Nijhoff: twee reddeloozen

Twee reddeloozen

Zij gaat ’s nachts vaak naar de haven / Waarheen ze vroeger met mij ging, / Aan de eeuwige zee, aan de sterren, / Vraagt ze waarom het voorbij ging –

En de wind en de lichten der schepen / Zeggen dat al wat voorbijgaat / Op een reis zonder thuisreis / Naar een einde waar niemand ons bijstaat –

In mijn hooge verlichte venster / Tusschen schoorsteene’ en torenklokken / Heb ik tegenover den hemel / Een eenzame voorpost betrokken.

In alles te kort geschoten, / Staar ik bij het raam op de stad / En vraag: was ik grooter geworden / Wanneer ik had liefgehad?

Uit: Vormen, Van Dishoeck Bussum, 1924

nijhoff, literatuurmuseum.nlM. Nijhoff (1894 – 1953)

bron foto: literatuurmuseum.nl

Kafka niet over schrijven, maar over lezen

Wat vooraf ging:

De boeken in mijn boekenkast kennen mij niet voordat ik ze opensla, en toch ben ik er zeker van dat ze mij bij mijn naam aanspreken – en mij en elke andere lezer; ze wachten onze commentaren en meningen af. Ik word voorondersteld bij Plato, zoals ik voorondersteld word in elk boek, zelfs in de boeken die ik nooit zal lezen.

bron: Een geschiedenis van het lezen – Alberto Manguel, Ambo Amsterdam, 2000; vertaling Tinke Davids

En dan Franz Kafka:

Kafka, wikiwijs

bron foto: maken.wikiwijs.nl

‘Over het geheel genomen,’ schreef Kafka in 1904 aan zijn vriend Oskar Pollak, ‘geloof ik dat wij alleen boeken moeten lezen die ons bijten en steken. Als het boek dat we lezen ons niet wakker schudt als een klap op de schedel, waarom zou je dan de moeite nemen? Opdat het ons blij maakt, zoals jij het uitdrukt? Goeie God, we zouden precies even blij zijn als we helemaal geen boeken hadden; boeken die ons blij maken, zouden we desnoods zelf wel kunnen schrijven. Wat wij nodig hebben, dat zijn boeken die ons treffen als een uiterst pijnlijk ongeluk, zoals de dood van iemand die we meer liefhadden dan onszelf, die ons het gevoel geven dat wij zijn verbannen naar de wildernis, ver van alle mensen, als een zelfmoordenaar. Een boek moet de bijl zijn voor de bevroren zee binnen in ons. Dat is mijn overtuiging.’

bron: The nightmare of reason. A life of Franz Kafka – Ernst Pawel, New York, 1984

Eva Gerlach: kruim

Α bitten cookie with crumbsbron foto: nl.123rf.com

Kruim

Wat heel is, kunnen wij niet zien, het is / te groot, het past ons niet en niet / in onze hoofden

maar wat aan mootjes, haksel is, verkiezeld / kruim, gepureerd, verstoven of ontbonden –

al het verdeelde zit voorgoed in ons.

Eva Gerlach (1948)

Uit: Niets bestendiger, Arbeiderspers Amsterdam 1998

Komrij beschrijft de hang naar het verleden

Gerit_komrij, wikipedia.nl

Schrijver en Dichter des Vaderlands, Gerrit Komrij woonde zelf in Portugal, in het dorpje Vila Pouca. Die ervaring inspireerde tot het schrijven van de roman Over de bergen, die in 1990 verscheen. bron foto: Wikipedia.nl

Vaak had hij ervan gedroomd hoe het moest zijn een andere eeuw binnen te stappen, niet om de huisraad, de kleding en de gebruiksvoorwerpen te zien, want die kende hij wel, die stonden rij aan rij geschaard in nauwgezet bijgestofte monumenten en in musea, maar om lijfelijk te voelen, te ruiken en te ondergaan, met inbegrip van alle door een noodzakelijke archivering en ordening weggemoffelde of zelfs ongemerkte verdwenen details, hoe die kleding erbij hing wanneer men ’s morgens een kast opende, hoe de stoelen in de kamer voor de visite waren klaargezet, op welke plaats in toog-en ladenkasten het dagelijks serviesgoed werd bewaard. Hij droomde ervan een lege sigarettendoos te zien rondslingeren, het verpakkingspapiertje van een bonbon. Een kam met negentiende-eeuwse haren. De krant van gisteren, 21 oktober 1898. Nu was het hem overkomen.

Dit was het wonder geweest dat hij had gezocht, deze kleine cirkel, dit bevroren eiland, zo omsloten en zo bevroren dat het hem niet eens deed denken aan een bepaalde periode uit de geschiedenis. Het had een voorwereldlijk aspect, er ging een archaïsche onbewoonbaarheid vanuit die met al haar dorheid voor hem in dit stadium van zijn leven iets troostends had. Het uitgestrekte Transmontaanse landschap, met zijn weinige lichten ’s nachts tegen de heuvelranden, met zijn bedrieglijke perspectieven die nu eens een gestalte in de verte op het silhouet van een reus lieten lijken, dan weer een dal dat dichtbij leek steeds verder van de wandelaar verwijderden, versterkte zijn indruk van een wereld die niet aan de gebruikelijke wetten gehoorzaamde. Zoals hij en zijn generatiegenoten tien jaar eerder door de beweging, de verandering, het naar buiten spattende in beslag waren genomen, zonder er vreugde in te vinden, zo was er nu een hang in hun geest naar beslotenheid en hielden ze zich onledig met de problemen van terugkeer en samenpersing. Maar het was de beslotenheid van de traditionele mensenwetten, de terugkeer naar de bewoonbaarheid waarvoor de meesten kozen, en wat Pedro had gezocht was deze haast dierlijke, steeds voortvluchtige gemeenschap. Ook het verleden vluchtte hier voor iemand uit.

Uit: Over de bergen – Gerrit Komrij, Arbeiderspers Amsterdam, 1990