Märta Tikkanen: niemand sloeg mij ooit

tikkanen, marta; anna.fibron foto: anna.fi

Niemand sloeg mij ooit

Toen ik klein was / gaven ze mij / een tik op mijn vinger en zeiden: / Nee! / Dan raakte ik hun boeken / in de boekenkast niet meer aan

Toen ik groter werd / en tot drie uur ’s nachts / weg wilde blijven / zei mijn vader: / Stijfkop! / Toen inviteerden ze iedereen / tussen één en drie uur ’s nachts / op mijn vijftiende / Daarna was het niet zo belangrijk meer / hen ’s nachts / te ontmoeten

Toen jij mij een keer / met de pook achternazat / jaren geleden / terwijl je dronken was / was ik niet bang voor je / want het was mijn naam niet / die je riep / toen je die pook ophief / en je kwam dadelijk tot rust / zodra ik je hand vastpakte / en met je praatte / zodat je kon horen / dat het mijn stem was

Niemand sloeg mij ooit / en nooit was ik bang / dat iemand / mij zou kunnen slaan

tot jij me sloeg

Je hebt alle reden / om bang / voor mij / te zijn

Uit: Het liefdesverhaal van de eeuw; vertaling Rita Törnqvist

Märta Tikkanen (1935, Helsinki, Finland)

S.Dresden en de toverachtige bekoring van de biografie

dresden, s; literatuurmuseum.nlbron foto: literatuurmuseum.nl

S. Dresden (1914-2002, Amsterdam) was hoogleraar (wetenschapper) in Leiden. Hij doceerde Frans en later vergelijkende literatuurwetenschap. De man werd bekend vanwege zijn essays.

Ik las Het vreemde vermaak dat lezen heet waarin hij ingaat op de rol van de lezer in de literatuur. De volgende citaten komen uit het hoofdstuk waarin hij de biografie en de lezer daarvan behandelt.

Het is onmogelijk dat de biograaf aan zingeving ontkomten het is in het geheel niet zeker dat het beschreven leven zin heeft (gehad). Er is dan ook meermalen volgehouden dat geen biografie mogelijk moet worden geacht waarin niet een uitgesproken of onuitgesproken levensfilosofie van de biograaf meeklinkt. Verreweg de meesten kunnen er bijvoorbeeld niet mee volstaan de rol van het toeval in elk leven zomaar te introduceren, zij maken van elke toevalligheid al spoedig een soort uitdrukking van lotsbestemming. Behalve eventuele wijsgerige opvattingen hieromtrent is er naar mijn mening nog iets anders aan de hand: het is de biograaf literair-technisch bezien niet gegeven anders te werk te gaan. Hij moet niet alleen orde scheppen in de ontzaglijke hoeveelheid gegevens, hij moet een leven beeldend uitvoeren. Daarbij is het maar de vraag of het leven zelf al een partituur is. De vergelijking die ik eerder maakte zou, zoals dikwijls met vergelijkingen gebeurt, in dat opzicht wel eens mank kunnen gaan. In ieder geval is het zeker dat de biografie een overzichtelijk, geordend geheel wil bereiken, een geheel waarin een bepaald patroon of duidelijke structuur naar voren komt. Het gevolg is dat de lezer op zijn beurt een beschrijving tot zich neemt waaruit blijkt dat een leven niet voor niets is geleefd, dat er zin bestaat ondanks de schijn van het tegendeel. Hij moge dan misschien in een val gelopen zijn, hij vindt er rust en genoegen in en verzoent zich gemakkelijk ermee.

Niet alleen verzoent hij zich, hij beleeft een voortdurend en elke keer opnieuw groot genoegen in deze lectuur. Hij eist en ondergaat de charme die de levensbeschrijving eigen is en blijft met de sterkste betekenis die het woord kent betoverd. Betoverd door een uitzonderlijke en krachtige dubbelzinnigheid die zich voordoet als structurele beschrijving en als werkelijkheid. Hij leest niets anders dan woorden, hij heeft te maken met figuren die net zo goed romanpersonages zouden kunnen zijn en dus onwerkelijk, maar anderzijds verkeert hij terecht in de onwankelbare en ook onbetwistbare zekerheid dat al die woorden, dat gehele patroon, verwijzen naar en uitdrukking zijn van werkelijkheid. Zodra hij ervan overtuigd kan raken dat het beschreven leven wel degelijk zinvol is geweest, zal hij niet aarzelen vast te stellen dat het leven zelf zich ook zo voordoet. Daar ligt de valstrik, daar ligt ook het genoegen en zelfs de wellust die toverachtige bekoring biedt.

