Pépé le Moko: het begin van veel filmplezier

De Franse film Pépé le Moko (1937) is een klassieker. Om een aantal redenen: het is de eerste gangsterthriller die van invloed zou zijn op latere (Amerikaanse) soortgelijke films. Het is het begin van wat we de film noir (ingrediënten: de hardboiled detective tussen de femme fatale en de goede (huwende) vrouw) zijn gaan noemen. En het is het eerste filmverhikel waardoor acteur Jean Gabin (1904-1976, Frans) zich internationaal in de kijker speelde. Gabin zou met zijn onderkoelde acteerprestatie latere Amerikaanse grootheden als Humphrey Bogart, Edward G. Robinson en Robert Mitchum beiïnvloeden.

Het verhaal in het kort: Een van moord verdachte gangster duikt onder in de kasbah van Algiers, tot hij verliefd wordt op een frivole Parijse toeriste. Om haar terug te zien komt hij uit zijn schuilplaats en wordt gearresteerd.

De film is een sfeervolle milieutekening en kent een reeks knap gespeelde bijrollen. Het camerwerk is dynamisch en de locatie (de Algerijnse kasbah) is met stijl benut als voorname bijdrage aan sfeer en stemming. Regisseur Julien Duvivier schreef ook het scenario naar de roman van schrijver Roger d’Ashelbe.

Advertenties

Slauerhoff: de voortekenen

De voortekenen

vogels op zee, ad van duren

foto: Ad van Duren, natuurfotograaf

Witte ijsvogels wiegen / Zich op zee en twijgen dichtbij. / Zij wijst ze en roept met helle / Bekoringsstem: “Zij voorspellen / Geluk!” / Maar ik zie verder: van het bergenjuk / Komt een donkere stip neersnellen, / Een zwarte vogel voegt zich er bij.

Uit: Verzamelde gedichten, Nijgh & Van Ditmar Amsterdam, 1999

J. Slauerhoff (1898-1936, Leeuwarden)

Portinari schilderde de Braziliaanse ziel

portinari 2portinari 4portinari 6Cândido Portinari (1903 – 1962) was een Braziliaanse kunstschilder.

Hij werd op een koffieboerderij in het binnenland van de deelstaat São Paulo geboren en bracht zijn jeugd door in het kleine plaatsje Brodowski. Zoals veel Brazilianen in die tijd waren zijn ouders Italiaanse immigranten.

Als telg uit een arme familie volgde hij slechts de lagere school. Toch liet hij vanaf zijn kindertijd zijn artistieke roeping blijken (hij schilderde al vanaf zijn 9-de jaar) en zijn lage vooropleiding weerhield hem er niet van om in 1918 een plaats te verwerven op de Escola Nacional de Belas Artes (ENBA) in Rio de Janeiro. In 1928 eindigde hij op een concours als eerste en won hij een reis naar Parijs waar hij tot 1930 zou blijven.

portinari 1portinari 3portinari 5In het jaar van zijn terugkomst ontmoet hij de negentienjarige Uruguayaanse Maria Victoria Martinelli met wie hij de rest van zijn leven zou delen. Om zijn jonge gezin te kunnen onderhouden begon hij in 1931 met het schilderen van de portretten. In 1935 neemt hij met zijn werk CAFÉ deel aan een expositie van het Carnegie Instituut in Pittsburgh waar het een eervolle vermelding krijgt. Het schilderij laat een koffieplantage zien zoals die algemeen waren in de regio waarin hij woonde.

Hij werd lid van de Braziliaanse communistische partij en stelde zich verkiesbaar als senator in 1947. Vanwege de vervolging van Communisten moest hij kort daarna naar Uruguay vluchten. Hij keerde terug naar Brazilië in 1951 maar gedurende de laatste 10 jaar van zijn leven zou hij aan een slechte gezondheid lijden. In die tijd schilderde hij in opdracht voor het gebouw van de Verenigde Naties in New York twee enorme muurschilderingen.

Portinari stierf op 58-jarige leeftijd aan loodvergiftiging. De loodverbindingen in zijn verf zijn hem uiteindelijk fataal geworden.

Schermafbeelding 2019-06-24 om 13.21.09

Voor een beknopte weergave van leven en werken van deze grote Braziliaanse schilder kopieer en plak deze link: https://g.co/arts/HqWPp5GoJZjRLe5s5

S.Vestdijk: narcissus

Narcissus

De avondwind schudt blaad’ren droog, er stromen / Rimp’lingen, vissen over ’t zand voorbij, / Maar altijd weer maakt mijn gelaat zich vrij / En kan nog uit een steenworp bovenkomen.

Veranderlijk, en toch de eeuw’ge éne / Bezegeling van spiegelavonturen / Is deze glimlach zelfs niet weg te wenen / Door ontrouw water of betraander turen. –

’t Werd nacht, geen bleek gelaat staart meer omhoog, / Hoe ik ook buk en zoek: ik ben verdwenen. / Gevaarlijk krul ‘k mij om, – daar vangt mijn oog / Een laatste schemer op mijn eigen benen, / Gehurkt, en hunk’rend in hun teed’ren boog.

