Het gedicht als ding

Het wemelt in de poëzie en in de beschouwingen van metaforische uitspraken. Het lijkt er soms op dat je eender wat kan zeggen – het is altijd wel toepasselijk: het gedicht is een bril, een doos, een lucifer, een deur, een boom, een mens, een schoen, een tekstverwerker… Dat komt ervan als je taal gebruikt. Sommige van die beelden zijn krachtiger dan andere. Ze keren altijd weer en groeperen zich rond hele reeksen aan aanverwante beelden. Tot de belangrijkste daarvan behoren het gedicht als ding, de dichter als ingenieur (het gedicht is een mechaniekje), het gedicht dat organisch groeit als een plant, de poëzie is alchemie (de dichter is goudzoeker), het gedicht is een brief (een boodschap, een stem, een kreet), het gedicht is een lied (de dichter zingt).

In de bundel zonder namen van Gerrit Kouwenaar staat het gedicht ‘als een ding’:

Als een ding

Een gedicht als een ding

een glazen draaideur en de chinese ober / die steeds terugkeert met andere schotels

een parkwachter die zijn nagels bijvijlt / tussen siberische kinderen uit maine

een venus van de voortijd samen met / een spin op de snelweg

een glas moedermelk, een geel / gesteven smoking

een bij, een pennemes / beide stekend, een vliegtuig / dat oplost in de dorpsregen

een gedicht als een ding.

(..)

De consequentie van die poëzieopvatting is dat kwesties als weergave van werkelijkheid, als persoonlijke pathetiek, expressiviteit of boodschap van de hand worden gedaan. Wat daarvoor in de plaats komt is een toegespitste aandacht voor de taal: ‘De werkelijkheid gebeurt, het leven gebeurt, en om zo af en toe ook eens de taal te laten gebeuren, dat is eigenlijk waar het steeds meer om gaat.’

Uit: De dichter is een koe – Hugo Brems, Arbeiderspers Amsterdam, 1991 

kouwenaar, nrc.nlbron foto: nrc.nl

Gerrit Kouwenaar (1923-2014, Amsterdam)

Anton Ent: slaande liefde

Slaande liefde

Slaande liefde is ook liefde. God / verdomme komt hard aan. Verdoem mij / niet maar laat mij als weigeraar / langs oevers van uw liefde gaan.

Van overgave is in mij geen sprake. / Ik ruk uw hand van waar u mij maar / raakt omdat dit strelen schroeit.

Gebrogenheid zet ik in lafheid om / en zie het vloeken als een zegen.

Streel mij, sla mij.

Uit: Domein van meidoorn. Gedichten, Arbeiderspers Amsterdam, 1992

anton_ent, kleineuil.nlbron foto: kleineuil.nl

Anton Ent (1939, Rotterdam)

Bijna iedere dag muziek: Reinbert de Leeuw

Reinbert de Leeuw (1938-2020, Amsterdam) is niet meer onder ons. De man die eerst rebelleerde tegen de oude cultuur en culturele elite; nieuwe muziek onder de aandacht bracht van een breder publiek, heeft de baton voor altijd laten vallen.

De man die Satie onder de aandacht bracht; Stockhausen; Reich, Ives; Ligeti, Górecki en Messiaen. Vergeten of avant-garde componisten die anders wellicht minder of nooit voor het voetlicht waren gebracht. De Leeuw was een man met een missie. Dat was al in de begindagen van zijn bekendheid. Hijzelf kon er smakelijk over vertellen. Wist ik, en ik zocht en vond een interview met Max Pam uit juli 1978. In Vrij Nederland vertelde De Leeuw het volgende:

Wij speelden met de tent aan de Bos en Lommerweg en dan bestaat het publiek uit 23 jonge jongens op bromfietsen, die het even komen aanzien. Zelf vind ik het stuk ontzettend mooi, maar als het dan begint, dan blijkt al gauw dat ze daar geen zin hebben en worden de hendels van de gaskranen wijd opengetrokken: whaam!!! En dan kun je nog iets harder versterken, maar tegen het geluid van 23 brommers is dat uitzichtloos.

