Het badhuis: toppunt van Romeinse bouwkunst

badhuis, hongarije

Boedapest, Hongarije

badhuis, iran

Iran

badhuis, japan

Japan

badhuis, marroko

Marrakech, Marroko

Het basisontwerp van een (romeins) badhuis was overal in grote trekken hetzelfde – een verkleedruimte, een zweetkamer die door middel van tunnels met hete lucht onder de vloer of in de muren werd verwarmd, een grote, gewelfde hal die matig warm werd gehouden en een onverwamd frigidarium dat gedeeltelijk open was en een koud bad bezat alsmede een rotunda die met behulp van circulerende damp werd verwarmd en aan de bovenkant een opening had, zodat midden op de dag en in de middag het zonlicht kon binnendringen. Bovendien had een badhuis zwembaden. Op een aangrenzend terrein kon men wandelen, converseren, zonnebaden, gymnastiekoefeningen doen, verschillende balspelen beoefenen, hoepelen en worstelen. Met het badhuis verbonden waren concertzalen, bibliotheken en tuinen. In zijn beste vorm was het badhuis een museum voor monumentale of eigentijdse kunst. Aan deze musea danken we het behoud van enkele van de beste kopieën van Griekse beelden en de grote collecties Romeinse beeldhouwkunst. De Stier van Farnese, de Hercules en de Torso van het Belvedere zijn blijven voortbestaan in de overblijfselen van de thermen van Caracalla, en de beroemde Lacoöngroep is gevonden in die van Trajanus.

uit: de scheppende mens, Daniel Boorstin, Agon Amsterdam, 1993; vertaling Paul Syrier

badhuis, turkije

Istanboul, Turkije

badhuis, spanje

Malaga, Spanje

badhuis, rusland

Moskou, Rusland

badhuis, romeins

Bath, Groot-Brittannië

Alice Munro en de ingewikkelde familieverhoudingen

Het begint met de beschrijving van de locatie waarin het verhaal zich afspeelt. De introductie van de mannelijke hoofdrolspeler. De vertelster biedt perspectief door haar blik te richten op de twee ongetrouwde tantes. En zo langzamerhand opent zich de wereld van de ingewikkelde familierelaties. Hoe jongens en mannen zich verhouden tot de meisjes en vrouwen. Dat geweld en schaamte belangrijke kwesties zijn. Dat tussen de vrouwen onderling jaloezie, haat en nijd rollen spelen. Je bent lid van dezelfde familie maar dat betekent in de romans en verhalen van Alice Munro niet dat alles pais en vree is.

Voorbeeld:

Oom Graig keek me afkeurend aan; hij had geen last van nieuwsgierigheid. Hij vond me vaak dom en onnadenkend, maar dat kon me niet schelen; zijn oordeel had iets onbevooroordeelds en onpersoonlijks en dat liet me vrij. Hijzelf voelde zich niet gekwest of aangetast door mijn tekortkomingen, hoewel hij me er wel op wees. Dit was het grove verschil tussen hem en iemand als mijn moeder, en zelfs mijn tantes, wanneer ik ze teleurstelde. Zijn mannelijke zelfzuchtigheid maakte zijn gezelschap rustgevend.

Tussen de tantes en de moeder van de vertelster bestaan ook kwesties:

Weer thuis in Jenkin’s Bend – met mij bij zich voor de lange zomerse logeerpartij – fleurden ze op en gedijden ze weer, alsof ze in het water gezet waren. Ik zag hen voor mijn ogen veranderen. En ook ik verwisselde, met een vaag gevoel van ontrouw, mijn moeders wereld van ernstige sceptische vragen, van eindeloos maar vaak veronachtzaamd werk, van klonters in de aardappelpuree en verwarrende ideeën, voor die van hen: een wereld van werk en vrolijkheid, van gemak en orde en ingewikkelde vormelijkheid. In hun huis moest ik een geheel nieuwe taal leren. Gesprekken hadden er verschillende lagen, niets werd direct gezegd, iedere grap kon in wezen een dolkstoot zijn. Mijn moeders afkeuring was openlijk en niet mis te verstaan, als onweer; de hunnen kwam als fijne scheermessneetjes, verbijsterend en verpakt in vriendelijkheid. Ze hadden het Ierse talent voor wilde spot, onder het mom van eerbiedigheid.

Nog een voorbeeld maar nu richten de pijlen zich op de ouders. Oom Graig is overleden en de minderjarige vertelster wil haar dode oom niet zien in zijn lijkkist en wil niet naar zijn begrafenis.

‘Dat wil niemand’, zei de moeder eerlijk. ‘Niemand wil naar een begrafenis. Maar je moet. Je zult moeten leren om de dingen onder ogen te zien.’

