Sofonisba Anguissola portretteerde zichzelf

Anguissola Sofonisba zelfportret 4Anguissola Sofonisba zelfportret 6

Een Italiaanse vrouw met een prachtige naam, Sofonisba Anguissola (1532-1625), en opmerkelijk, met een sterke loopbaan als kunstschilder. Deze vrouw uit Cremona kwam uit een adellijke familie, groeide op met 6 broers en zussen en was zeker niet voorbestemd om schilder te worden. Uiteindelijk lukte het haar om hofschilder te worden van de Spaanse koning Filip de Tweede. Wat haar ook bijzonder maak, is dat ze een twaalftal zelfportretten achterliet waarop ze te zien is van jong tot oud.

Atypisch voor de tijd waarin Anguissola acteerde is dat zij het schilderen zelf moest leren. In haar familie was schilderen niet gebruikelijk. Ze ging in de leer bij de schilders Campi en Gatti waar ze de techniek onder de knie kreeg. Haar werk kreeg snel naam en faam en haar roem bracht haar in contact met Michelangelo en, later, met Anthony van Dyck. Ze was reislustig en verkende haar land op eigen gelegenheid.

De Italiaanse beperkte zich in eerste instantie tot het schilderen van haar familie en zichzelf. Dat laatste was voor die tijd nogal ongewoon. Rembrandt maakte het een eeuw later tot een geaccepteerde kunstvorm. Het zelfportret was wel bekend (bij mannen als Dürer en Titian bijvoorbeeld), maar meer als handelsmerk en teken van kunnen. Bij de Italiaanse fungeerde het zelfportret als overbrenger van verscholen boodschappen. Zwart gekleed gaan als teken van bescheidenheid en waardigheid. Met een boek in de hand: intellect en belezenheid. Of al schilderend aan Maria en haar kind: kijk, ik ben nog maagdelijk.

Haar schilderen was technisch vooruitstrevend, ook omdat ze de grenzen van het porttreteren verschoof. Haar zelfportretten zetten zich af tegen de gewoontes van haar tijd. Die gewoonte was: de geschilderde vrouw is object en het schilderen daarvan doen mannen.

Haar ‘Zelfportret met Bernardino Campi’ (1550), is een zelfportret waarop haar leermeester haar schildert. Je denkt: ‘maar hier zie ik toch een man die een vrouw schildert’. Maar schijn bedriegt. Campi schildert de details van haar jurk, terwijl Anguissola zichzelf schilderde in volle glorie. Campi speelt een dienende rol in haar schilderij. Met de blik van nu: een 500 jaar oud statement tegen patriachale overheersing.

Anguissola Sofonisba zelfportret 1Anguissola Sofonisba zelfportret 3Anguissola Sofonisba zelfportret 5

 

Richard Minne: verweer tegen den winter

Verweer tegen den winter

Gij land van sneeuw en snerpend ijs, / wat heb ik van u te verwachten? / Boven het bosch begint de reis / der witte maan door al de nachten / en ’t is alsof de stilte kraakt. / In uwen grond, onder de zoden, / liggen huivrend mijn goede dooden, / terwijl mijn zieke ziele haakt / aan iedren droom, o Abisag! / gij die daar rust onder de tente, / in ’t roze gloren van den dag. / Waarom, gij land van snerpend ijs, / brengt gij uw zoon zoo van de wijs / en zucht ik altijd naar de Lente?

Uit: Wolfijzers en schietgeweren, Manteau Brussel, 1947

Minne, schrijfsgewijs.bebron foto: schrijfsgewijs.be

Richard Minne (1891-1965, Belgisch-Vlaams)

Zuiderent: Holland, ze zeggen…

Holland, ze zeggen…

De grond was dras. Wij zongen van / het puike gras. Wisten wij veel. / Eén eiland verder lag de Biesbosch

als bewijs. Slikken en gorzen / waren dichterbij. Ik kwam er nooit. / ‘k Zat in de klas, bezong een land / dat bijna onder water lag.

Mijn broer ging wel bij eb door kreken. / ‘k Geloofde niets van zijn verhaal. / Wind in het riet? Dat was mijn lied.

Mijn laarzen kwamen pas van pas, / toen er geen land, geen malse wei, / alleen maar water was. In huis. / Weken daarna nog lag er slik.

