Bijna iedere dag muziek: Franz Liszt

https://youtu.be/6yoAZ-7gR40

Een kennis informeerde of ik bereid was de gala-avond van een Liszt-festival te presenteren. ‘Ik hou eigenlijk niet zo van Liszt,’ zei ik aarzelend, ‘teveel overbodige nootjes, te veel voor de hand liggende melodieën, teveel vertoon van virtuositeit.’ Kende ik het werk van de Hongaarse grootmeester wel voldoende, vroeg mijn kennis. Nee, dat niet, gaf ik toe.

Hoe komt dat eigenlijk? Niet alle muzikale keuzen zijn blijkbaar het gevolg van de opvoeding, want in onze familie stond Liszt hoog aangeschreven, hoewel de waardering voor zijn werk altijd in de schaduw moest staan van de verering die tijdgenoot Chopin ten deel viel.

(..)

Franz Liszt (1811-1886, Raiding) wedijvert met Sergej Rachmaninov om het predikaat ‘beste pianist aller tijden’. Op het conservatorium in Parijs zat Liszt op 15-jarige leeftijd tijdens de compositielessen in de schoolbankjes naast Berlioz. Ze luisterden gulzig naar de aanwijzingen van Antonin Reicha, een vriend van Beethoven met een natuurlijke aanleg voor lesgeven. Liszt werd aanvankelijk door directeur Cherubini afgewezen, maar vader Liszt wist de directeur te omzeilen en deed rechtstreeks zaken met Reicha. Intussen zette de jongen met zijn scherpe profiel, zijn grote ogen en lange haar muzikaal Parijs op zijn kop. Hij kreeg juichende recensies. ‘De nieuwe Mozart is in de stad,’ schreven de kranten. Reicha loodste Liszt langs de klippen van harmonie en contrapunt. Later zou Liszt schrijven: ‘Mijn gevoeligheid voor een fugatische schrijfwijze en mijn veelvuldige experimenten met ritme en vorm in de muziek zijn voor een deel terug te brengen tot mijn opleiding bij Reicha.’

(..)

Liszt verzamelde, waar hij ook kwam, een grote schare vrouwelijke fans, groupies avant la lettre. Hij was dol op vrouwen in weerwil van zijn verlangen priester te worden. Op hoge leeftijd ontving hij in Rome zelfs vier lagere wijdingen, maar van het priesterschap kwam het zelfs daar niet. Wel van bevlogen componeren. Ik raakte erg onder de indruk van zijn drie Hongaarse dansen, de Csárdás. Liszt schreef ze in het licht van de dood en heel bewust liet hij alle franje vallen. Hij concentreerde zich op de kern van zijn muzikale ziel. Zijn liefde voor de Hongaarse volksdans wordt getekend in strakke lijnen en felle kleuren. Het is letterlijk toekomstmuziek – hij is hier de wegbereider voor de Mikrokosmos van Bartók. Ik ben vooral dol op de Csárdás Obstiné door de koppige motoriek en de heldere toon. Liszt beschouwde de stukken als experimenteel. ‘Kan men dit aanhoren, mag men dit opschrijven?’ noteerde hij boven de partituur. Het werd zijn beste werk.

uit: in hoger sferen – Paul Witteman, Balans Amsterdam, 2005

Franz Liszt (1811-1886, Raiding, Hon)

Orhan Veli Kanik dicht de dag

Asfaltgedichten

1

Wat is dat toch mooi: / Als een gebouw aan de straat / Wordt neergehaald / Een onbekende horizon zien.

2

Ik benijd de kinderen / Die naast elkaar aan de stoeprand / Het voortrollen volgen / Van de wals met de schoorsteen.

3

Zijn geluid /Doet een vriend van mij / Denken aan een / Motorbootje op zee.

4

Bij het zien van kapotte stenen / Denken aan het licht op het asfalt / Is dat soms alleen / Iets voor dichters?

uit: ik luister naar Istanbul, Poetry International Serie Amsterdam, 1988; vertaling Erik Jan Zürcher

orhan veli kanik; pinterest.combron beeld: pinterest.com

Orhan Veli Kanik (1914-1950, Istanbul, Turk)

Fotograaf Mario di Biasi meestal op straat te vinden

de biasi, mario; foto8de biasi, mario; foto6de biasi, mario; foto4de biasi, mario; foto2Mario di Biasi (1923-2013, Belluno, It) begon met fotograferen tijdens de laatste jaren van de oorlog in Duitsland, waar hij naartoe was gedeporteerd. Terug in Milaan, in 1946, begon hij te werken als radio-ingenieur. Zijn vrije tijd bracht hij fotograferend door, meestal op straat.

