Buddingh’: acht regels tegen de bierkaai

Acht regels tegen de bierkaai

een klare ruimte / een woud van donker en licht / een heldere ruisende handpalm

een dag zo mooi als een vloot van rum / een nacht om eeuwig te zoenen

een kegel blauw / die de messen der mensen / aan roestbezoedelde schijven snijden

buddingh, ad.nlbron foto: ad.nl

Cees Buddingh’ (1918-1985)

Uit: Het mes op de gorgel, Bruna Utrecht, 1960

Peter Swanborn: antwoord

Antwoord

Iedere passant die ik bij de ogen grijp, stel ik voor / om mee te gaan. Niet ver, geen uren, gewoon / een stukje lopen, langs het water, de kade.

Ik zeg niet dat ik moe ben, dorst heb, dat er vandaag / geen keuze is. Terloops raak ik haar arm aan, zijn / hand, en herhaal: gewoon een stukje lopen.

De man spuugt, de vrouw slaat om zich heen. Alleen / een hond met een oude vacht staat op, schudt z’n / haren en loopt mee tot het eind van de vraag.

peter swanborn, vimeo.combron foto: vimeo.com

Peter Swanborn (1963)

Uit: Het huis woont in mij, Podium Amsterdam, 2013

Een klein uurtje het beste van Chet Baker

Jazz-trompetist Chet Baker (1929-1988, USA) was een grootheid. Zong zoals hij speelde of andersom. Zijn klanken zijn zoetgevooisd, melancholisch.

Begin jaren vijftig was Baker een van de sterren van het Gerry Mulligan Quartet. Met het Chet Baker Quartet maakte hij West Coast Jazz. Hij is een exponent van de cooljazz-school van de Amerikaanse Westkust in de jaren vijftig. Vooral de platen waarop hij zowel trompet speelt als zingt maakten hem tot een idool.

Zijn muzikale loopbaan was getekend door een heroïneverslaving. Hij werd een aantal keren opgepakt voor overtredingen van de narcoticawet. Nadat hij in elkaar was geslagen en zijn voortanden had verloren, stopte hij langere tijd met spelen.

Door zijn overmatig drugsgebruik, vroege dood en charismatische uitstraling staat Baker ook bekend als “de mooie jongen met wie het verkeerd afliep”. Niettemin bleef hij musiceren, vaak op een zeer hoog niveau.

In de nacht van donderdag 12 op vrijdag 13 mei 1988 viel hij, waarschijnlijk onder invloed van drugs, uit een raam van het Hotel Prins Hendrik op de Prins Hendrikkade 55, vlakbij de hoek van de Warmoesstraat met de Zeedijk, te Amsterdam. Baker werd 58 jaar oud. Amsterdam vernoemde in 1990 een straat naar hem.

Jan Vercammen: Acoustica

meteora_trikala2, greeceTrikala, Griekenland; bron foto: web-greece.gr

Acoustica

Geen stroom, geen strand ruist zo herkenbaar / als mijn moede bloed dat ik beluister in / zijn menigvuldigheid: een woud, een schaar, / een firmament, een onbeperkte sluiervin,

een nachtelijke morsezin, een radarscherm, / een volle teleskoop, een open oven brood, / een trein naar Trikkala, een bijenzwerm. / Niets boeit als dit verkennen van de dood.

Jan Vercammen (1906-1984, Belgisch-Vlaams)

Uit: Magnetisch veld, Colibrant Deurle, 1967

Joni Mitchell in 7 songs

Joni Mitchell (1943, Canadees) werd bekend als singer-songwriter in de jaren 60, vorige eeuw. Eigenwijs, niet in een hokje te duwen en intelligent. Mitchell is 1 van de weinige popmuzikanten die over genialiteit beschikt. Haar muziek ontwikkelde zich van gitaar naar jazzy-achtige kamerpop tot aan georkestreerde werken. Haar teksten zijn raak en altijd van niveau. Haar optredens maakten indruk. Haar levensverhaal is al even opmerkelijk. Als lid van de Woodstock-generatie onderhield ze contacten met David Crosby en Neil Young. Haar invloed is groot. Veel vrouwelijke singer-songwriters zijn veel aan haar verschulidigd, hetzij tekstueel of aan haar manier van voordracht. Tot 1 van haar grote fans behoorde ook Prince. En ook in de Amerikaanse hiphop-scene was Joni Mitchell geliefd en werd haar werk geciteerd.