Uit: Vrouwendienst, Nijgh & Van Ditmar Voorburg, 1934

vestdijk06-literatuurmuseumbron foto: literatuurmuseum.nl

Simon Vestdijk (1898-1971, Harlingen)

Joseph Roth zet de toon in Job

In Job, roman over een eenvoudige man beschrijft Joseph Roth (1894-1939, Oekraïne) het leven van onderwijzer Mendel Singer, zijn vrouw Debora en hun 4 kinderen: Jonas, Sjemarja, Mirjam en Menoechem. Die laatste is de jongste en een jongen met een beperking.

Nadat moeder besluit Menoechem uit zijn wiegemand te halen, mag hij met de oudere kinderen op pad. Op dat moment begint de plaag van de kinderen en zet schrijver Roth de toon voor de rest van de roman.

In Job zien we de godsvruchtige dorpsleraar lijden aan alle beproevingen die hij moet doorstaan in zijn leven. Gebukt door zijn zware lot komt Mendel Singer in opstand tegen God.

Job is het aangrijpende verhaal van een eenvoudige joodse man en zijn gezin, en tegelijkertijd de kroniek van een heel volk en van een tijdperk dat afloopt.

Op een dag in de zomer – het regende – sleurden de kinderen Menoechem het huis uit en stopten hem in de ton, waarin zich het regenwater van een halfjaar had verzameld en wormen, fruitafval en beschimmelde broodkorsten ronddreven. Ze hielden hem bij zijn kromme benen vast en duwden zijn grauwe, brede hoofd wel tien keer in het water. Toen haalden ze hem er met bonzend hart en rode wangen uit, in de blijde en akelige verwachting dat ze een dode vasthielden. Maar Menoechem leefde. Hij rochelde, spuugde het water, de wormen, het beschimmelde brood en het fruitafval uit en leefde. Niets kon hem gebeuren. Toen droegen de kinderen hem zwijgend en vol angst weer naar binnen. Een grote vrees voor Gods pink, die heel even maar had gezwaaid, maakte zich meester van de twee jongens en het meisje. De hele dag praatten ze niet tegen elkaar. Hun tong zat vastgeklonken aan hun verhemelte, hun lippen openden zich om een woord te kneden, maar uit hun keel kwam geen klank. Het hield op met regenen, de zon kwam tevoorschijn, de beekjes stroomden monter langs de randen van de straten. Het was tijd geweest om de papieren bootjes los te laten en te kijken hoe ze in de richting van het riool dobberden. Maar er gebeurde niets. De kinderen kropen als honden weer naar binnen. De hele middag wachtten ze nog op de dood van Menoechem. Menoechem stierf niet.

Uit: Job, roman over een eenvoudige man, Atlas Amsterdam; vertaling Wilfred Oranje, 2007

joseph roth, theforwardbron foto: forward.com

Joseph Roth (1894-1939, Oekraïne)

Buddingh’: de halvemaanvis

De halvemaanvis

De halvemaanvis / Heeft toch zo’n verdriet, / Omdat niemand hem ooit eens / Voor vol aanziet.

Hij houdt zich stilletjes / Schuil tussen ’t wier, / En denkt: was het vast maar / Mijn laatste kwartier.

Soms rolt er een traan / Langs zijn neus naar benee; / Maar wat wil één zo’n traan / In die eindeloze zee?

Uit: Het mes op de gorgel, Bruna Utrecht, 1960

Kees_Buddingh, regionaalarchiefdordrechtbron foto: regionaalarchiefdordrecht.nl

Cees Buddingh’ (1918-1985, Dordrecht)

Middellandse Zee: Carthago

Carthago

op doorreis in de buurt van carthago / bij het opgaan van de zon stonden mannen in het water / zwarte modder te putten uit een kleine vijver / de oude oorlogshaven wordt in ere hersteld / bloed op de lakens van vermoorde muggen

carthago, hunebednieuwscafe.nlbron foto: hunebednieuwscafe.nl

Karel Soudijn (1944, Doetinchem)

