Uphoff in ‘Genet’: ‘massief, massief’

Het meisje dat even later gehaast aankwam, de kou van buiten als een bontsjaal om zich heen, met fijne druppeltjes mist die aan haar voorhoofd en wangen kleefden, was stevig. Maar pas nadat ze zich had verontschuldigd omdat ze laat was en zich achter het zwarte wollen gordijn had uitgekleed en in de hoge ruimte in het onbarmhartige tl-licht ging staan, zagen ze duidelijk hoe stevig. Haar schouders waren glad als stolpen en glansden zacht. Op de plek waar je bij magerder modellen vaak een kuiltje ziet waar de sleutelbeenderen zich scheiden, was bij haar een verdikking aanwezig. Alsof zich onderhuids een vlezig medaillonnetje bevond. Adertjes trokken riviertjes over haar peervormige borsten. Uit enorme tepelhoven staken tepels als konijnenneusjes. Traag en grootmoedig bolde haar buik. Haar navel ging schuil in een huidplooi. Vandaar liep een vriendelijk bruin lijntje naar beneden waar brede dijen haar schaamhaar, dat in een bescheiden streepje was geknipt, aan het oog onttrokken. Maar haar enkels waren smal. Alsof de handen die haar uit klei hadden gemodelleerd daar door hun materiaal heen waren geweest. Ook haar polsen en handen met mollige kussentjes waren fijn. Zacht en wit als krijt.

fragment uit: Genet; uit: Bekentenissen, Manon Uphoff; Aristos Rotterdam, 2006

uphoff, manon; nrc.nlbron beeld: nrc.nl

Manon Uphoff (1962, Utrecht)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s