Di Biasi werd beroemd omdat hij de Hongaarse Opstand (1956) in beeld bracht. Want na thuisland Italië, breidde de fotograaf zijn werkterrein uit tot Europa, en nog later de rest van de wereld. Gewapend met zijn camera bracht hij veel tijd op straat door en legde daar het leven vast. Bijna schilderachtig. Zijn foto’s getuigen van gevoel voor compositie met een fraaie balans tussen voor- en achtergrond. Door een nuttig gebruik van het licht krijgen zijn foto’s een aansprekende sfeer.

de biasi, mario; foto7de biasi, mario; foto5de biasi, mario; foto3de biasi, mario; foto

J.W.Holsbergen beschrijft de zwarte wreedheden

Hij moest een zondag overslaan, omdat hij door het diner voor mevrouw Hajenius geen tijd vond naar de kerk te gaan. Zijn optreden als collectant was dus een week uitgesteld. ’s Morgens al had hij zich onzeker gevoeld, in een half besef iets verkeerds te doen. Het zwarte pak hing over de stoel, streepjesbroek keurig in de vouw, het witte overhemd met de parelgrijze das èn de handschoenen. Ze lagen achteloos op het tafeltje. Achteloos en slap, maar met een verborgen spanning. Alsof ze zich ieder moment zouden kunnen spannen, tot leven komen; gereed om wreedheden te bedrijven. Zwarte wreedheden. Nu hij er over nadacht, leek het hem wel ongepast ze al op straat aan te trekken. Ze behoorden tenslotte bij het manuaal van de collectant. De briefjes waren geheel uit zijn gedachten verdwenen en het was nu te laat om ze nog te schrijven. Het was ook beter, docht hem, eerst het terrein eens te verkennen. Dan kon hij zich precies oriënteren met het rondgaan. De zonnige morgen bracht hem iets van vrolijkheid. Een getemperde blijheid weliswaar, maar die toch haar bekoorlijkheid nooit verloor. Er was iets in van het plezier om te lachen als je niet mocht. En het dan achter je hand te doen net als op school. In een gulle bui had dominee Van Pelt eens over de vrolijkheid der Christenen (de Gristeren zei hij) gesproken. Volgens hem waren vrolijkheid en geloof onverbrekelijk met elkaar verbonden. Een nogal gewaagde uitspraak. Zelf had hij het nooit goed begrepen. Naar zijn gevoelens te oordelen klopte het ook niet. Ook vandaag toen hij de kerk binnentrad met zijn moeder aan de arm, die eenmaal binnen, een schuifelende gang aannam, overviel hem de barsheid van het orgel. Strenge, koele muziek, waaraan de vox humana weinig vertedering vermocht te schenken. Ook het psalmzingen verontrustte hem weer. Als kind was hij er zelfs bang voor geweest.

uit: de handschoenen van het verraad, Bezige Bij Amsterdam, 1958

holsbergen, jw; boekmeter.nlJ.W. Holsbergen (rechts) krijgt de F.Bordewijkprijs uitgereikt; bron beeld: boekmeter.nl

J.W.Holsbergen (1915-1995, Rotterdam)

Sofia Bonati vindt het vrouwenportret opnieuw uit

Sofia Bonati; portret8Sofia Bonati; portret6Sofia Bonati; portret4Sofia Bonati; portret2

Sofia Bonati (1982, Arg) is van geboorte Argentijnse, woont in de UK, is kunstenaar en illustrator. Haar loopbaan als kunstenaar kreeg pas echt vorm en inhoud toen ze naar de UK verhuisde in 2013. Inmiddels maakt ze illustraties in opdracht voor bedrijven als: Vanity, Iberia en Mondadori. Haar belangstelling als artiest gaat uit naar het vrouwenportret. Het zijn portretten die qua sfeer, focus en het gebruik van surrealistische elementen iets nieuws toevoegen aan het vrouwenportret. Ze gebruikt voor het maken van die portretten potlood, waterverf en gouache op papier. Tegenwoordig gebruikt ze ook digitale technieken.