Zo mooi, dat land? Het einde van het lied. / De polder was verboden, de school / bleef dicht, ik bang, gezang verstomd.

zuiderent, literatuurplein.nlbron foto: literatuurplein.nl

Ad Zuiderent (1944)

Uit: Op het droge, Arbeiderspers Amsterdam, 1988

De wolf in Edna O’Brien’s Rode Stoeltjes

Mijn vader maakt me van een jongen tot een man. Dan komt er een wolf in onze buurt. We hebben hem niet gezien, maar we zijn gewaarschuwd. We weten dat hij van over de berg komt, waar de vijand woont. Twee nachten loopt hij om ons huis. We horen hem huilen, een geluid met niets te vergelijken, een wild gejank. Op een nacht janken onze honden in de schuur en mijn vader pakt zijn geweer van de muur en gebaart dat ik mee moet. Ik ben tien jaar. Ik kom niet boven de sneeuw uit. We lopen over een pad dat door de sneeuw gegraven is en op een heuvel zien we de wolf, hij staat doodstil naar ons te loeren met zijn gele ogen. Mijn vader kijkt langs de loop en ik verbeeld me dat ik nu nog de kogel hoor inslaan in de schoft van de wolf, naast zijn hart. Mijn vader kon heel goed schieten. Toen nog een, en nog een, en dan zakt de wolf door zijn poten en valt van de heuvel, het bloed donkerder rood dan rode wijn. Ik moet van mijn vader mee naar de plek waar de dode wolf ligt. Moet in zijn ogen kijken. Naar zijn flank kijken. Hem aanraken. Daarna moet ik het bloed van mijn vinger likken, en hij doet dat ook. Hij zet oorlogsstrepen op mijn voorhoofd en initieert me in het mysterie van het doden. Elke man heeft diep van binnen het instinct om te doden, zoals elke vrouw diep van binnen het instinct heeft om te verzorgen.

edna o'breinbron foto: irishamerica.com

Edna O’Brien (1930, Iers)

Uit: De rode stoeltjes, Bezige Bij Amsterdam, 2017; vertaling Paul Bruijn en Molly van Gelder

Een actueel boek, dit Rode stoeltjes. Maar vooral een indrukwekkende vertelling. Een boek over de oorlog op de Balkan, over de aard van het kwaad, de vluchteling en hoe die zich ver van zijn moederland moet zien te redden in een samenleving die zich met de rug naar hem toe draait. Over hoe liefde weer probeert alles op z’n pootjes te krijgen en mensen weer zin geeft en toekomst biedt. Een boek dat je weg moet leggen om bij te komen van de gruwel die mensen elkaar aan doen. Een boek ook dat verhaalt over sterke vrouwen. En een boek dat laat zien dat de dader gestraft wordt, altijd en overal. Heeft u meer aanbeveling nodig?

‘De grote Edna O’Brien heeft met De rode stoeltjes haar meesterwerk geschreven.’ Philip Roth

Pierre Kemp: naar Cythère

Cythère, vivreathenesbron foto: vivreathenes.com

Naar Cythère

Alle kinderen komen van Cythère, / een blank, een geel, een bruin, een zwart, een rood. / Zij zingen hun onnozelheid’s air / en ruiken naar de schoot. / Alle kinderen komen van Cythère / en dan gaan zij naar school. / Zij staan voor het gelaat van het middaguur. / Een kind, dat meer weet, ziet ze in ‘azuur’. / Zij hebben de klaproos al gezien. / Zij plukten de korenaar misschien / en merkten elkanders symbool. / Maar onnozel blijft hun groeiend air, / want straks gaan ook zij naar Cythère.

Pierre Kemp (1886-1967)

Uit: Verzameld werk, deel 2, Van Oorschot Amsterdam, 1976

Kat Bébert als personage in het werk van Céline

Bébert was de naam van de kat van de omstreden Franse schrijver L.F. Céline (1894-1961). Als in 1944 de schrijver Frankrijk moet ontvluchten vanwege zijn sympathie voor de Duitsers en vooral hun anti-semitische gedachtengoed, vergezelt zijn kat hem. Een barre tocht volgt door de puinhopen van het Derde Rijk. Over die tocht schrijft Céline een trilogie. Bébert krijgt in die boeken een belangrijke rol.

Over Bébert schreef Frédéric Vitoux (1944, Frans) een biografie, die eigenlijk een biografie over Céline is want: ‘De avonturen van Bébert bleken een afspiegeling te zijn, een verheldering te betekenen van die van zijn baas en zijn bazin’. In Bébert, de kat van Céline zien we de schrijver door de ogen van zijn kat en dat biedt verheldering.

bebert, voyages.ideoz.frBébert met links op de foto Céline; bron foto: voyages.ideoz.fr

In het hoofdstuk Portret van de kunstenaar als een straatkat probeert Vitoux antwoord te geven op de vraag: Is Bébert een personage?