Uit: Het vreemde vermaak dat lezen heet, keuze uit de essays, Meulenhoff Amsterdam, 1997

S. Dresden (1914-2002, Amsterdam)

Szymborska: lof van de geringe eigendunk

Wislawa Szymborska; 2doc.nlbron foto: 2doc.nl

Lof van de geringe eigendunk

De buizerd heeft zichzelf niets te verwijten. / Scrupules zijn de zwarte panter vreemd. / Piranha’s twijfelen niet of hun daden wel rechtmatig zijn. / De ratelslang aanvaardt zichzelf zonder voorbehoud.

Jakhalzen met zelfkritiek zijn onbestaanbaar. / Sprinkhaan, kaaiman, haarworm, horzel / leven zoals ze leven en zijn er gelukkig mee.

Honderd kilo weegt het hart van de zwaardwalvis, / maar in een ander opzicht is het licht.

Niets is dierlijker / dan een zuiver geweten / op de derde planeet van de zon.

Uit: Grote getallen, Meulenhoff Amsterdam, 1976

Wislawa Szymborska (1923-2012, Kornik, Polen)

De vadsige koningen van Hugo Raes

raes, hugo; trouw.nlbron foto: trouw.nl

Kent u (en ik) het werk van Hugo Raes? Toch was Raes lang één van de grote drie in het Vlaamse taalgebied, naast Hugo Claus en Louis Paul Boon. In de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw was Raes een belangrijke literaire stem in de lage landen. Zijn romans waren vernieuwend, zijn verhalen fris. Raes begaf zich graag op onbekend terrein, zocht de grenzen op, was baldadig. Of het nu om science fiction ging of erotiek. Zijn bekendheid dankte hij aan romans waarin fragmentarische gedachtenspinsels, herinneringen en troebele teksten een plek kregen. Dat deed hij in boeken met titels als: De vadsige koningen, Bankroet van een charmeur en Het smarán. Tot zijn vriendenkring behoorden: Jerzy Kosinski, Anaïs Nin en Günter Grass.

Ter introductie (wellicht) een citaat uit De vadsige koningen. Een roman met een autobiografische inslag.

Ik licht me moeizaam uit bed. Ik forceer een liedje. Indrukwekkend moeilijk, onmogelijke inspanning. Ik zie mijn gelaat in de spiegel. Ik heb twee grijze haren. Er zijn er meer, zei mijn broer, toen ik ze hem wou tonen. Schok. Dat wist ik niet. Waar? Meer naar achter, aan dezelfde kant, zegt hij. Hoe oud ben je nu? Dertig, zeg ik. Hm, dan sta je er goed voor, slechts zoveel grijze haren op jouw leeftijd, ik dacht dat het veel erger zou zijn, zegt hij. Misschien gaan die eerste grijze haren wel allure geven. Zoek een andere gedachtegang, denk ik, terwijl ik me aan tafel zet. Denk bijvoorbeeld aan de chef van de vertaaldienst op het ministerie. Straks alweer de vreugde van hem en de werkmakkers te zien, een hele dag in elkaars gezelschap te blijven. Och nee, verrassing: vandaag niet, vrije dag. Goed begin van de morgen, zeg ik: een haar in mijn boterham. We bestuderen ze nauwkeurig. Het is een grijze, stel ik vast, ze zit erin gebakken. Mijn tante vond wel eens een sigarettenpeukje in een brood. Dat jij altijd zoiets hebt, zegt Deborah. Ik geloof dat je er opzettelijk naar zoekt. Nee, maar ik zie goed, antwoord ik. Van dichtbij toch, myope. Maar veraf zie ik steeds minder. Dit is geen ziekte, zegt de geleerde, maar een misvorming, een vervorming: uit hoofde van zijn beroep ziet men steeds naar dichtbije zaken, folio’s, kwarto’s, pennen, schrijfmachines, tafel, diensthoofd. Gevolg: ver zien verleert men.