Sofia Bonati; portretSofia Bonati; portret3Sofia Bonati; portret5Sofia Bonati; portret7

Kenzaburo Oë: een hoogmoedige dode over de oorlog

De Japanse schrijver Kenzaburo Oë (1935, Uchiko) is Nobelprijswinnaar. Van hem las ik de verhalenbundel De hoogmoedige doden. In het titelverhaal volgen we de gedachten van een werkstudent (hij studeert Franse taal- en letterkunde) die op de lijkenkamer van de medische faculteit assisteert. Lijken die gebruikt worden voor anatomielessen moeten worden opgeruimd. Dat doet de student samen met een medestudente, die zwanger blijkt. Het klinkt als een spookverhaal, horrorachtig en dus geschikt voor de tijd van het jaar. Bij het opruimen van de lijken vermoedt de student dat hij het lijk van een soldaat te pakken heeft. Dan volgt deze bedachte dialoog:

‘Zelfs zij die beschikken over een bijzonder helder inzicht in het gruwelijke van de oorlog, kunnen niet met zo’n bewijs komen als ik. Want ik blijf hier toch maar ingepekeld als levend bewijs van dat ik de dood ben ingejaagd.’

Ik ontdekte een schotwond in de zijkant van zijn buik. Het plekje had de vorm van een verlepte bloem; het was zwart geworden en dikker dan de huid er omheen.

‘Jij was nog een kind, hè, tijdens de oorlog?’

Onder de oorlog ben ik eigenlijk alleen maar in de groei geweest, bedacht ik. Ik ben opgegroeid in de tijd, dat het verlangen naar het eind van de oorlog de enige wens was in het ongelukkige leven van alledag. Ik zou er bijna aan onderdoor zijn gegaan, aan alle manifestaties van dat verlangen! Ik heb het er nog levend afgebracht. Toen was de oorlog voorbij. Het lijk van de oorlog verteerde in ons hart, dat de maag van de volwassenen was: vuiligheid en onverteerbare zaken werden uitgebraakt. Zelf deed ik daar niet aan mee. Maar tenslotte was voor ons allen deze o zo lang gekoesterde wens op een of andere manier weggesmolten en verdwenen.

‘Ik heb niets anders gedaan dan die wens van jullie te vervullen. Maar in een volgende oorlog zal jullie generatie het moeten doen.’

Ik tilde de enkel van zijn rechtervoet op en bond het houten bordje vast aan zijn grote teen, die er vroeger mooi moest hebben uitgezien.

‘Je hebt gelijk, de tekenen zijn er al, dat de smeerlapperij weer begint, hoewel wij er niets mee te maken hebben. En deze keer gaan we natuurlijk écht ten onder, want ons verlangen naar het einde van de oorlog zal nooit meer worden vervuld.’

uit: de hoogmoedige doden, Meulenhoff Amsterdam, 1983

Oe_kenzaburo; wikiwand.combron beeld: wikiwand.com

Kenzaburo Oë (1935, Uchiko, Jap)

De huilende molenaar: als een dier

’s Nachts werd Huttunen vaak wakker; dan keek hij naar de bleke sterrenhemel van de zomernacht en begon hij in zichzelf te neuriën. Al snel veranderde het geneurie in zacht wolvengehuil, en even later ontsnapte er met geweld een krachtig en wild gejank uit de keel van de kluizenaar. Dat luchtte op. Als hij huilde, voelde hij zich niet zo eenzaam; hij kon luisteren naar zijn eigen stem, die toch niet als de zijne klonk, aangezien het de stem van een dier was.