Daar moet nog aan toegevoegd worden dat het in Nederland altijd regent. In Middelburg speelden wij een ander stuk van Peter Schat. De technici gaan vast vooruit om de stellages op te bouwen. Met de leden van het Nederlands Blazersensemble stap je in de bus en tegen de tijd dat je de plaats van bestemming bereikt, zie je grijzende onweerswolken zich boven de einder samentrekken. De rest van de musici zat nog keurig onder tentdoek, maar ik zat met de elektrische piano buiten. Ik herinner mij nog hoe Peter de opmaat gaf, écht de opmaat, en als op teken viel tegelijkertijd de regen met bakken uit de hemel. Mijn partituur die op de piano lag, veranderde ogenblikkelijk in een onleesbare waterige inktvlek en na een paar noten kwamen er allemaal enge vonkjes ui het instrument. Ik zelf had nog een zekere trots van the show mus go on, maar toen ik over mijn schouder keek, bleken alle toeschouwers te zijn weggevlucht.

Zo iets is natuurlijk erg grappig, maar het heeft ook zijn tragische kant. Peter schrijft een bepaald soort muziek – en ik vind het volkomen terecht dat hij die schrijft – maar hij denkt dat muziek voor iedereen bestemd kan zijn, maar dat is een illusie. Achteraf heeft het ook iets vertederends dat je die illusie ooit hebt gehad. Het zijn de dromen van de jaren 60, de opstand in Parijs, alles kan, de Verbeelding aan de macht. En dan word je door die brommers wel even ingepeperd dat het wat anders ligt.

Uit: Max Pam interviews, Bezige Bij Amsterdam, 1984

Reinbert de Leeuw (1938-2020, Amsterdam)

https://youtu.be/qeqrUAxnlaE

De mooie vrouw: ‘ver vuur ben ik’

In Don Quichot van Miguel de Cervantes zit een prachtig hoofdstuk over de herderin Marcela die schuldig zou zijn aan de dood van de herder Grisóstomo. Hij pleegde zelfmoord omdat hij zoveel van haar hield en haar niet kon krijgen. Dit komt uit de verdedigingsrede van Marcela:

‘En zoals de adder niet verdient te worden beschuldigd vanwege het gif dat zij bij zich draagt, hoewel ze ermee doodt, daar de natuur het haar heeft gegeven, zo verdien ik het niet te worden berispt omdat ik mooi ben; want schoonheid bij een eerbare vrouw is als een ver vuur of een scherp zwaard, dat niet brandt of snijdt wie niet in de buurt komt. (…) Ver vuur ben ik en een ver weggelegd zwaard. Wie ik verliefd heb gemaakt met mijn aanblik heb ik met mijn woorden ontnuchterd.’

En verder:

‘Männer umschwärmen mich wie Motten um das Licht, und wenn sie verbrennen, ja dafür kann ich nichts.’

Uit: Een prachtig neusje. De schrijver als cosmetisch chirurg. NRC Handelsblad, 10-10-1997

Bron: Arnon Grunberg (1971, Amsterdam)

Cami: de ogen van mijn vader

De ogen van mijn vader

De ogen van mijn vader hebben in mij nooit / Vertrouwen gewekt.

In mijn herinnering zie ik mijn vader / Met opgeheven vuist: / Teken voor een jeugd, / Teken voor een tijd.

De vuist die de mens / Tot een perfectie / Sloeg.

Daarom is het dat ik zorgvuldig / De humanisten en de kerken, / Allen die me met perfecties pesten, / Haat.

Al vergeet ik daarbij nooit dat mijn vader / Ondanks zijn ontzag voor God en zijn Oorlogen / Op de een of andere wijze mijn moeder / Heeft liefgehad.

Uit: Gedichten 1954-1983, Manteau Antwerpen, 1984

cami, ben, bol.com

bron foto: bol.com

Ben Cami (1920-2004, Durham, UK)

Mysliwski laat me met de bonen zitten

Ik was er even beduusd van. Moest even bij zinnen komen. Laten indalen. Dat boek van Wieslaw Mysliwski: Over het doppen van bonen. (Mysliwski: ‘ik schrijf geen boeken, ik praat ze’). Wat een meesterwerk. Een boek over het lot en het toeval. Over de jeugd, het gezin, de liefde, het ouder worden. Over ziek zijn, over vergankelijkheid, verlies, herinneringen. Over het platteland, de natuur, dieren. Over werken op de bouw, saxofoon en in een orkest spelen. Over de vrouw. Over oorlog. Kortom, over het leven. Het leven zoals zich dat voordoet en zoals je dat ondergaat en waarin toeval en het lot een belangrijke rol spelen.