 

Voorbij de Boekenweek: een moedergeschiedenis uit Portugal

U heeft er vast over gelezen of over gehoord: het thema van de afgelopen Boekenweek was: de moeder, de vrouw. In het kader daarvan was er extra aandacht voor moeder-verhalen in de literatuur.

Ik had nog een ongelezen boek van de Portugees-Nederlandse schrijver J. Rentes de Carvalho. In Ernestina beschrijft Rentes de Carvalho zijn eigen familiegeschiedenis met veel aandacht voor de historie van zijn moeder Ernestina. Het is krachtige kroniek van een famiie die zijn roots heeft in het Portugese noorden daar waar de bergen het bestaansritme bepalen.

Op het moment van schrijven vraag ik uw aandacht voor twee zaken: een beschrijving van de roerige tijd die een omwenteling in het leven van de (groot)ouders zou veroorzaken en, de conceptie van de schrijver zelve, die ik komisch vond.

Automobielen? Trams? Schepen? Alles was nieuw, overweldigend; toch moet het haar, hoe klein ze ook was, pijn hebben gedaan dat ieder wonder, iedere nieuwigheid haar bruusk te kennen gaf hoe weinig ze wist van de grote wijde wereld. Wellicht daarom zou ze gesloten worden, wars van veel praten en het stellen van vragen; met dolkomosche of nogal vervelende gevolgen, soms zou het jaren duren voor ze iets ontdekte wat ze door een simpel vraagje meteen had kunnen weten.

Driftig en dwars was ze van zichzelf al, en de eeuwige aanvaringen met haar moeder zullen daar nog het nodige aan hebben toegevoegd, maar de plotselinge omschakeling van het dorp naar de grote stad, van het donker naar het elektrische licht, van de Middeleeuwen naar de twintigste eeuw, heeft ongetwijfeld ook een steentje bijgedragen aan het wantrouwen dat ze ontwikkelde, altijd en overal op haar hoede, haar hele leven als de dood voor fouten en bdrog.

(..)

En toen het dorpsfeest. Die avond moeten mijn verwekkers er eindelijk in geslaagd zijn hun remmingen opzij te zetten. De hoop dat hun leven binnen afzienbare tijd zou veranderen zal daarbij wel geholpen hebben, maar hoogstwaarschijnlijk zijn het toch vooral de euforie en de glaasjes likeur geweest, gedronken om de heilige te vieren en de maag wat te verlichten van het vele eten, die hen de zonde van incest deden vergeten. En omdat 10 augustus, de dag waarop het feest van Estevais wordt gehouden, en 15 mei, de dag waarop ik geboren ben in Vila de Gaia, min of meer negen maanden liggen, is de kans groot dat ik verwekt ben op de dag van Sint Laurentius van 1929. Halleluja!

Uit: Ernestina, Pandora, Contact, Amsterdam, 2001; vertaling Hariie Lemmens

rentes de caravalhoJ. Rentes de Carvalho (1930, Portugees)

Gerbrandy: je kunt nog wat gaan huilen…

Je kunt nog wat gaan huilen…

Je kunt nog wat gaan huilen om je / liefste.

Er is nog soepel bijtvlees achter oksel / smaak van kruis in je morgen slik / van slok stemklippen voorzichtige / borsten om tot middag te onthouden.

Je kunt nog wat gaan zeulen met je / liefste.

Er zijn nog plekken die herkenbaar / dienen tot beoefening poel bloemtuin / moerzoom boomloze vlakte waar / dingen konden vergeten.

Je kunt nog wat gaan halen voor je / liefste.

Er is nog tijd voor aks aan voet / van uitbundig ontbindende appel / om ruimte voor zon te ontwerpen / tot witbier zijn bloesem bevrijdt.

Je kunt nog even weg zo lang je / liefste.

