Bob den Uyl ziet een jongetje met vuurwerk

De ik-persoon in Het jongentje met het waterhoofd van schrijver Bob den Uyl (1930-1992, Rotterdam) is bang. Bang de straat op te gaan. Maar het moet want er moet gebeld worden. Dat kon toen in een telefooncel. Op de hoek van de straat. Om niet al te angstig te zijn, zoekt hij afleiding. Afleiding in gedachten en in wat aan zijn oog voorbij trekt. Aangekomen bij de telefooncel:

Er staan twee jonge meisjes in de cel, gewichtig staat de één met de hoorn in haar handen. De ander kijkt leeg door het glas, probeert mee te luisteren. Buiten staat een jongetje, een broertje misschien, geluidloos voor de twee in de cel te roepen. Ik heb vuurwerk gekocht, voor één gulden tien! Japanse kanonslag en rotjes en keukenmeiden, en nog meer! Zijn hoofd is te groot voor het kleine lijfje. De twee meisjes veinzen hem niet te zien. Hij begint met zijn vuisten op het glas te slaan, probeert de deur open te trekken, Karst, Hazel, kom nou – hoor nou! Het meeluisterende meisje gebaart dat hij weg moet gaan, zij doet de deur op een kier en roept ga naar huis. De geestdrift van de jongen is niet te breken, hij blijft staan wachten tot Karst en Hazel er uit komen en blij zullen zijn over zijn aankopen. Hij haalt een voetzoeker uit zijn zak en kijkt er bewonderend naar. Hij trilt van opwinding. Met blije ogen kijkt hij naar je op. Hij hoort al de klap die zijn vuurwerk zal gaan geven, zijn eigen klap. Jammer dat zijn hoofd te groot is, of zijn lichaam te klein. Je zou hem willen beschermen tegen zijn kwetsbare vreugde, de paar knallen die zo gauw voorbij zijn, zijn ontzag voor zijn grote uitgave van meer dan een gulden. En vooral tegen zijn zussen, met hun krenkende onverschilligheid voor hem. Zij zijn al groot, zij kunnen al opbellen. Als het een beetje wil kunnen ze al kinderen krijgen. Je gaat de meisjes in hun ogen kijken, ze doen wat lacherig, maar ze bellen af. Ze komen naar buiten en lopen weg zonder op het jongetje te letten. Hij danst erachteraan, probeert de aandacht te trekken. Maar dat zijn grote mensen, kereltje, jij bent nog te klein, hun aandacht nog niet waard. Ze hebben grote problemen, daar heb jij nog geen idee van in je waterhoofd. Je kijkt ze na, de hoorn is nog warm. Het jongetje blijft eindelijk staan, kijkt in zijn hand. Dan gaat hij even op de stoep zitten, staat weer op en holt weg, zijn handen op zijn zakken.

fragment uit: Het jongetje met het waterhoofd; uit: Vogels kijken, Querido Amsterdam, 1975

den uyl, bob; vandaagenmorgen.nlbron beeld: vandaagenmorgen.nl

Bob den Uyl (1930-1992, Rotterdam)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s