Uit: De vadsige koningen, Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 1998

Hugo Raes (1929-2013, Antwerpen, België)

Bijna iedere dag muziek: de vier v’s

Townes van Zandt, singer-songwriter, country en blueszanger, dichter en vooral Amerikaan. Groot bewonderaar van Hank Williams. Bij leven was Townes van Zandt geen beroemdheid. Kampte met een alcohol- en drugsverslaving en werd niet ouder dan 52 jaar. Zijn songs werden uitgevoerd door talloze bekende musici waaronder: Willie Nelson, Emmylou Harris en Merle Haggert.

Sarah Vaughan, Amerikaanse zangeres. Samen met Billie Holiday en Ella Fitzgerald wordt ze gerekend tot de grote 3 Amerikaanse jazz-zangeressen. Een expressieve stem, kenmerkend vibrato en een groot vocaal bereik maakte haar een voorbeeld voor veel latere zangeressen, waaronder veel R’nB-zangeressen.

Velvet Underground, experimentele rockgroep uit New York. Z’n tijd ver vooruit (jaren 60 en 70) en enorm invloedrijk. Met onder andere Lou Reed en John Cale in de gelederen. Minimale muziek met poëtische teksten die gingen over de duistere kant van het leven: sex, drugs en decadentie. Kunstenaar Andy Warhol bemoeide zich uitdrukkelijk met de band.

The Verve, Britse band opgericht door zanger Richard Ashcroft. The Verve viel op door songwriting en het gitaarspel van Nick McCabe. Was concurrent van Oasis, Blur en Radiohead. Druggebruik, rechtzaken en gezondheidsproblemen waren oorzaken voor het uiteenvallen van de band, die tal van wereldwijde hits scoorde. Bittersweet Symphony was de bekendste, gebaseerd op een sample van The Last Time van The Rolling Stones.

Bharat Sikka fotografeert mode maar dan anders

bharat sikka, portret4bharat sikka, portret6bharat sikka, portret8

Bharat Sikka (1973, India) was documentaire-fotograaf. Trok naar de VS om te studeren en kon daarna aan de slag. Zijn werkgebied is thuisland India waar hij vooral het nieuwe India toont. Hij doet dat door in de studio te fotograferen, buiten op straat; landschappen en portretten. In zijn verhalende gepubliceerde werk zijn vaak vrouwen het onderwerp. Vrouwen in filmachtige situaties gefotografeerd in een unieke, documentaire stijl. Dat geldt met name voor de mode-fotografie die hij voor de Aziatische versie van Vogue en Marie-Claire doet. Als je de foto’s ziet heb je niet meteen door dat het om mode gaat. De modellen zijn in een bijna duistere omgeving waar het verre van glamourisch is. Modellen bevinden zich vaak in de achtergrond waar ze moeite moeten doen de aandacht trekken.  Kortom, modefotografie maar dan anders. Op z’n Sikka’s.

bharat sikka, portretbharat sikka, portret3bharat sikka, portret5bharat sikka, portret7

Meyling: moeder

meyling, christine; een hand voor ogen

De omslag van de enige dichtbundel die van Christine Meyling bekend is. bron foto: wimcrouwelinstituut.nl

Moeder

Zij slijpt ons kleine paradijs / tot valse steen of diamant. / Wij gaan geklonken aan haar hand / en zijn voorgoed met haar op reis.

Wij zwerven tweezaam door elk land. / Wij blijven dom of worden wijs, / maar levenslang luidde de eis / en onontkombaar is haar hand.

Zij sterft, of niet. Wordt kaal of grijs, / is wel of niet bij haar verstand: / wij boeten voor de volle prijs / en blijven eeuwig onderpand.

Wij zijn voorgoed met haar op reis. / Wij zijn de vingers aan haar hand.

Uit: een hand voor ogen, Bert Bakker Den Haag, 1955

Christine Meyling (1925 – 1983)

De (on)regelmatige dosis Nabokov: wolk, burcht, meer

04 May 1975, Switzerland - Vladimir Nabokov (1899-1977) in exile after publishing , the audacity of which caused a scandal. The book was not published in the US until 1958, three years after its publication by a Parisian publisher, Olympia Prbron foto: the-tls.co.uk

In 12 pagina’s de lotgevallen van een eenling neerzetten. Daarbij en passant ook nog wat karakters schetsen, ondertussen de groepsdynamiek verbeelden en onderwijl een beeld krijgen van hoe het is als eenling iets anders te willen dan de groep, die het niet toelaat. Dat alles en veel meer gebeurt in het korte verhaal: Wolk, burcht, meer. Gedateerd 1937 en Mariënbad als locatie van schrijven. Ik zag het als een mooie metafoor van wat komen ging in Duitsland. Nabokov moet iets vermoed hebben.

