Corto Maltese: van onvervulde dromen en zoektochten naar schatten

cm 1Corto Maltese is een stripheld met biografie. Maltese werd bedacht en getekend door Hugo Pratt (1927-1995, Rimini, Italië). De verhalen van Corto M zijn mysterieus, romantisch (als van verwijzend naar de ideeën van de Romantiek), gaan over verre reizen, boeiende personages en heikelijke avonturen.

cm 4Onze man uit Malta, aldaar geboren op 10 juli 1887, kwam voort uit een Engelse vader en een Spaanse moeder.  Ma, zigeuner uit Sevilla, liet Corto opgroeien in een mooi Moors huis in Cordoba, waar Corto zich vooral de bloemen in de patio herinnert en de moskee waar ze tegenover woonden.

In zijn jeugd is zijn vader de grote afwezige. Zijn vader dronk stevig en vertelde de jonge Corto fantastische verhalen. Corto studeerde aan de La Valleta Joodse school en bij rabbi Ezra Toledano. Hij studeerde de Tora en leerde op die manier veel van de ‘geheime verhalen’.

cm 3Het echte Corto Maltesiaanse leven begon toen Maltese zich aan boord begaf van The Golden Vanity, een driemaster, die hem de liefde voor het varen, zeilen en de zee bijbracht.

cm 5Corto maakte op zijn reizen kennis met Rasputin, Jack London en vele anderen. Leerde de tango in Buenas Aires; de voodoo-rituelen in Brazilië en deed eilanden aan in de Indische Oceaan en het Caraïbisch gebied; trotseerde apen en monniken, reisde per trein door Mongolië; leerde de stilte van de woestijn kennen; zocht naar juwelen en schatten en probeerde onmogelijke dromen na te leven.

Of zoals hij zelf zei: ‘Ik ben geen held. Ik houd van reizen en niet van regels. Er is maar 1 (regel) die ik respecteer: ik verraad nooit een vriend. Ik zocht veel schatten maar vond er nooit één. Maar ik blijf verder zoeken, daar kun je op rekenen.’

Dirk van Bastelaere: zelfportret in vallend serviesgoed

Zelfportret in vallend serviesgoed

Ze diept blank aardewerk op / Uit het teiltje. Zo is ze begaan / Met de voortgang van orde / En reikte me een schaal toe: dat liefde / Als de onze van eenvoud kon worden.

Dan in een glimp op het wentelen, / Het gezicht waaruit ik mij ontspin: / Een Romeinse neus en gifzwarte ogen. / Voorts het plafond, beneden in licht, / Waarop zich zwarte vliegen bewegen.

Wanneer ik, ten slotte, het water / Dat zingt op de rotsen gelijk, / Tegen de vloer aan diggelen val, / Mag ik wel ooit zijn voortgebracht, / De vloer vermaakt wat ze kan.

Het is ongedaan weer. Zo is het goed.

Uit: Pornschlegel en andere gedichten, Arbeiderspers Amsterdam, 1988

Dirk-van-Bastelaere, helderderbron foto: helderder.be

Dirk van Bastelaere (1960, Sint Niklaas, België)

Verhalen in de poëzie zijn als definities die gaandeweg uit de hand lopen. Het verhaal is er om de werkelijkheid in te dammen in personages met een identiteit, in een ruimte waarvan men weet wat boven en onder is, in gebeurtenissen waarvan de ontwikkeling geregeerd wordt door chronologie, logica, oorzaken en bedoelingen. Het gedicht laat ons die orde zien en haalt haar tegelijk onderuit: het personage verliest zijn identiteit in de reflecties, boven wordt onder.

Uit: De dichter is een koe. Over poëzie – Hugo Brems, Arbeiderspers Amsterdam, 1991

“God is wreed en gaat streng met ons om”

‘God is wreed, en hoe meer we hem gehoorzamen, hoe strenger hij met ons omgaat. Hij is machtiger dan de machtigen, met de nagel van zijn pink kan hij hen van kant maken, maar hij doet het niet. Alleen de zwakken richt hij graag ten gronde. De zwakte van een mens prikkelt zijn kracht, en gehoorzaamheid wekt zijn toorn op. Hij is een grote, wrede ispravnik (russisch voor officier van justitie). Gehoorzaam je zijn wetten, dan zegt hij dat je ze alleen in je eigen voordeel gehoorzaamt. En overtreed je ook maar één enkel gebod, dan vervolgt hij je met honderd straffen. Wil je hem omkopen, dan rekent hij met je af. En ga je rechtschapen met hem om, dan loert hij op een kans om jou om te kopen. In heel Rusland is er geen boosaardiger ispravnik!’