Wat meteen opvalt is de veelheid van tegenstrijdige karaktertrekken. Bébert is beurtelings trouw en onberekenbaar, aanhankelijk en knorrig, strijdlustig en gelaten. Het lijkt of Céline de waarachtigheid van het personage, anders gezegd zijn eenheid, opoffert aan het genoegen van een toevallige waarneming. Alsof Bébert alleen maar op een bepaald moment bruikbaar mocht zijn. Om de geloofwaardigheid van het verhaal zeker te stellen of om de coulissen van de handeling te verkennen. Maar ook om het voor de andere personages mogelijk te maken op hem te reageren, zich uit dramatisch en psychologisch oogpunt van hem te onderscheiden.

En toch biedt Bébert al deze confrontaties het hoofd. Hij blijft hoe dan ook aanwezig. Céline zuigt het zeker niet uit zijn duim. Als iets abstracts. Nee hij is niet – of niet alleen maar – een personage dat slechts als voorwendsel dient. En bovendien zijn de tegenstrijdige karaktertrekken die wij zoëven hebben blootgelegd niet echt onverenigbaar. Eén woord is voldoende om alle tegenstellingen op te heffen, en dat woord is grilligheid.

Misschien is Bébert gewoon een grillige kat…

De volgende vraag die Vitoux probeert te beantwoorden is: In hoeverre lijkt het personage Bébert op de schrijver zelf?

Natuurlijk valt het portret van Bébert niet altijd samen met dat van zijn baas (waarbij men ook nog onderscheid dient te maken tussen verteller en held). Maar hoe het ook zij, zelfs de manier waarop het portret van Bébert is bijgewerkt heeft een bedoeling. Het verraadt het ideaalbeeld dat Céline van zichzelf zou willen geven.

Bébert is gelaten, dat wil zeggen scherpzinnig. Céline ook. Natuurlijk ligt de grens van hun gelatenheid iets anders. De kat laat zich, heen en weer slingerend in zijn weitas, van de ene trein naar de andere sjouwen. Céline slooft zich uit om naar het noorden, Denemarken te komen. In zijn vasthoudendheid verzint hij talloze foefjes, overwint hij talloze hindernissen. Maar tegenover gevaar – bombardementen, arrestatie, opsluiting, hongersnood… – vind je bij hem hetzelfde pessimisme, dezelfde afschuwelijke helderheid ten aanzien van de ijdelheid van zijn pogingen. Ook Céline ontkomt niet aan de ellende. En zijn reis krijgt een beetje het aanzien van een lange omzwerving.

Uit: Bébert – Frédéric Vitoux, Arbeiderspers Amsterdam, 1987; vertaling Jan Versteeg

Valken hebben geen naam

bron (YouTube)video: Kees Vanger

– Ik weet het nest van een valk…

Gerhard antwoordde niet.

Inderdaad had ik een dag of wat tevoren het nest van een valk ontdekt; in de duinen achter het circuit. Vier bruin-zwart gevlekte eieren. Ik wist niet of het hem iets zou zeggen, maar het was een vondst die ik tot dan toe voor iedereen geheim had gehouden.

-Er zit er een op de kerk hier, zei Gerhard.

-Ja, dat is Appi, antwoordde ik dadelijk.

Hij keek me daarop aan en zei wijs: -Valken hebben geen naam.

-Nee, daar heb je wel gelijk in.

-Waarom zeg je dan dat hij Appi heet?

Ik zweeg.

De valk op de kerk heette eigenlijk Abbedeus, maar het leek me zinloos om dat te gaan uitleggen.

Toch scheen hij even geïnteresseerd.

-Waarom zit je altijd alleen, Gerhard, vroeg ik toen.

Hij zweeg.

Daarop ging de bel en werden de kinderen vanaf de speelplaats de school ingezogen. Gerhard stond op en liep weg.

Uit: Valken hebben geen naam – L.H. Wiener; uit: Niet aaien, Contact Amsterdam, 1997

Gerbrandy: vriend. minnaar van een hand

Vriend. Minnaar van een hand

Vriend. minnaar van een hand

vol vrouwen. Zoon en vader. Milde / meester van dozijnen willenden. / Luisteraar en blazer van verhalen.

Lezen van wat speelt in huid en haren. / Eter van wat groeit en goede drinker. / Slaper van een droom die leden licht

maakt ziener van wie schemervluchtig / takken strelen voor ze verder gaan.

