‘Twee soorten reizigers’, meneer Martinus Nijhoff

Onze Martinus Nijhoff (1894-1953), roepnaam Pom, was de dichter die een belangrijk stempel drukte op de Nederlandse poëzie in de twintigste eeuw. Martinus was de zoon van uitgever Nijhoff. Martinus zat wel eens in het openbaar vervoer, met name in de trein. In het boek Medereizigers (1953) doet hij verslag van een ontmoeting met een medepassagier. Deze laat hem weten dat er twee soorten reizigers zijn:

‘Er zijn twee soorten reizigers, meneer: de plezierreizigers die uitgaan op avontuur en de anderen, de ‘reizigers’ die uitgaan om een tehuis te vinden. Ik heb de hele wereld rondgereisd op zoek naar een veilige plaats om mijn hoofd neer te leggen en ik heb die niet gevonden. Plezierreizen is een distractie, reizen is een gevecht op leven en dood.’

(..)

“Een reiziger kan er niet uitzien als een plezierreiziger, meneer. Ik zal u uitleggen waarom. De reiziger is uit de aard der zaak niet rijk. Hij moet zuinig zijn met de kleren die hij heeft. Hij kan zich niet voor ieder land en iedere mode een passend costuum aanschaffen. Hij kan niet voorkomen dat hij met Franse kleren in Italië reist of met Hollandse kleren in Amerika of met Amerikaanse in Mexico. Hij is altijd anders gekleed dan de mensen van het land waar hij zich bevindt. Dat is één van zijn tragedies. De tweede is, dat zelfs al zou hij zich willen camoufleren, dan zou hij nog herkenbaar zijn. Benen die gewend zijn aan een paardenrug groeien krom, meneer. Handen die vuurwapens hebben gehanteerd verliezen hun onschuld. Men kan andere kleren aantrekken, maar men kan zijn lichaam niet onherkenbaar maken. En dan is er nog iets. Als ú op reis gaat neemt u uw kapitaal niet mee. U draagt wat los geld in uw vestjeszak en laat de rest veilig op een bank staan tot u het nodig hebt. Maar wij, wij hebben iedere cent van ons leven bij ons. Alles wat wij bezitten, wat we verdiend hebben en gestolen; alles wat van ons doen en laten aan ons is blijven kleven. Herinneringen, aanwensels, angsten en misdaden. Wij zijn een dankbare prooi voor ieder wiens occupatie het is in de naam van het recht of het onrecht zijn medemensen een hak te zetten. De douane weet dat zij in onze mars altijd wel de een of andere contrabande kan vinden, de politie weet dat wij ons strafregister meedragen, de pickpocket dat zich ergens in onze zakken al ons geld bevindt, de hoer dat wij al de begeerten van ons lichaam meezeulen, de uitbuiter dat wij snakken naar een vriend. Wij zijn het mikpunt van allen en omdat wij rechteloze vreemdelingen zijn, zijn wij vogelvrij.’

uit: medereizigers, Querido Amsterdam, 1953

nijhoff, martinus; literatuurmuseum.nlbron beeld: literatuurmuseum.nl

Martinus Nijhoff (1894-1954, Den Haag)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s