Uit: drievuldig feilloos vals, Meulenhoff Amsterdam, 2005

maxresdefaultbron foto: YouTube

Piet Gerbrandy (1958)

Szymborska: familiealbum

Familiealbum

In deze familie is niemand van liefde omgekomen. / Er is wel heel wat gebeurd, maar niets mytisch. / Romeo’s met tbc, Julia’s met difteritis? / Sommigen werden pas op hoge leeftijd weggenomen. / Onbeantwoorde brieven, nat van tranen, / eisten nooit een mensenleven. / Uiteindelijk waren er altijd buren die kwamen, / met rozen en een pnce-nez. / Geen minnaar die in de antieke kast is gestikt / omdat haar man plots in de kamer stond! / Met franjes en freesjes, geregen, gestrikt – / zo staan allen op de foto, kerngezond. / Nooit heerste de hel van Bosch in hun zielen! / Niemand rende de tuin in met een geweer! / (Er waren er die met een kogel in hun schedel vielen, / maar dat hoort thuis in een andere sfeer.) / En zij met die extatische knoet en die lok, / met ringen onder de ogen als na een bal, / voor heen in een grote stroom bloed, / maar niet naar jou, danser, niet uit wrok. / Dramatisch was het misschien vóór de daguerreotype, / maar niet bij hen in het album, zover ik weet. / Tranen werden weggelachen, dag voor dag vergleed, / en zij, getroost, zij stierven aan de griep.

Familiefoto.-collectie-Majoor.-Groningen-1.max-2880x1600familiefoto uit de collectie Majoor, Groningen

Uit: Grote pret, Meulenhoff Amsterdam, 1967; vertaling Gerard Rasch

Bette Pesetsky beschrijft de komische kanten van het falen

Bette-Pesetsky, llanotreview

bron foto: ilanotreview.com

Bette Pesetsky (1932, USA) was voor mij een onbekende. Ik las haar verhalenbundel Verhalen tot op zekere hoogte en was onder de indruk. De Amerikaanse studeerde scheikunde en Engels voordat ze ging schrijven. In 1982 verscheen deze bundel als haar eersteling.

De verhalen zijn kort, krachtig en een soort flitsen van levensgeschiedenissen. In alle verhalen is een vrouw de hoofdpersoon. Vaak afkomstig uit een gebroken gezin met dominante ouders. Echtscheidingen, problemen op het werk, weglopende kinderen, verbroken contacten zijn vaak terugkerende thema’s. Verlies, verraad en desintegratie. De hoofdpersonen verzuipen in emoties. Hun leven is een beklemmende hel waar de gevoeligheid beschermd wordt door harde, ironische humor. Oftewel de komische kanten van het falen. Het is ook nadrukkelijk de achterkant van het Angelsaksische model waarin men dromen najaagt en scheiding en werkeloosheid op de loer liggen. Presteren (3 maal).

Wat mij aansprak is de toon en haar stijl. De verhalen hebben een enorme vaart. Ze lezen als een soort telegrafische boodschappen. Haar toon deed me erg denken aan Charlotte Mutsaers. Een unieke kijk op de wereld en verbeelding van haar perspectief waarvan ze mij snel deelgenoot maakte. Ik heb veel en vaak moeten glimlachen want haar humor is subtiel en venijnig. Haar hoofdpersonages zijn slachtoffers maar maken er het beste van. Humor en een innemende kwetsbaarheid zijn hun wapens.

Na het werk ga ik naar een bar met drie mensen van mijn kantoor. Eén glaasje, zeg ik. Ze wonen allemaal op de Upper West Side. Er is niemand op ons kantoor die niet op de Upper West Side woont. Behalve ik dan, natuurlijk. Treinen, treinen, zegt iemand. Hoe lang doe je er nu over om naar de stad te komen? Veertig minuten, zeg ik. Een man fluit. Zo lang doe ik er over om een stijve te krijgen, zegt hij.

(..)

Als de dag op kantoor ten einde is, haast ik me naar het station. Er zijn twee treinen. Als ik ren, haal ik de eerste. Als ik niet ren, moet ik vijfentwintig minuten wachten. Mijn auto staat op de parkeerplaats aan de andere kant. Van station tot huis duurt vier minuten. Arnold kon vier keer een stijve krijgen in de helft van de tijd.

De meeste mensen bij mij op kantoor zijn minstens één keer gescheiden. Iedere nieuwe scheiding wordt gevierd. We zijn de norm, zeggen we. ’t Is niet onmogelijk dat ik degene ben die het vaakst gescheiden is. Ik geloof dat in gesprekken buiten mijn aanwezigheid is uitgemaakt dat de schuld altijd bij mij lag. Niemand zegt me dat in mijn gezicht. Ik leid het af uit de stiltes.

Uit: De parade trekt voorbij; uit: Verhalen tot op zekere hoogte, Meulenhoff Amsterdam, 1983; vertaling Mea Flothuis