De verteller verhaalt over de lotgevallen van 1 van zijn werknemers, Wasilij. De man heeft een (plezier)reis gewonnen. Na aanvankelijke bedenkingen besluit hij toch te gaan.

…dat dit reisje hem opgedrongen door een vrouwelijk Lot in een laag uitgesneden gewaad, dit reisje dat hij zo node had geaccepteerd, hem een heerlijk, bevend geluk zou brengen.

Dit geluk zou iets gemeen hebben met zijn kinderjaren, en met de opwinding die Russische lyrische poëzie in hem wekte, en met een avondlijke horizon uit een droom, en met die dame, de vrouw van een ander, die hij zeven jaren lang hopeloos had bemind – maar het zou nog voller en heerlijker zijn dan dit alles. En bovendien had hij het gevoel dat het werkelijk goede leven op iets of iemand georiënteerd moest zijn.

De verwachtingen zijn, kortom, hooggespannen en wellicht tegen beter weten in.

De man maakt kennis met zijn reisgenoten waarbij de reisleider opvalt. De eerste sensatie is de treinreis:

Wasilij realiseerde zich nog slechts vaag de absurditeit en verschrikking van de situatie en misschien trachtte hij zichzelf ervan te overtuigen dat het alllemaal heel gezellig was – in elk geval slaagde hij erin, te genieten van de langssnellende geschenken der route. En inderdaad, hoe verleidelijk is het allemaal, hoe betoverend wordt de wereld als zij is opgewonden en voorbijsnelt als een draaimolen!

Het besef dat de natuur de man gelukkig maakt. En niet alleen Wasilij blijkt:

Wij beiden, Wasilij en ik, werden altijd getroffen door de anonimiteit van alle onderdelen van een landschap, wat zo gevaarlijk is voor de ziel vanwege het onvermogen, ooit te weten waar het pad dat je ziet heenleidt – en kijk, wat een aanlokkelijk bosje! Soms verscheen op een verre glooiing tussen de bomen een zo betoverend plekje – een grasveld, een terras – dat als het ware één ogenblik stilstond, als lucht die je even vasthoudt in je longen – en dat plekje was zo’n volmaakte uitdrukking van tedere goedbedoelde schoonheid dat het net was alsof je de trein kon doen stilstaan en derwaarts gaan, voor eeuwig, naar jou, mijn lief… Maar reeds raasden duizend berkebomen als waanzinnigen voorbij, wentelend in een sputterende zonneplas, en weer was de kans op geluk verkeken.

De reis duurt en het gezelschap toont haar vervelende kanten in de vorm van onontkoombare groepsdruk. Er moet gezongen worden, kaart gespeeld, eten gedeeld, spelletjes gespeeld, met elkaar geslapen. Wasilij wordt er moe van. En dan volgt er een wandeling:

Maar na nog een uur marcheren ontdekte hij plotseling dat geluk waarvan hij eens even had gedroomd.

Het was een zuiver, blauw meer, waarvan de oppervlakte een ongewone expressie had. In het midden weerspiegelde zich in zijn geheel een grote wolk. Aan de overkant rees een heuvel op, dicht begroeid met gebladerte (en hoe donkerder het gebladerte, hoe poëtischer het is) en op die heuvel prijkte een oud, zwart kasteel, opklimmend van dactylus naar dactylus. Er zijn in Centraal-Europa natuurlijk talrijke dergelijke panorama’s, maar dit speciale was in de onuitsprekelijke en unieke harmonie van zijn drie voornaamste onderdelen, in zijn glimlach, in een geheimzinnige onschuld die het had, o, mijn lief! mijn gehoorzaam lief! – zo uniek en zo vertrouwd en zo lang verwacht, en het had zo veel begrip voor de aanschouwer, dat Wasilij zelfs zijn hand tegen zijn hart drukte, als om zich ervan te vergewissen dat zijn hart daar was zodat hij het kon wegschenken.

