop, gekwetst, naar de deur zijn gelopen, voor altijd beledigd. O, jij was al die tijd een hond die verlaten kon worden. Ik had het voor het kiezen. Maar jij kwispelde vol vertrouwen met je staart.

Uit: De misdaad van de wiskundeleraar; uit: Het uur van de ster – Clarice Lispector, De Geus Breda, 1994; vertaling Ruud Ploegmakers

Clarice Lispector (1925 – 1977, Braziliaans)

Wat ben ik gaandeweg enthousiast geworden over het werk van deze Braziliaanse onbekende parel aan de literatuur-ketting. Wat kan die vrouw schrijven! Gelaagd, universeel in haar thema’s met kracht; altijd geworteld in de dagelijkse realiteit en herkenbaar in het menselijk falen van vooral haar vrouwelijke hoofdpersonages.

Lispector leefde in een Braziliaans samenleving die censuur kende. Van 1964 tot 1979 was het Latijns-Amerikaanse land een rechtse dictatuur. Haar verhalen laten onderhuidse kritiek zien op die maatschappij. In haar verhalen is er voortdurend onrust en dreiging.

‘Haar personages, hun vragen en problemen lijken op elkaar. Het zijn meestal meisjes en vrouwen die leven in een op het eerste gezicht perfect georganiseerde wereld waarin ze overbodig zijn. Hun behoefte aan vrijheid en onconventioneel leven wordt onderdrukt. Door een incident dat de dagelijkse sleur onderbreekt, komen ze met een schok tot inzicht in de leegte van hun bestaan. De schok is echter zo bedreigend, dat ze de grootste moeite doen om weer in het oude gareel te gaan lopen. Ze zijn niet in staat hun lot in eigen hand te nemen en het te veranderen om tot het ‘wilde hart’ van het leven door te dringen’, schrijft vertaalster Hermien Gaikhorst in een nawoord. Daarmee gaf Lispector een doorkijkje naar een bedenkelijke periode in het Braziliaanse leven van die tijd vanuit haar vrouwelijk perspectief. Een mooi en overdonderend tijdsbeeld.

Ezra Pound: verbond

Verbond

Ik sluit een verbond met je, Walt Whitman – / Ik heb je nu lang genoeg verfoeid. / Ik kom tot je als een volwassen kind / Dat een eigenzinnige vader heeft gehad; / Ik ben nu oud genoeg om vriendschap met je te sluiten. / Jij hebt het nieuwe hout gekapt, / Het is nu tijd om te kerven. / Wij zijn één van wortel en sap – / Laten we ons met elkaar verstaan.

ezra-pound, poetry foundationbron foto: poetryfoundation.org

Ezra Pound (1885 – 1972, USA)

Uit: Selected poems 1908 – 1959, Faber and Faber Londen, 1968; vertaling Ko Kooman

Charles Burnes tekent tienerleed in zwart-wit

cb black hole 4cb black hole 6

We bevinden ons voor dit bericht in de VS. Tegen de achtergrond van HIV en Aids ontwikkelt zich een bewustzijn waaruit volgt dat sex niet zonder risico is. Voor opgroeiende pubers is dat een hard gelach. Zij groeien op met de eerste schreden op het pad van drugs, sex en rock and roll.

Dit thema wordt strak uitgewerkt in de graphic novel Black Hole (Zwart Gat) van de Amerikaan Charles Burns. We volgen in 12 hoofdstukken een groep tieners die volop experimenteert met drugs, sex en de liefde. De drugs zijn nadrukkelijk aanwezig in de tekenstijl van Burns. Na gebruik door 1 van de hoofdpersonen komt de lezer vaak in een getekende trip terecht. De sex overigens ook maar op bescheiden, enigszins preutse wijze. De liefde tussen een aantal van de personages (het zijn er veel die we moeten volgen en niet altijd goed uit elkaar te houden. Vooral de vrouwelijke personages zijn bijna niet te onderscheiden) is het leitmotiv. Er zijn relaties die goed aflopen, anderen hebben een beduidend minder goede afloop. De meeste tieners die sex hebben gehad, raken gemuteerd. Volgens Burns zelf een verwijzing naar puberteit, sexueel ontwaken en opgroeien naar volwassenheid.

Zwart Gat is getekend in 10 jaar tijd. Monnikenwerk dus. Dat is aan de tekeningen te zien. Ze zijn fantastisch. Geheel in zwart-wit waarbij het zwart ruim heerst, krijgen we een beklemmende, door angst gedomineerde wereld te zien. Gruwel en redenen om angstig te zijn, biedt het boek volop. Druggebruik leidt tot uitstoting; sex tot verminkingen aan lijf en leden. In elk Amerikaans drama komt het pistool voor en is er spanning. Dat alles biedt Burns in Zwart Gat. Maar er zijn ook roadtrip-elementen, de Amerikaanse suburb en vloeiende overgangen van type naar beeld, van realisme naar droombeelden.