Uit: Op reis, Atheneum, Polak & Van Gennep Amsterdam, 1973

Edwin Long’s Mozes gevonden: de wensdroom van de Victoriaanse toeschouwer

Edwin_Long, mozes gevonden

Het bloed kruipt waar het niet gaan kan, en dat is natuurlijk juist naar dat Oosten dat nooit bestaan heeft, dat van de negentiende-eeuwse, zwoele, vervalsende wensdroom. Het is een schilderij van Edwin Long (1829-1891, UK), uit 1886, en ook in zwart-wit werkt de voorstelling nog: Mozes in het biezen mandje, gevonden door de dochter van de farao. Flamingo’s, nenuphars, hiëroglyfen, marmeren trappen, weelderige, o zo oosterse palmengroei, een gebeeldhouwde leeuw met melancholiek afgewende kop rustend op zijn gestileerde, viertenige klauwen. Maar daar gaat het niet om, en ook niet om de latere wetgever in zijn bedje van gevlochten riet, het gaat om de naakte en halfnaakte vrouwen die in de wensdroom van de schilder en zijn klanten dat onbereikbare koninkrijk bevolkten. Zichtbaar, beschikbaar zitten en staan zij daar op de tot in het water reikende trappen, hun lichamen gedrapeerd naar het ademloze libido van de Victoriaanse toeschouwer, hun kuisheid beschermd door het vernis op de voorstelling, een doorzichtige, maar ondoordringbare laag van gelakte tijd die als een tombe van vijfduizend jaar om hen heen zit.

Uit: Berlijnse notities – Cees Nooteboom, Arbeiderspers Amsterdam, 1990

Eybers: krabbel

Krabbel

In die kafeehoek-kader vier / ou skoolvriendinne: drie deur vlyt / en sedige fatsoenlijkheid / verslete, mededeelsaam, suur.

Slegs een, van wie die blik vergly / uit die gesprek, bedek die vonk / van drome en verdriet – nie jonk, / maar driftig, ouderdomloos, bly.

eybers, geheugenvannederland.nlbron foto: geheugenvannederland.nl

Elisabeth Eybers (1915-2007, Zuid-Afrikaans)

Uit: Neerslag, Van Oorschot Amsterdam, 1958

Nooteboom bezoekt tentoonstelling van Lucebert in Duitsland

Ben in Noord-Duitsland. Er veel wind, veel water en Scandinavië is niet ver weg. Er is een merkwaardig gevoel. Met de wereld aan hun voeten, het water voor de deur, heb ik toch het idee dat de Duitser de Heimat verkiest. Op de camping waar ik ben is ook hier de behoefte groot zich terug te trekken achter de eigen schutting.

Ter voorbereiding op wat in Duitsland komen gaat, lees ik me in. Bijvoorbeeld de Berlijnse notities van Cees Nooteboom (1933, Den Haag). Het is 1989, voor de val van de Muur. De schrijver vertoeft in Berlijn en heeft moeite om zich te settelen. Ook moeite met de situatie. Als hij de hoofdstad kan ontvluchten, zal hij het niet laten. Er is een lezing in Kiel. En dan:

De lezing is in de stadsbibliotheek van Kiel, een heldere ruimte. Er zijn zo’n zeventig studenten, na afloop gaan we wat eten in der Friesische Hof. Ze zijn aardig, die studenten, noordelijk, open.

(..)

Het waait in Kiel, de zeewind wil er wat mee. In de Kunsthalle zie ik de volgende ochtend een schitterende tentoonstelling, Der Junge Lucebert, honderdtien schilderijen, etsen, gouaches, tekeningen. Er zijn dingen die ik nooit eerder gezien heb, maar het meeste ken ik, en ook dat wat ik niet ken herken ik. Ik herlees de woorden die al in het geheugen gegrift staan en zich voorgoed in de taal genesteld hebben, zie met heimwee de foto’s van de vroegere, donkere man met de glanzende ogen die altijd gebleven zijn, loop langs de gekleurde dieren, de gekroonde hoofden, langs het vroegste, zo ernstige zelfportret uit 1942, langs al die verscheurde en gekleurde mensen, de woedende pathetiek van hun getekende gezichten, de raadselmanen, fabelwezens, zie hoe een enkele schilder al deze verschillen, karakters, vormen, technieken onder zijn hoede heeft, hoe sommige schilderijen lachen of spotten en andere een groot verdriet hebben, en voel me tegelijk melancholiek en opgetogen. ‘De lasten van de lucht’, ‘Denken door de dieren’, ‘Hemelse tweeling’, ‘De dichter voedt de poëzie’, ‘In gesprek met den boze’, de taal van de dichter heeft een snoer om elk van die beelden gelegd, maar ook om mij, een traag en fonkelend snoer van verbeelding dat nog onzichtbaar om me heen hangt als ik allang weer een autorijder geworden ben, op de terugweg naar Berlijn. Voor in de mooie catalogus staat in handschrift een gedicht geschreven, ‘Berceuse’, waarvan ik de laatste drie regels niet zal kunnen vergeten:

Dat je tiert en rond rent / met roestige kettingen dat was / van weleer dat is toch bekend

Het moet ons nu van het hart / je bent behendig in het verkeer / schoon insulair in de weer

Maar wat je ontkracht en verwart / niemand te zijn en nergens / en dan nog iemand te zijn en hier

Uit: Berlijnse notities – Cees Nooteboom, Arbeiderspers Amsterdam, 1990 

lucebert, HH, volkskrant.nlfoto: Hollandse Hoogte; bron foto: volkskrant.nl

Lucebert, (1924-1994, Amsterdam)