Wasilij weet het nu zeker: dit is de plek, hier blijf ik tot het eind van mijn dagen. Dit is het geluk dat ik zoek. Maar dat gaat niet gebeuren. Zijn reisgenoten denken dat hij dronken is, of krankzinnig. De reisleider ziet het als zijn voornaamste taak ‘een ieder van u terug te brengen, levend of dood’. Wasilij wordt weggesleept van zijn ideale plek. In de trein op de terugreis gemarteld en het gezelschap doet dat met genoegen. Het einde:

Na zijn terugkeer in Berlijn kwam hij bij me; hij was erg veranderd, ging stilletjes zitten, legde zijn handen op zijn knieën, vertelde zijn verhaal, zei steeds maar weer dat hij zijn baan moest opzeggen, smeekte mij, hem te laten gaan, hield vol dat hij niet kon doorgaan, dat hij niet de kracht had nog langer tot de mensheid te behoren. Natuurlijk liet ik hem gaan.

Uit: Lente in Fialta, verhalen, Bezige Bij Amsterdam, 1981; vertaling M. Coutinho

 

Neeltje Maria Min: verzoening

Neeltje-Maria-Min; tzum.infobron foto: tzum.info

Verzoening

in haar was ik geborgen / en breidde ik mij uit / en werd ik steeds kompleter / en rijpte ik als fruit

en kreeg ik voeten, handen / en reuk en stem en wil / totdat ik met een gil / geboren werd en banden

die ons verbonden hielden / en die ik niet meer ken, / gebroken werden met / een slag, een donderslag

o moeder, die mij baarde, / die haar vermoeide schoot / gelaten openvouwde, u draag ik op mijn dood.

Uit: Voor wie ik liefheb wil ik heten, Prometheus Den Haag, 1966

Neeltje Maria Min (1944, Bergen)

De holbewoner (Kafka) is favoriet personage van Lidy van Marissing

Franz_Kafka_1917; en.wikipedia.orgbron foto: en.wikiquote.org

1923: Franz Kafka publiceert ‘Het hol’, waarin de andere, verborgen zijde van de stad Praag gepresenteerd wordt: het personage is een mol die architectuur en diepte-psychologie probeert te verenigen in het volmaakt ondergrondse bouwwerk. Hij vergenoegt zich in de labyrinthische structuur van zijn huisvesting die het indringers onmogelijk maakt de gangen en pleinen van zijn stad te bereiken. De toerist wordt door een blinde muur op afstand gehouden: ‘van buiten is er eigenlijk een groot gat te zien, maar dat leidt in werkelijkheid nergens heen, na een paar stappen stoot je al op massieve natuursteen.’

Uit: Vooys, tijdschrift, jaargang 10, 1991-1992 door Leon Muilwijk over Tsjechië, Praag en Kafka.

De holbewoner is voor mij ontroerend en angstaanjagend, maar vooral fascinerend en komisch in zijn poging in leven te blijven door de onberekenbaarheid van dat leven te berekenen.

Hoe vreemd het schepsel ook is, het komt mij bekend voor: eindeloos redenerend, aan zich zelf twijfelend, zich verantwoordend terwijl niemand vragen stelt, oplettend, altijd in tweestrijd door de dubbelzinnigheid van de dingen, heen en weer dravend in zijn ondergrondse labyrint, op zijn hoede, in de verdediging. Hij berekent zijn positie volgens een bizarre eigen logica en kan zich slechts in cirkelgang bewegen.

Is de holbewoner van Kafka een mens of een dier? De auteur noemt geen naam en geeft geen omschrijving. Dit personage is bij uitstek een literaire figuur. Hier wordt heel duidelijk wat in veel romans minder scherp te zien is: het personage maakt deel uit van de geschreven werkelijkheid, van de fantasie en van de constructie. Het is niet levensecht maar onbestaanbaar en daarom des te beter, want in die geconcentreerde vorm menselijker dan een gewoon mens.

Ik lees immers niet om ‘reële mensen tegen te komen, mensen van vlees en bloed en met karakter. Ik lees niet om het leven te herhalen of te verdubbelen maar om alles wat mooi of lelijk is binnenstebuiten te keren, te vergroten, te verkleinen, te verkleuren, te verknippen, te versnellen, te verstommen – tot dat menselijke een fantastische vorm aanneemt.

Daarom hou ik van Kafka’s holbewoner.

Uit: Het favoriete personage samengesteld door Carel Peeters en Doeschka Meijsing, Raamgracht Amsterdam, 1983

marissing, lidy van; maarten doorman

bron foto: maartendoorman.nl

Lidy van Marissing (1942, Bussum)