‘Denk eens, Mendel,’ begon Rottenberg, ‘denk eens aan Job. Hem is hetzelfde overkomen als jou. Hj zat op de naakte aarde, met as op zijn hoofd, en zijn wonden deden zoveel pijn dat hij als een dier over de grond rolde. Ook hij lasterde God. En toch was het alleen een beproeving geweest. Wat weten wij, Mendel, van wat daarboven gebeurt? Misschien is de satan voor God verschenen en heeft hij net als toen gezegd: er moet een rechtvaardige worden verleid. En de Heer zei toen: probeer het eens met Mendel, mijn knecht.’

Uit: Job, roman over een eenvoudige man – Joseph Roth, Atlas Amsterdam, 2007; vertaling Wilfred Oranje

roth, grunberg.combron foto: arnongrunberg.com

Joseph Roth (1894-1939, Brody, Oekraïne)

Vroman: De kikker en de koe

De kikker en de koe

Een kikker knorde tot een koe. / Deze sprak later zachtjes: boe.

Beiden vonden hun gesprek / eerder te langzaam dan te gek.

De kikker vroeg dan ook een paling, / de koe een loopeend om vertaling.

Het aldus zeer verrijkte kwaken / moest alles duidelijk maken;

de paling echter en de eend / geraakten van verschil gemeend.

Zij riepen dus een wouw, een wulp, / een baardvlieg en een baars te hulp.

De baars begreep dit alles niet / en wendde zich wenend tot het riet.

Het riet lispelde eerst voor zich uit; / toen boog het zich en ruiste luid.

De dieren zwegen, luisterden. / Het riet siste, en fluisterde,

het sprak tot allen tegelijk; / tot de twee honden op de dijk,

tot meeuwen, in het gras verloren / (branding nog dreunend in hun oren),

tot het wapperend graaspaard in die wei / (het hief het hoofd; het kwam nabij),

een mens opende zijn raam zelfs wat / en fluisterde: ‘sssst… hoor je dat…’

moraal

tegen het spreken is gezang / dat niets beduidt van groot belang.

vroman, jeroen henneman, groene.nlVroman getekend door Jeroen Henneman; bron illustratie: groene.nl

Leo Vroman (1915-2014, Amsterdam)

Uit: Gedichten 1946-1984, Querido Amsterdam, 1985

We kunnen nauwelijks zonder verhaal, zonder gebeurtenissen en personages; zij zijn de definities in actie.

Enerzijds is er de werkelijkheid, anderzijds zijn er de verhalen. Die zijn er zodra we over de werkelijkheid spreken. Alleen de dieren leven zonder verhaal. Daarom verzinnen wij er over hen, in hun plaats.

Uit: De dichter is een koe. Over poëzie – Hugo Brems, Arbeiderspers Amsterdam, 1991

Narcotische matheid? Saul Bellow vertelt…

Het is een narcotische matheid. Er zijn tijden waarop ik me er niet eens bewust van ben dat er iets mis is met dit bestaan. Maar daartegenover zijn er tijden waarop ik me met verbijstering en ergenis verman, en dan zie ik mezelf als een moreel slachtoffer van de oorlog. Ik ben veranderd. Twee voorvallen in de afgelopen week hebben me laten zien hoezeer. Het eerste kan nauwelijks een voorval worden genoemd. Ik zat in Goethe’s Poëzie en leven te bladeren en kwam bij de volgende zin: ‘Deze walging van het leven heeft zowel fysieke als morele oorzaken…’ Ik werd hierdoor voldoende gestimuleerd om verder te lezen. ‘Alle comfort in het leven berust op een regelmatig optreden van externe verschijnselen. De veranderingen van de dag en nacht, van de jaargetijden, van bloemen en vruchten en alle andere zich herhalende genoegens die tot ons komen zodat we ervan kunnen en behoren te genieten – dit zijn de voornaamste drijfveren van ons aardse leven. Hoe meer we open staan voor die genietingen, des te gelikkiger we zijn; maar als die veranderende verschijnselen zich voordoen en wij er geen belangstelling voor hebben, als we ongevoelig zijn voor dergelijke mooie verlokkingen, dan overvalt ons het ergste kwaad, de zwaarste ziekte – we beschouwen het leven als een weerzinwekkende last. Van een Engelsman wordt gezegd dat hij zich ophing zodat hij zich niet langer iedere dag hoefde aan en uit te kleden.’ Ik lees verder en verder met ongewoon gevoel. Goethe’s kopje op de volgende pagina was ‘Levensmoeheid’. Exact Radix malorum est, moeheid van het leven. Toen kwam de verklaring: ‘Niets brengt deze moeheid meer teweeg dan de herhaling van de hartstocht van de liefde.’ Diep teleurgesteld legde ik het boek neer.