Groeter van wie blijven waar nog kan.

gerbrandy, tessa posthuma de boer, nrcfoto: Tessa Posthuma de Boer; bron foto: nrc.nl

Piet Gerbrandy (1958)

Uit: Drievuldig feilloos vals, Meulenhoff Amsterdam, 2005

De (onregelmatige) dosis Nabokov

Uit: Bachmann

Bachmann liep altijd met snelle passen het toneel op, alsof hij ontsnapte aan een vijand – of gewoon aan opdringerige handen. Hij negeerde het publiek en haastte zich naar de piano. Dan boog hij zich over de ronde kruk en begon met tedere zorg aan de schijfvormige, houten zitting te draaien, om die tot op de millimeter nauwkeurig in de gewenste stand te brengen. Daarbij deed hij zacht en ernstig in drie talen een beroep op de kruk, onafgebroken zoete woordjes prevelend. Zo bleef hij een hele poos bezig. In Engeland was het publiek geroerd, in Frankrijk geamuseerd, in Duitsland geërgerd. Had Bachmann de juiste hoogte eenmaal gevonden, dan gaf hij de kruk een liefkozend tikje en ging zitten, met de zolen van zijn oude lakschoenen de pedalen zoekend. Vervolgens haalde hij een enorme, groezelige zakdoek te voorschijn, wiste daar heel zorgvuldig zijn handen mee af en inspecteerde onderwijl met een ondeugende en tegelijk timide glinstering in zijn ogen de voorste rij. Ten slotte bracht hij heel zacht zijn handen naar de toetsen. Maar plotseling begon er dan onder zijn ene oog een getergd spiertje te trekken en, klakkend met zijn tong, klom Bachmann weer van zijn kruk om nogmaals aan de zoetjes knerpende schijf te draaien.

Het is een beeldende beschrijving van een situatie (concertgebouw, pianist komt op, de zaal in afwachting en spanning), maar evenzeer een typering van een karakter. De pianist in kwestie voelt zich niet senang op het podium. Negeert het publiek en zoekt zijn heil in het detail dat goed moet zijn voor hij aan de slag kan. Woordjes prevelend om de situatie (podiumvrees?) te meesteren. Dan is er de groezelige zakdoek en zijn er de oude lakschoenen, ook hier: show don’t tell. Als lezer snap je dat hier een virtuoos met een tic opereert.

Bachmann weet dat zijn doen en laten effect heeft op zijn publiek: de ondeugende en tegelijk timide glinstering in zijn ogen getuigen daarvan.

Als lezer voel je de spanning en dan komt het: op het moment dat er gespeeld kan gaan worden, is er het trekkende oogspiertje, de klakkende tong en keren we terug naar het krukjes-ritueel. Nabokov speelt met mij als lezer een mooi spel: verwachting, spanning en de vraag: hoe gaat dit verder? Ondertussen leren we ook nog iets over het karakter van 1 van de hoofdpersonages in dit verhaal. Nabokov bedient mijn leeslust.

In dit verhaal voert Nabokov een verteller op, die ons bijpraat, terwijl de schrijver zelf ontbrekende informatie verschaft. Pianist Bachmann is een excentriekeling en onaangepast. In dit verhaal brengt Nabokov twee excentrieke figuren samen want het verhaal gaat over de pianist Bachmann en 1 van zijn bewonderaars, mevrouw Perov. Beiden onaangepast en dus tot elkaar veroordeeld. Bachmann heeft de zorg van mevrouw Perov nodig om zijn angsten te bezweren en om de nodige stabiliteit in zijn leven te verwerven. Dat het verhaal toch geen goed eind heeft, ligt in de lijn der ontwikkelingen. Maar de weg naar dat eind, is een lezenswaardige en toont waarom Nabokov een meester is. In de ruim 10 pagina’s die het korte verhaal beslaat, krijgen we een spannend, realistisch, karaktervol, kleurrijk, muzikaal en overtuigend verhaal voorgeschoteld. En zoals veel bij de Russisch-Amerikaanse schrijver heeft ook dit verhaal een link naar de werkelijkheid.

de pachmann, wikipedia.org

Het verhaal gaat dat Nabokov Bachmann heeft geschapen naar het voorbeeld van de Russisch-Duitse pianist Vladimir de Pachmann (1848 – 1933). Deze virtuoze vertolker van de werken van Chopin,  kende Liszt als 1 van zijn bewonderaars. Van De Pachmann was bekend dat hij last had van podiumvrees. Dat uitte zich in gepruts aan piano en kruk en het flirten met het publiek.

 

bron foto De Pachmann, wikipedia.org