Als hij op broeierige dagen door de boomloze en oneindige Reutuaapa baggerde, begon Huttunen soms ineens bosdieren te imiteren die hij dagelijks in de natuur om zich heen zag en waarvan hij de kunstjes met zijn kijker had afgekeken. Hij ploeterde met schommelende stappen door het drassige land als een mannetjesrendier dat op de vlucht sloeg voor een zwerm muggen. Hij slingerde en spatterde, stampvoette en snoof. Van tijd tot tijd spreidde hij zijn vleugels en vloog hij op, woest als een wilde gans; hij ging de hoogte in en verdween over de bosrand om vanachter de Reutuaapa opnieuw op te duiken, als een andere gans deze keer; hij strekte zijn poten uit en landde in de biezen bij een poel in het moeras, zo vol vaart dat het modderige water opspatte. Als hij een reiger was, stak hij zijn nek uit en klepperde hij; zijn scherpziende ogen vonden kikkers en snoeken met een zwarte rug die tijdens de overstromingen in het voorjaar het moeras in waren gezwommen en in de roestkleurige waterpoeltjes in de val kwamen te zitten toen het waterpeil weer zakte.

uit: de huilende molenaar, Arto Paasilinna; Wereldbibliotheek Amsterdam, 2001; vertaling Annemarie Raas

paasilinna, arto; oexplorador.com.brbron beeld: oexplorador.com.br

Arto Paasilinna (1942-2018, Fin)

Bijna iedere dag muziek: Erroll Garner

Op een dag reisde ik met mijn vader naar Den Haag, waar ik een grammofoon van een oud-tante zou krijgen. Het was zo’n ouderwetse opwindgrammofoon. Er hoorde een paars vilt gevoerd doosje met koperen glanzende naalden bij. Ik was de koning te rijk. Ik herinnerde me de naam van de pianist die ik die middag bij Louis had gehoord. Erroll Garner. ‘Play Piano Play’ heette het nummer.

Achter de Sint-Bavo was een grammofoonplatenwinkel. ‘Play Piano Play’ hadden ze daar niet, maar wel een andere plaat waarop “My Heart Stood Still‘ en ‘Music, Maestro Please‘ stonden. Met een kloppend hart legde ik thuisgekomen de plaat op de draaitafel, wond de machine op en zette de zware kop voorzichtig in de eerste groef. Licht geruis en daar was het: de onweerstaanbare ritmisch stuwende onderhand van de Amerikaanse pianist. Ik kon er maar niet genoeg van krijgen. Maar toen ik de plaat voor de derde keer wilde draaien, voltrok zich een drama. De naald bleef steken! Een nieuwe naald bracht geen soelaas. Het schellak van de na-oorlogse 78-toerenplaat bleek niet bestand tegen de loodzware kop uit de jaren twintig.

Mijn moeder speelde intussen iedere dag haar vaste repertoire. Ik vond Mozart plotseling onverdraaglijk. Nee, dan Erroll Garner, dat was pas levende muziek.

uit: Je speelt niet wat er staat, Bernlef; uit: muziek in mijn leven, Prometheus Amsterdam, 2005

https://youtu.be/_9HzoyWO_j8

‘Twee soorten reizigers’, meneer Martinus Nijhoff

Onze Martinus Nijhoff (1894-1953), roepnaam Pom, was de dichter die een belangrijk stempel drukte op de Nederlandse poëzie in de twintigste eeuw. Martinus was de zoon van uitgever Nijhoff. Martinus zat wel eens in het openbaar vervoer, met name in de trein. In het boek Medereizigers (1953) doet hij verslag van een ontmoeting met een medepassagier. Deze laat hem weten dat er twee soorten reizigers zijn:

‘Er zijn twee soorten reizigers, meneer: de plezierreizigers die uitgaan op avontuur en de anderen, de ‘reizigers’ die uitgaan om een tehuis te vinden. Ik heb de hele wereld rondgereisd op zoek naar een veilige plaats om mijn hoofd neer te leggen en ik heb die niet gevonden. Plezierreizen is een distractie, reizen is een gevecht op leven en dood.’

(..)