Uit: Wachttijd (Dangling man) – Saul Bellow, Hema Amsterdam, 1990; vertaling Max Schuchart

bellow_saul_loa.orgbron foto: loa.org

Saul Bellow (1915-2005, Lachine, Canada)

Kariem Tiés: brief aan mijn moeder

lookatme, lantarenvenster.nlfilmstill uit Look at me, (2018, Tunesië, regie: Néjib Belkadhi); via lantarenvenster.nl

Brief aan mijn moeder

Weet je nog dat je me naar de moskee bracht / hand in hand liepen wij / onderweg vertelde je me / Je bent mijn stralende zon / Niemand zal je van mij afpakken.

Jij bent een zon / je bent een bloem / ik kijk naar je

Uit je lach straalt het licht / in je ogen zie ik de zee.

Uit: Een dag in de herfst, El Hizjra Amsterdam, 1996

Kariem Tiés (gegevens onbekend)

tanger, tuifly.be

Tanger, Marokko; bron foto: tuifly.be

Dit was de laatste bijdrage van het project Middellandse Zee

Buddingh’: De Bozbezbozzel

De Bozbezbozzel

De bozbezbozzel lijkt wat op / Een jenk, maar heeft een klein’re kop.

Zijn poten staan steeds twee aan twee / Als eenmaal bij het stekelree.

Hij hinnikt als een maliepaard, / En als het sneeuwt heeft hij een staart.

Wanneer die staart zijn kop zou zijn, / Was hij precies een spieringzwijn.

En als hij zeven staarten had, / Een kolossale kolbakrat.

Nu lijkt hij nog het meeste op / Een jenk, maar met een klein’re kop.

Uit: Gedichten 1938-1970

Buddingh literatuurmuseum.nlbron foto: literatuurmuseum.nl

Cees Buddingh’ (1918-1985, Dordrecht)

Jeugd Gerrit Krol: ‘Zo lachend, zo gelukkig wilde ik niet zijn.’

jeugd krol_Fotor

Linksonder op de foto: Gerrit Krol

Deze foto is genomen in het voorjaar van 1951, ik denk op Hemelvaartsdag. Locatie: het sportterrein van de psychiatrische inrichting Dennenoord in Zuidlaren. De menselijke piramide wordt ondersteund onder andere door een korfbalmast en tooit zich met de vlag van de schoolvereniging Rhetorica.

Het was een gelukkige tijd. Ik had die winter de dichter Marsman ontdekt en leefde maandenlang in een vitalistische en expressionistische roes, die plotseling culmineerde in deze prachtige dag. Zwervende tussen fonteinen van licht voerde ik een vrouw die niet blond was maar donker, en niet aan mijn zij maar op mijn linker schouder droeg ik haar.

Maar dit geluk ging voorbij, het paste niet in mijn ontwikkeling. In de herfst van hetzelfde jaar maakte ik kennis met het zwarte werk van Camus en Satre. Degene die mij daarin de weg wees is het meisje rechts op de foto. Ze kijkt een beetje om het hoekje, alsof ze wist wat er zou gaan gebeuren.

Consequent existentialist, recht in de leer, heb ik later deze foto verscheurd. Zo lachend, zo gelukkig wilde ik niet zijn. Wat u ziet is een kopie, ietsje minder scherp wellicht en zonder kartelrandje.

Gerrit Krol (1934-2013, Groningen)

Uit: De gevoelige plaat, Lisa Kuitert en Mirjam Rotenstreich, Nijgh en Van Ditmar Amsterdam, 1995

Kafka voelde zich een kever

Kafka als kever, readitforward.com

bron illustratie: readitforward.com

Je werkt zo overdreven op kantoor, dat je daarna zelfs te moe bent om goed van je vakantie te genieten. Maar door al het werk heb je nog niet het recht verworven om door allen met liefde te worden behandeld, veeleer ben je alleen, geheel en al vreemd en alleen onderwerp van nieuwsgierigheid. En zolang je ‘je’ zegt in plaats van ‘ik’, is er niets aan de hand en kun je dit verhaal opzeggen, maar zodra je jezelf bekent dat je het zelf bent, word je gewoonweg doorboord en bent ontzet… Maar als ik zelf onderscheid maak tussen ‘je’ en ‘ik’, hoe zou ik me dan over de anderen mogen beklagen. Ze zijn waarschijnlijk niet onrechtvaardig, maar ik ben te moe om alles in te zien.