Dit boek praat voortdurend met je. Het neemt de tijd. Althans de hoofdpersoon. De hoofdpersoon is een kletskous, is onophoudelijk aan het woord en sleept je mee door zijn leven. Ondertussen ontvouwt zich het grote drama, met humor. En wat kan die kletskous vertellen! En al die levenswijsheden, die vragen waarop soms wel en vaak niet een antwoord komt. Het is overrompelend. Nog een klein voorbeeldje en de rest moet u maar zelf gaan lezen in dat prachtige boek.

Jonge klanten hebben mij altijd ontroerd. En vooral sinds ze van mijn winkel een staatswinkel hebben gemaakt en ik veel meer tijd heb om na te denken. Gelooft u me, ik kan naar een jong gezicht staren als naar een schilderij. Dan mag er hier wekenlang geen jongere binnenstappen, want waarom zou hij, ik kan me er heel goed een voorstellen. Die nauwelijks getekende trekken, die alleen al geen besliste uitdrukking willen aannemen, omdat ze niet willen dat de verre schaduw van de dood erin kan worden gevat. Want de dood is nu eenmaal de meest subtiele maat van de jeugd, ouderdom heeft geen behoefte meer aan maat. Jeugd is, om zo te zeggen, de gewichtloze staat, de enige die het leven te bieden heeft. Waarmee kun je die anders meten dan met de dood? Er is geen andere maat, omdat de mens er zich niet eens bewust van hoeft te zijn dat hij jong is. Dat bewustzijn komt weliswaar altijd later dan verwacht of gewenst, los van elke leeftijd. Daarop is ons menselijk lot gebaseerd. Dat het altijd te laat komt. Altijd als alles al voorbij is. Want bewustzijn is ons lot, niet het leven. Of ons leven het leven waard was, of niet per se, wordt pas door het lot beslist. Het leven is wat zonder verband voortgaat, zonder doel, dag in dag uit, het vaakst door de wil van het toeval, dat we moeten zijn, omdat we zijn. Het lot heeft de mens daarentegen ingesteld als een soort erkenning voor het leven. En alleen die korte periode van de jeugd doet ons beseffen hoe gelukkig eeuwigheid eruit zou kunnen zien.

Uit: Over het doppen van bonen, Querido Amsterdam, 2011; vertaling Karol Lesman

Wieslaw_Mysliwski, wikipedia.orgbron foto: wikipedia.org

Wieslaw Mysliwski (1932, Dwikozy, Polen)

Gust Gils: de waarheid over het paard

Paard_van_Troye, wikipedia.orgbron foto: wikipedia.org

De waarheid over het paard

(vrij naar Homerus)

het befaamde paard van troje / was oorspronkelijk als koe bedoeld / tot die uier buiten verwachting moeilijk / in hout te realizeren bleek.

dus werd dat detail maar weggelaten / en het ding maar paard genoemd / omdat het daar eerlijk gesproken / in elk geval nog het meest op leek.

vandaar dus het paard van troje, alsook / de uitdrukking: een waarheid als een paard.

Gust Gils (1924-2002, Antwerpen, België)

Uit: Uniek onkruid, Manteau Antwerpen, 1982

Grunberg over Malamud: ‘illusie is onze eerste en belangrijkste ervaring’

In de verzameling essays De troost van de slapstick buigt schrijver Arnon Grunberg zich over de kwaliteiten van de Amerikaanse schrijver Bernard Malamud (1914-1986). Hij bewondert Malamud om zijn romans en korte verhalen. ‘Malamud doorziet de ironie van het lot van zijn personages, maar hij beseft dat je de ironie van je lot kunt doorzien maar dat dat nog niet hoeft te betekenen dat je eraan ontkomt. Het lot van de personages is het lot van de verteller. Malamud zelf heeft gezegd dat in een verhaal personages be;angrijker zijn dan een plot.’

Verderop in zijn betoog heeft Grunberg het over illusies, waarnemingen en herinneringen, die bij de Amerikaanse schrijver zo belangrijk zijn in zijn verhalen.

In een interview zei Malamud: ‘Hoe langer ik leef, hoe meer ik besef dat illusie onze eerste en belangrijkste ervaring is.’ Deze observatie zegt niet alleen veel over Malamud en zijn werk, maar ook veel over ons. Als hij gelijk heeft, en ik denk dat hij dat heeft.

Wat betekent het dat illusie onze eerste en belangrijkste ervaring is?

