Erika Dedinszky: ijstijd

IJstijd

dit wordt de eeuw van ’t grauw

de tijd wringt / los en al losser zit ’t vlees om ’t bot/ de bomen dragen armbanden van rubber / vooruitzichten beslaan / en zelfs ’t licht smaakt wee als sperma, en lauw

je raakt verdoofd gewend tevreden

verloor immers spel na spel / en spelers aan spelers / met als slijmerige inzet: jouw Leed jouw Verleden

en irriterend ben je nou als ’n schaamluis met z’n / miljarden miniatuurdroppels van schier onoverwinnelijke neten

en steeds weer is ’t antwoord: naaien, in plaats van strelen / en spreken, in plaats van praten / en kijken, niet zien

een ijstijd begint met kou / in het vlees de loop de lach de ogen / in zinsbouw en stedenbouw

de ijstijd begint met de kou

erika dedinzsky, wikipedia

bron foto: hu.wikipedia.org

Erika Dedinszky (zie artikel via bijgaande link)

https://www.groene.nl/artikel/vergeten-dichter-erika-dedinszky

Uit: De ijstijd begint met de kou, In de Knipscheer Haarlem, 1980

Gabriel García Márquez over de boekhandelaar

Een zonder meer ongunstige factor voor de leesgewoonte is dat de laatste goed geïnformeerde en goed informerende boekhandelaren al een tijdje dood zijn en dat boekwinkels steeds minder het centrum van namiddagbijeenkomsten zijn. Je had je eigen boekhandelaar zoals je je eigen huisarts en je eigen tandenborstel had. De professionele boekhandelaar was iemand die zelf in zijn zaak stond, zoals de tandarts in zijn behandelkamer, en door alleen maar de catalogus te lezen wist hij in welke boeken elk van zijn klanten geïnteresseerd was. Zelden vergiste hij zich. Je ging dus naar de bijeenkomst van zes uur en dan lag daar al een stapeltje nieuwe uitgaven klaar dat voldoende was om je een maand lang tot diep in de nacht aangenaam bezig te houden. Tegenwoordig zijn de boekwinkels grote, opzichtige fabrieken van pas verschenen boeken, die vervaardigd zijn om in één klap verkocht te worden en als tijdverdrijf te lezen om ze daarna in de prullenbak te gooien. Zelfs het herlezen van boeken is een moeizaam genot, want je gaat naar de boekwinkel om een boek aan te schaffen dat twee jaar geleden opgang maakte en niemand weet er iets over te zeggen. Als er één plaats is waar je kunt zien hoe de wereld veranderd is, dan is dat niet op een lanceerbasis voor satellieten, maar in de boekwinkel op de hoek. Als hij er nog is.

Uit: Welk boek lees je?, 1983; uit: De zee van mijn verloren verhalen, Meulenhoff Amsterdam, 1997; vertaling Francine Mendelaar en Mieke Westra

garcia marquez, culturetripbron foto: theculturetrip.com

Gabriel García Márquez (1927-2014, Colombiaans)

Robert Creeley: ik ken een man

Ik ken een man

Zoals ik al zei tegen mijn / vriend, omdat ik nooit / mijn mond hou – John, zei

ik, al heette hij niet / zo, we worden omringd / door het duister, wat kunnen we

er anders aan doen dan, & / waarom ook niet, een / te gek grote auto kopen,

en rijden, zei hij: gods / kolere, kijk toch / uit je doppen.

Robert-Creeley-parisreview.org

bron foto: theparisreview.org

Robert Creeley (1926-2005, Amerikaans)

Uit: For love, poems 1950-1960, Charles Scribner’s Sons New York, 1960; vertaling Peter Nijmeijer

Het garnalenkroketje als bijvangst bij A.L. Snijders

Toen er iets gezocht werd wat weg was, werd de driezitsbank opzij geschoven. Het iets werd niet gevonden, maar er was bijvangst (een woord op het randje): een dobbelsteen, een stukje lego en een gekreukt papiertje met een aantekening in mijn handschrift:

De mystieke  paardenknecht uit het land waar schitterende paarden goedkoop zijn. (en die het liefst garnalenkroketjes eet)

Terwijl ik zat te denken over de herkomst van deze woorden, bracht de post de nieuwe bundel van Jan Glas, met wie ik een paar weken geleden gastcurator was in het Museum voor Moderne Kunst in Arnhem. Ik was gefascineerd door zijn gedichten en bedelde om de bundel die in de maak was. Het resultaat werd door de postbode gebracht. Ik sloeg het boekje open op pag 34: “De nachten zijn zacht, zeg ik.”

Ik reisde naar een land waar een man / beoordeeld wordt op de hoeveelheid drank / die hij kan betalen. / Het leven is hier goedkoop. / Ik zou mijn moeder nog bellen.

Ze vraagt of ik het ’s nachts niet koud heb. / ‘De nachten zijn zacht, zeg ik, / ‘maak je geen zorgen.’

Dit zijn de eerste strofen, er volgen er nog vier. Ik vraag me af of Jan Glas in het land van de mystieke paardenknecht is geweest, en of hij van garnalen houdt.

Uit: Wapenbroeders – A.L. Snijders, afdh Enschede, 2012

A.L. Snijders (1937, Amsterdam)

A_Fotor al snijdersbron foto: wikipedia.org

Koos Schuur: verlaat je huis!

Verlaat je huis!

Verlaat je huis! Vergeet wie achterbleven! / Verwissel eens per week van jas en hoed!

Loochen de woorden die je ooit geschreven / hebt. Schrijf niet meer! Zorg dat je niemand groet!

Spreek tegen niemand, ook niet in de treinen: / zeg hoogstens dat het weer wel warmer kon of / dat de zon wat minder fel moet schijnen.

Je naaste buurman is misschien spion.

Wees nooit bevreesd! Laat nooit je onrust blij- / ken en blijf nooit staan bij ongeluk of brand!

Tracht iedere controle te ontwijken en als het / niet kan, hoest je achter je hand!

Vergeet dit lied, dat ik niet heb geschreven, / want ik ben niemand en niemand kent mij.

Onthoud dat velen thans onzichtbaar leven; / om hen te helpen leven ik en jij.

Koos Schuur (1915-1995, Veendam)

koos schuur, dnb.nlbron foto: dbnl.org

Ellen Warmond: naar men zegt

Naar men zegt

Naar men zegt is dit / het leven der wijzen:

niet meer bewegen stilstaan als een berg / zeer ouderwetse liefdesbrieven lezen / een kerkboek kopiëren zonder lachen / bij willekeurige voorbijgangers / naar hun gezondheid informeren

1 boek bezitten met het alfabet / letter voor letter op een ander blad geschreven / daar lang in lezen / dan tevreden als een varen / het lichaam samenvouwen / en gaan slapen.

ellen-warmond, vpro.nlbron foto: vpro.nl

Ellen Warmond (1930-2011, Rotterdam)

Uit: Mens, een inventaris, Querido Amsterdam, 1969

Een Deense beschrijft de mannelijke Russische ziel

‘Ik ken Tsjechov en Dostojevski,’ begon mrs. Arild terwijl ze Serjozja recht aankeek, haar armen om de leuning van het bankje geklemd, ‘en ik ben al bijna vijf maanden in Rusland. Jullie zijn erger dan de Fransen. Bij jullie wordt de vrouw per se een slecht geheim toebedeeld om in haar bestaan te kunnen geloven. Alsof zij reëel uitgebeeld iets kleurloos is, net als water. En wanneer ze dan als een schandaleuze schim ergens vanuit de diepte te voorschijn komt, ligt de zaak anders; over dat silhouet wordt niet getwist, dat kan niet genoeg geprezen worden. Op het Russische platteland ben ik nog niet geweest. Maar in de steden bewijst jullie zwak voor donkere steegjes dat jullie niet een eigen leven leiden en dat iedereen op zijn manier dat van een ander begeert. Bij ons in Denemarken is dat niet zo. Wacht, ik ben nog niet klaar…’

Uit: De laatste zomer – Boris Pasternak, Hema Amsterdam, 1989; vertaling Chris Koopmans

boris pasternakbron foto: pinterest.com

Boris Pasternak (1890 – 1960, Russisch)

Jeugd Gerrit Komrij: ‘het is of je achterwaarts leeft’

komrij jeugd 2019-05-05 at 19_Fotor

‘Ik vind het – om het mild uit te drukken – nogal onprettig om oude foto’s te bekijken. Ik voel ook altijd de aandrang krijsend weg te rennen, met mijn ene hand mijn haren uitrukkend en me met mijn andere pathetisch op de borst trommelend, als mensen weer eens beginnen herinneringen aan vroeger op te halen. Steeds dezelfde herinneringen. Het is of je achterwaarts leeft, met je rug naar morgen staat. Misschien dat sommigen daardoor de dood (die komende is) een poets denken te bakken, maar voor mij is de walm van nostalgie al net zo verstikkend als de dood.

Er zijn ongetwijfeld veel lessen uit het verleden en de geschiedenis te trekken, maar bewaar me voor dat deel waarin ik zelf rondliep, waaraan ik bijdroeg door bij voorbeeld harteklop, bloedneus, zondagmiddagverveling. Het is bevroren, het staat onder een stolp, en er is een moratorium voor afgekondigd tot aan mijn sterfuur. Probeer het te ontdooien, tik ertegen – en de ontbinding treedt in. Om niet ten prooi te vallen aan de Ontzetting kijk ik naar deze foto als naar een schaakbord, een anatomische les, een oude veldkaart. Het is duidelijk een kiekje van een radiodistributietoestel (‘draadomroep’). Een man die mijn vader moet zijn staat zich te scheren (‘Philips-eitje’) in de buurt van het enige stopcontact. Of slaat hij een borrel achterover? Zijn crapaud wacht in elk geval tot hij klaar is. Een vrouw die mijn moeder moet zijn zit bij een box. Een jongen die ik moet zijn leest in een Prisma-woordenboek. Engels-Nederlands? Nederlands-Engels? Hij is een jaar of tien en heeft geen jongere broers of zusjes. De box is voor het dochtertje van een zuster van zijn moeder. Zijn moeder verzorgt het kind tijdelijk, omdat haar zuster – zijn tante – in het gesticht zit (Het Groot Graffel, Warnsveld). So what?

Uit: De gevoelige plaat, Lisa Kuitert & Mirjam Rotenstreich, Nijgh & Van Ditmar Amsterdam, 1995

Richard Minne: verweer tegen de winter

Verweer tegen de winter

Gij land van sneeuw en snerpend ijs, / wat heb ik van u te verwachten? / Boven het bos begint de reis / der witte maan door al de nachten / en ’t is alsof de stilte kraakt. / In uwen grond, onder de zoden, / liggen huivrend mijn goede doden, / terwijl mijn zieke ziele haakt / aan iedren droom, o, Abissag! / gij die daar rust onder de tente, / in ’t roze gloren van de dag. / Waarom, gij land van snerpend ijs, / brengt gij uw zoon zo van de wijs / en zucht ik altijd naar de Lente?

Richard Minne_flandersliterature.bebron foto: flandersliterature.be

Richard Minne (1891-1965, Belgisch-Vlaams)

Uit: Wolfijzers en schietgeweren, Manteau Brussel, 1942