Allen die mij willen kwellen en die nu de hele ruimte om mij heen hebben bezet, worden heel geleidelijk teruggedrongen door het goedige verloop van deze dagen, zonder dat ik hen ook maar in het geringste hoef te helpen. En ik kan, zoals natuurlijk zal blijken, zwak en stil zijn en alles met mij laten doen en toch moet alles goed worden, alleen maar door de verstrijkende dagen.

En bovendien, kan ik het niet doen zoals ik het altijd als kind bij gevaarlijke bezigheden deed? Ik hoef niet eens zelf de stad uit te gaan, dat is niet nodig. Ik stuur mijn aangeklede lichaam. Wankelt het door de deur van mijn kamer naar buiten, dan is dit wankelen geen teken van vrees, maar van nietswaardigheid. Het is ook geen opwinding als het over de trap strompelt, als het snikkend de stad uitgaat en op het land huilend zijn avondmaal eet. Want ik, ik lig intussen in mijn bed, glad toegedekt met een geelbruine deken, blootgesteld aan de lucht die door de weinig geopende kamer waait.

Ik heb, zoals ik in bed lig, de gestalte van een grote kever, een vliegend hert of een meikever, geloof ik.

De grote gestalte van een kever, jawel. Ik deed dan alsof het om een winterslaap ging, en ik perste mijn beentjes tegen mijn buikige lijf. En ik murmel een klein aantal woorden, dat zijn instructies aan mijn treurige lichaam, dat vlak bij mij staat en gebogen is. Gauw ben ik klaar – het maakt een buiging, het gaat snel weg en zal alles op de beste manier uitvoeren, terwijl ik rust.

Uit: Hochzeitsvorbereitungen auf dem Lande und andere Prosa aus dem Nachlass – Franz Kafka, 1907 geschreven. In 1915 verscheen Die Verwandlung, Kafka’s meest beroemde werk over een man (Gregor Samsa) die ’s morgens wakker wordt en in een kever is veranderd.

Franz Kafka (1883-1924, Praag, Tsjechië)

Poëzie is definiëren: water van Rutger Kopland

Heel in de diepte is alle poëzie een poging tot definitie. De woorden van het gedicht zijn de defintie van het thema van het gedicht. Soms wordt dat thema genoemd, is het aanwezig als lemma in een lexicon. Maar vaker groeit het pas uit de verzen zelf: het gedicht is de defintie van een begrip waarvoor geen ander woord bestaat dan de defintie zelf…

Uit: De dichter is een koe – Hugo Brems, Arbeiderspers Amsterdam, 1991

Voorbeeld: Water van Rutger Kopland

water, generationm.be

bron foto: generationm.be

Water

I

Als met water zelf, met de gedachte / spelen dat je ooit en eindelijk / zult weten wat het is.

Het is regen geweest, een rivier, een zee, / hier was het, hier heb ik het gezien

en zie ik water en weet niet wat het is.

II

Zoals het kwam, uit het oneindige, / neerdaalde uit de hemel,

het in de bergen ging ruisen, en begon / te dansen van beek naar beek

het zich wiegend een weg zocht in / de rivier door de vallei / zoals het oud werd en traag en eindelijk / de zee vond en verdween

in wat daar lag, in zichzelf.

III

Is dit water? Misschien is het dit, / maar onzichtbaar, geluidloos, stil,

en niet de ruisende regen, de wiegende / rivier, de eenzelvige zee, niet dit,

maar wat dit is geweest, weer wil zijn, / nog niet is.

IV

Het is er, maar alleen zoals water / er is, even –

ik maakte bergen, een rivier, een zee, / ik liet het regenen, stromen / door de rivier, eindigen / in de zee,

wat ik als kind maakte in het zand / met water – even was het er.

V

Je weet dat het er is, maar wat is het.

Het heeft in de regen gelegen, het is / meegenomen door de rivier, aangespoeld / door de zee, het is verdroogd, gerimpeld.

Is het ooit geschreven geweest en nu / water, of nooit.

Uit: Dankzij de dingen – Rutger Kopland, Van Oorschot Amsterdam, 1989