Wij nemen niet alleen waar, maar interpreteren ook onze waarnemingen. Zonder die interpretatie zouden onze waarnemingen vrij zinloos zijn. Veel (niet alle) interpretatie is arbitrair. Om een simpel voorbeeld te geven: wat wij aanzien voor een knipoog kan een zenuwtrek zijn. Dit lijkt een onschuldig voorbeeld, maar een wereld van verwachtingen kan worden gebouwd op zo’n misverstand. Zoals de assistent van de schoenmaker een wereld bouwt op één opmerking van zijn baas. Een wereld van hoop is een eufemisme. Zijn leven. Als illusies onze belangrijkste ervaring zijn betekent dat ook de onherroepelijke eenzaamheid van ons, van de mens. Want hoe deel je illusies? Hoe deel je een wereld die gebouwd is op een misverstand? Een knipoog die een zenuwtrek was. Een opmerking van de schoenmaker die geheel verkeerd begrepen is. (Over de verradelijkheid van woorden hoef ik het hier niet te hebben.)

In het boek The Queit Room beschrijft Lori Schiller (samen met Amanda Bennett) haar leven als schizofreen. Dat wat haar opjaagt, dat wat haar ziek maakt en haar scheidt van andere mensen zijn stemmen in haar hoofd. Stemmen die niemand anders hoort, en die niemand anders kan horen. Woorden.

Ergens in het boek beschrijft ze een jeugdherinnering. Zo goed en levendig dat een professionele schrijver er jaloers op kan zijn. De herinnering eindigt met deze zin: ‘Maar er is één ding dat deze herinnering problematisch maakt. Zij is niet waar. Het is nooit gebeurd.’

Wat moet je doen met herinneringen die niet waar zijn? Als illusies al vrijwel ondeelbaar zijn, dan geldt dat helemaal voor herinneringen die niet waar zijn.

Toch is er een plaats waar je herinneringen die niet waar zijn met anderen kunt delen: literatuur, romans, verhalen, gedichten, toneelstukken. Er is een plaats waar je (in het gunstigste geval) zelfs beloond wordt voor die herinneringen die niet waar zijn. In ieder geval niet gestraft of uitgestoten. Of Malamud last had van herinneringen die niet waar zijn, weet ik niet. Volgens mij heeft iedere schrijver daar last van. In ieder geval besefte hij dat illusie onze eerste en belangrijkste ervaring is. En van illusie naar herinneringen die nooit gebeurd zijn, is een minder grote stap dan men denkt. Malamuds broer was overigens schizofreen, maar dat zijn autobiografische details die we verder maar zullen laten rusten.

Uit: De troost van de slapstick, essays – Arnon Grunberg, Nijgh & Van Ditmar Amsterdam, 1998

malamud, bernard, newyorktimesbron foto: nytimes.com

Bernard Malamud (1914-1986, New York, USA)

Jozef Eijckmans: in de 2e maand al

In de 2e maand al

in de 2e maand al / deze warme / dag

werelds losgelaten gedachte / of zelfs / de aandrang van het vlees

zoals tussen bosschages het licht / en de dieren zich roeren

de wrok gebonden blijft ter / plekke achtergesteld

zo ongelegen tijdverlies / dat het aankleden

bemoeilijkt

Uit: Verzamelde gedichten, De Prom Baarn, 1988

jozefeijckmans, pietboekestijn.nl

bron foto: pietboekestijn.nl

Jozef Eijckmans (1907-1996, Gorinchem)

Bijna iedere dag muziek: the Smiths

De dag waarvan je wist dat die zou komen: 1 van je favoriete bands during lifetime: the Smiths. Koude rillingen, kippenvel, iets horen waarvan je het vermoeden had dat het bestond; zou moeten bestaan. En daar was ie: This charming man, de single, de eerste kennismaking. Daarna verdieping, verwachtingsvol verder zoeken en vinden. Een volstrekt uniek geluid, maatschappij-kritische teksten, melodieën die staan als bomen: statig, buigzaam, wind- en waterbestendig, sierlijk en bescherming biedend tegen die boze buitenwereld. Want the Smiths waren vooral een innerlijke ervaring. Tienerleed verwoordend maar ook oog voor de grote mensen-wereld, die aan verandering toe was. Wat hadden die ouderen er een puinhoop van gemaakt. Thatcher voorop!

En altijd die stille kracht: gitarist Johnny Marr, die de ene naar de andere wonderschone melodie uit zijn snaren plukte. En invloedrijk waren ze, die jongens. En dit was hun beste plaat: