De (on)regelmatige dosis Nabokov: wolk, burcht, meer

04 May 1975, Switzerland - Vladimir Nabokov (1899-1977) in exile after publishing , the audacity of which caused a scandal. The book was not published in the US until 1958, three years after its publication by a Parisian publisher, Olympia Prbron foto: the-tls.co.uk

In 12 pagina’s de lotgevallen van een eenling neerzetten. Daarbij en passant ook nog wat karakters schetsen, ondertussen de groepsdynamiek verbeelden en onderwijl een beeld krijgen van hoe het is als eenling iets anders te willen dan de groep, die het niet toelaat. Dat alles en veel meer gebeurt in het korte verhaal: Wolk, burcht, meer. Gedateerd 1937 en Mariënbad als locatie van schrijven. Ik zag het als een mooie metafoor van wat komen ging in Duitsland. Nabokov moet iets vermoed hebben.

De verteller verhaalt over de lotgevallen van 1 van zijn werknemers, Wasilij. De man heeft een (plezier)reis gewonnen. Na aanvankelijke bedenkingen besluit hij toch te gaan.

…dat dit reisje hem opgedrongen door een vrouwelijk Lot in een laag uitgesneden gewaad, dit reisje dat hij zo node had geaccepteerd, hem een heerlijk, bevend geluk zou brengen.

Dit geluk zou iets gemeen hebben met zijn kinderjaren, en met de opwinding die Russische lyrische poëzie in hem wekte, en met een avondlijke horizon uit een droom, en met die dame, de vrouw van een ander, die hij zeven jaren lang hopeloos had bemind – maar het zou nog voller en heerlijker zijn dan dit alles. En bovendien had hij het gevoel dat het werkelijk goede leven op iets of iemand georiënteerd moest zijn.

De verwachtingen zijn, kortom, hooggespannen en wellicht tegen beter weten in.

De man maakt kennis met zijn reisgenoten waarbij de reisleider opvalt. De eerste sensatie is de treinreis:

Wasilij realiseerde zich nog slechts vaag de absurditeit en verschrikking van de situatie en misschien trachtte hij zichzelf ervan te overtuigen dat het alllemaal heel gezellig was – in elk geval slaagde hij erin, te genieten van de langssnellende geschenken der route. En inderdaad, hoe verleidelijk is het allemaal, hoe betoverend wordt de wereld als zij is opgewonden en voorbijsnelt als een draaimolen!

Het besef dat de natuur de man gelukkig maakt. En niet alleen Wasilij blijkt:

Wij beiden, Wasilij en ik, werden altijd getroffen door de anonimiteit van alle onderdelen van een landschap, wat zo gevaarlijk is voor de ziel vanwege het onvermogen, ooit te weten waar het pad dat je ziet heenleidt – en kijk, wat een aanlokkelijk bosje! Soms verscheen op een verre glooiing tussen de bomen een zo betoverend plekje – een grasveld, een terras – dat als het ware één ogenblik stilstond, als lucht die je even vasthoudt in je longen – en dat plekje was zo’n volmaakte uitdrukking van tedere goedbedoelde schoonheid dat het net was alsof je de trein kon doen stilstaan en derwaarts gaan, voor eeuwig, naar jou, mijn lief… Maar reeds raasden duizend berkebomen als waanzinnigen voorbij, wentelend in een sputterende zonneplas, en weer was de kans op geluk verkeken.

De reis duurt en het gezelschap toont haar vervelende kanten in de vorm van onontkoombare groepsdruk. Er moet gezongen worden, kaart gespeeld, eten gedeeld, spelletjes gespeeld, met elkaar geslapen. Wasilij wordt er moe van. En dan volgt er een wandeling:

Maar na nog een uur marcheren ontdekte hij plotseling dat geluk waarvan hij eens even had gedroomd.

Het was een zuiver, blauw meer, waarvan de oppervlakte een ongewone expressie had. In het midden weerspiegelde zich in zijn geheel een grote wolk. Aan de overkant rees een heuvel op, dicht begroeid met gebladerte (en hoe donkerder het gebladerte, hoe poëtischer het is) en op die heuvel prijkte een oud, zwart kasteel, opklimmend van dactylus naar dactylus. Er zijn in Centraal-Europa natuurlijk talrijke dergelijke panorama’s, maar dit speciale was in de onuitsprekelijke en unieke harmonie van zijn drie voornaamste onderdelen, in zijn glimlach, in een geheimzinnige onschuld die het had, o, mijn lief! mijn gehoorzaam lief! – zo uniek en zo vertrouwd en zo lang verwacht, en het had zo veel begrip voor de aanschouwer, dat Wasilij zelfs zijn hand tegen zijn hart drukte, als om zich ervan te vergewissen dat zijn hart daar was zodat hij het kon wegschenken.

Wasilij weet het nu zeker: dit is de plek, hier blijf ik tot het eind van mijn dagen. Dit is het geluk dat ik zoek. Maar dat gaat niet gebeuren. Zijn reisgenoten denken dat hij dronken is, of krankzinnig. De reisleider ziet het als zijn voornaamste taak ‘een ieder van u terug te brengen, levend of dood’. Wasilij wordt weggesleept van zijn ideale plek. In de trein op de terugreis gemarteld en het gezelschap doet dat met genoegen. Het einde:

Na zijn terugkeer in Berlijn kwam hij bij me; hij was erg veranderd, ging stilletjes zitten, legde zijn handen op zijn knieën, vertelde zijn verhaal, zei steeds maar weer dat hij zijn baan moest opzeggen, smeekte mij, hem te laten gaan, hield vol dat hij niet kon doorgaan, dat hij niet de kracht had nog langer tot de mensheid te behoren. Natuurlijk liet ik hem gaan.

Uit: Lente in Fialta, verhalen, Bezige Bij Amsterdam, 1981; vertaling M. Coutinho

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s