Zwart Gat is een eigenzinnige graphic novel die opvalt door een prachtige tekenstijl, een diep zwart verhaal en maatschappelijke relevantie.

cb black hole 1cb black hole 3cb black hole 5

Zwat Gat – Charles Burns, Oog & Blik Amsterdam, 2009

Bernlef: in memoriam W.G. v.d. Hulst

In memoriam W.G. v.d. Hulst*

Nog steeds voel ik mij zo:

mijn schoen verloren midden op het kruispunt / schuilend onder een zeil tegen regen en politie / grijp ik ’s nachts plotseling naar mijn oren: / of ze er nog zitten allebei, niet afgeknipt / door de scharensliepers van de koning, twee slanke barbaren

Dank u voor de angst:

de puntmuts op zijn paard, steeds was hij daar / langs de rand van kinderland galopperend, als een / mistige pop sprong hij ’s nachts uit het behang / en doorzocht mijn zakken, was op de gang mijn / eigen schaduw, die ik met schoen gewapend denderend trof

Het hele huis wakker natuurlijk

Uit: Gedichten 1960 – 1970, Querido Amsterdam, 1977

J.Bernlef

peerke-en-z-n-kameraden

*Willem Gerrit van de Hulst (1879 – 1963) was onderwijzer en schreef kinder- en schoolboeken. Zijn boeken waren vertolkers van zijn christelijke levensvisie. Het boek Peerke en zijn kameraden was de favoriet van Van de Hulst zelf.

Carlos Drummond de Andrade: kind heeft haast

Ik was negen en het incasseren zat. Maar uitzicht op verandering was er niet. Tito verdedigde me tegen de aanvallen van de kinderen van het schoolgroepje. Maar soms, wanneer we na die botsingen thuis aankwamen, keerde hij zich tegen mij en beschuldigde me ervan trammelant te hebben uitgelokt zonder de macht te hebben om het aan te kunnen. Dat verwijt toonde de trots van de Novais, want een Novais mocht niet incasseren, en als hij, Tito, er niet bij geweest was, zou ik, Augusto Novais Junior, in het openbaar afgerammeld zijn, tot leedvermaak van de Texeira’s, de Andrada’s, de Guimarães’, en andere rivaliserende clans. Me er niet bij neerleggend, maar toch ontmoedigd, wilde ik mezelf laten groeien. Wanneer ik twintig zou zijn, zouden onze borstkassen gelijk zijn, en zou ik Tito op de grond gooien, maar dat was ver weg, twintig jaar. Kinderen hebben haast om te leven, en beloof ze geen genoegdoening in de toekomst, de behoefte dringt, de balsem moet gauw komen, morgen is te laat…

Uit: De redding van de ziel; uit: Verhalen van een nieuweling – Carlos Drummond de Andrade, Arbeiderspers Amsterdam, 1998; vertaling Piet Janssen

carlos-drummond-de-andradebron foto: blog.estantevirtual.com.br

Carlos Drummond de Andrade (1902 – 1987, Braziliaans)

‘Ook ik was eens Braziliaan’: zo belijdt Drummond, al meteen in zijn eerste bundel, zijn afwijkendheid van wat kenmerkend wordt geacht voor ‘de Braziliaan’ en voor de Braziliaanse literatuur. Het eerste gedicht van diezelfde bundel is een psychologisch zelfportret, dat begint met de autodefinitie:

Bij mijn geboorte zei een kromme engel,

zo een die in het donker leeft:

Vooruit, Carlos! wees gauche in het leven.

 

Links, schutterig, verlegen, verwrongen, gefrustreerd: ‘onbraziliaanse’, zelfs ‘onlatijnse’ trekken, die in zijn hele werk zullen terugkeren. Maar als hij geen Braziliaan (meer) is, wat is hij dan? Ook het antwoord daarop is in zijn hele werk te vinden, overduidelijk in een gedicht van 1940:

Enkele jaren heb ik geleefd in Itabira.

Voornamelijk ben ik geboren in Itabira.

Daarom ben ik triest, trots: van ijzer.

 

Drummond is mineiro. Het gehucht Itabira do Mato Dentro, waar hij op 31 oktober 1902 als negende kind van een welvarende grootgrondbezitter werd geboren, ligt in de Centraalbraziliaanse staat Minas Gerais, staat van gesteente en erts. Wat verder zijn biografie uitmaakt (school, farmaciestudie, ambtenaar van het Ministerie van Onderwijs, later van Monumentenzorg, thans gepensioneerd) is voor ons minder belangrijk dan dat hij zijn hele leven schrijft: tussen 1930 en 1978 verschijnen (behalve 9 vertaalde boeken) 26 bundels proza en poëzie. Een halve eeuw literaire activiteit van een constant en hoog niveau. En een thema dat in géén van die bundels afwezig is: Minas.

De mineiro is, volgens de generaliserende karakterbeschrijving, een introvert, verlegen, argwanend, eigenzinnig mens. Daarmee is voor veel critici de aard van Drummonds werk verklaard. Zegt niet de dichter zelf, nog wel in een gedicht dat ‘Verklaring’ heet: ‘Mijn familie en mijn grond hebben mij gemaakt tot wat ik ben’? Het verklaart natuurlijk niets. Dat Drummond zichzelf met behulp van Itabira definieert zegt alleen iets over zijn beleving van Itabira. Belangrijk daarbij, en door weinigen opgemerkt, is dat het thema een evolutie vertoont: van het werkelijke naar het symbolische, van het geografisch bepaalde naar een universele tellus mater, van beelden naar ideeën. Itabira, ouderhuis, vader, moeder, wasvrouw, paard, rund, blijven tot in het laatste werk bij name genoemd, maar worden van realiteiten tot archetypen.

Uit: Maatstaf januari 1979, over Carlos Drummond de Andrade geschreven door August Willemsen, vertaler van veel Braziliaanse en Portugese literatuur.