“Een reiziger kan er niet uitzien als een plezierreiziger, meneer. Ik zal u uitleggen waarom. De reiziger is uit de aard der zaak niet rijk. Hij moet zuinig zijn met de kleren die hij heeft. Hij kan zich niet voor ieder land en iedere mode een passend costuum aanschaffen. Hij kan niet voorkomen dat hij met Franse kleren in Italië reist of met Hollandse kleren in Amerika of met Amerikaanse in Mexico. Hij is altijd anders gekleed dan de mensen van het land waar hij zich bevindt. Dat is één van zijn tragedies. De tweede is, dat zelfs al zou hij zich willen camoufleren, dan zou hij nog herkenbaar zijn. Benen die gewend zijn aan een paardenrug groeien krom, meneer. Handen die vuurwapens hebben gehanteerd verliezen hun onschuld. Men kan andere kleren aantrekken, maar men kan zijn lichaam niet onherkenbaar maken. En dan is er nog iets. Als ú op reis gaat neemt u uw kapitaal niet mee. U draagt wat los geld in uw vestjeszak en laat de rest veilig op een bank staan tot u het nodig hebt. Maar wij, wij hebben iedere cent van ons leven bij ons. Alles wat wij bezitten, wat we verdiend hebben en gestolen; alles wat van ons doen en laten aan ons is blijven kleven. Herinneringen, aanwensels, angsten en misdaden. Wij zijn een dankbare prooi voor ieder wiens occupatie het is in de naam van het recht of het onrecht zijn medemensen een hak te zetten. De douane weet dat zij in onze mars altijd wel de een of andere contrabande kan vinden, de politie weet dat wij ons strafregister meedragen, de pickpocket dat zich ergens in onze zakken al ons geld bevindt, de hoer dat wij al de begeerten van ons lichaam meezeulen, de uitbuiter dat wij snakken naar een vriend. Wij zijn het mikpunt van allen en omdat wij rechteloze vreemdelingen zijn, zijn wij vogelvrij.’

uit: medereizigers, Querido Amsterdam, 1953

nijhoff, martinus; literatuurmuseum.nlbron beeld: literatuurmuseum.nl

Martinus Nijhoff (1894-1954, Den Haag)

Claudio Magris beschrijft de microkosmos van het café

Claudio Magris (1939, It) beschrijft in het boek Microcosmi negen locaties in Noord-Italië, Kroatië en Slovenië. Denk aan: café, park, kerk, lagune, bergen en eilandjes. Aan die locaties knoopt hij bespiegelingen, herinneringen en anekdotes. Er komen persoonlijke verhalen van bewoners voorbij die de geschiedenis en de cultuur van de landstreek illustreren.

in het hoofdstuk Café San Marco gaat het over de microkosmos, die het café is.

Het is een komen en gaan van mensen in het Café, achter je rug blijven de klapdeuren heen en weer slingeren, een licht briesje veroorzaakt golfjes in de rook die er hangt. Het geslinger wordt steeds kortademiger, de hartslag sneller. In de rook deinen strepen lichtend stof, traag ontrollen zich spiralen als slangen, vluchtige kransen rond de halzen van schipbreukelingen die zich aan hun tafeltje vastklampen. De rook hult de dingen in een zachte, wazige deken, een cocon waarin de pop zich voorgoed zou willen verbergen om zich de pijn van het vlinder worden te besparen. Maar de krabbelende pen prikt een gat in de cocon en bevrijdt de vlinder, die verschrikt met de vleugels slaat.

(..)

San Marco is een echt café, een randverschijnsel van de Geschiedenis, gekenmerkt door de vasthoudende trouw en het liberale pluralisme van de geregelde bezoekers. Gelegenheden waar zich niet meer dan één stam ophoudt zijn pseudo-cafés, het doet er weinig toe of het gaat om nette dames, veelbelovende jongeren, alternatieve groepen of welingelichte intellectuelen. Elke vorm van inteelt is verstikkend; ook colleges, universitaire campussen, exclusieve clubs, heersende klassen, politieke bijeenkomsten en culturele symposia zijn een ontkenning van het leven, dat een zeehaven is.

(..)

Als je in het Café zit, ben je op reis; net als in de trein, in een hotel of op de weg, heb je weinig bij je, je kunt nergens een ijdel persoonlijk stempel op drukken, je bent niemand. In die vertrouwde anonimiteit kun je je verbergen, je ontdoen van het ik als van een schil. De wereld is een onzekere holte waarin het schrift besluiteloos en hardnekkig doordringt. Schrijven, jezelf onderbreken, kletsen, kaarten; de lach aan een nabije tafel, het profiel van een vrouw, onomstotelijk als het noodlot, de wijn in het glas, de gouden kleur van de tijd. De uren vervloeien lieflijk, zorgeloos, bijna gelukzalig.

uit: microcosmi, Bert Bakker Amsterdam, 1998; vertaling Anton Haakman

claudio-magris; sudouest.frbron beeld: sudouest.fr

Claudio Magris (1939, Triëst, It)