Ik vond de kordaatheid en de graagte waarmee ze dit zei maar niks. Het kwam onecht en gemeen op me over. Ik vertrouwde haar niet. Wanneer mensen je vertellen dat je de dingen onder ogen moet zien, wanneer ze je bruusk voortduwen naar wat voor pijn of afstotelijks of ongewenste onthullingen ze ook voor je in petto hebben, is er altijd die toon van verraad, van koude, gemaskeerde, slecht verborgen triomfantelijkheid in hun stem te horen, een zekere gretigheid om je te kwetsen. Ook bij ouders hoor je dat, vooral bij ouders.

fragmenten uit: erfgenamen van het levende lichaam; uit: Levens van meisjes en vrouwen, De Geus Breda; 2014; vertaling Pleuke Boyce

alice_munro; thestar.com.jpegbron beeld: thestar.com

Alice Munro (1931, Laidlaw, Can)

Bijna iedere dag muziek: Sergej Prokofjev

https://youtu.be/aSJezJisLws

De Russische violist David Oistrach was 18 jaar oud toen hij Sergej Prokofjev (1891-1953) voor het eerst ontmoette. Ter ere van de componist was er een feestelijk concert in de badplaats Odessa. David speelde het scherzo uit het Eerste Vioolconcert in aanwezigheid van Prokofjev zelf. ‘Zo hoor je dat niet te spelen, jongeman,’ riep hij uit ten overstaan van een volle zaal. De componist betrad het podium en liet op de piano horen hoe het wèl moest klinken. Een pijnlijke situatie.

Bijna tien jaar later zagen ze elkaar weer. De ontmoeting vond plaats aan het schaakbord in het Centrum voor Kunstarbeiders in Moskou. Het was 23 oktober 1937. Na zeven partijtjes (uitslag onbekend) herinnerde de inmiddels gevierde violist zijn tegenstander aan het voorval in Odessa dat hem een klein trauma had bezorgd. De componsit schaamde zich en beloofde een sonate voor viool en piano te schrijven. Er ontstond een hechte vriendschap tussen twee muzikale grootmeesters.

Het duurde nog tot 23 oktober 1943 voordat de Sonate in F mineur voor het eerst werd uitgevoerd in de kleine zaal van het conservatorium in Moskou. Uiteraard door Oistrach, die de aanwijzingen van de componist ter harte nam. ‘Het eerste deel moet klinken als de wind die waait over het kerkhof,’ vond Prokofjev. Daar was een reden voor. Kunstenaars, zo had Stalin bevolen, waren arbeiders die hun talent onder streng toezicht van het politbureau dienden in te zetten voor het volk. Prokofjev begon aan de compositie nadat hij het werk aan de muziek voor Eisensteins film Alexander Nefsky had beëindigd. De sonate werd een tijdsdocument in noten. Een Hongaarse recensent die de première bijwoonde, schreef dat hij verbijsterd was door de impact die de sonate op het publiek bleek te hebben. Het gehoor voelde tijdens de première in de notenreeksen de beklemming van het sovjetregime. De pizzicato-akkoorden die door de piano worden beantwoord leken een ongehoorde aanklacht tegen de aanwezige kameraden uit het politbureau van dictator Stalin. Ze riepen het verlangen op naar een magische wereld zonder terreur en censuur.

Prokofjev liet zich zelf uit zelfbehoud niet uit over het provocerende karakter van zijn noten. ‘Het eerste deel is ernstig, het tweede deel levendig en het derde lieflijk en teder. De finale is weer snel en geschreven in een ingewikkelde ritmiek,’ lichtte hij toe.

uit: een ontmoeting aan het schaakbord; uit: In hoger sferen, Paul Witteman, Balans Amsterdam, 2005

Olga Suvorova schildert met spattend plezier

Olga Suvorova; barokOlga Suvorova; barok3Olga Suvorova; barok5

Olga Suvorova (1966, Leningrad, Rus) is een in Sint-Petersburg opgeleide monumentale kunstschilderes. Met haar ouderwetse schilderstijl zet ze het artistieke erfgoed van haar voorouders voort en betovert ze met haar portretten, pompeuze scènes en genreschilderijen, die afwisselen tussen de moderne Versaillesse barok, de elegantie van de Commedia dell’arte en allegorische maar ook expressieve kleuren. Wat vooral indruk maakt is het schilderplezier. Aan details, de fijn geschilderde voor- en achtergrond, de compositie, het kleurgebruik zie je dat hier iemand aan het werk is die er veel lol aan beleefd.

Olga Suvorova; barok6Olga Suvorova; barok4Olga Suvorova; barok2

Joseph Roth zag Onze Lieve Heer in Rusland

Joseph Roth (1894-1939, Oostenrijk) was schrijver en journalist en reisde wel eens om zijn horizon te verbreden. Bijvoorbeeld in 1926 toen Rusland het reisdoel was. Hij deed van zijn ervaringen verslag in de Frakfurter Allgemeine Zeitung. Vooraf: hij voelde zich in Rusland meer dan ooit Europeaan. En… hij ontmoette er Onze Lieve Heer.

‘Vandaag sprak ik met Onze Lieve Heer. Hij leeft in Rusland als God in Frankrijk.’

(..)

‘Ik was vandaag in het Instituut voor het culturele contact met het buitenland,’ zei God. ‘Zij hebben Mij rondgeleid. Ik moest het Kremlin zien, men toonde Mij ontruimde kerken. Een Engelse tolk vertaalde alles voor Mij. Ik interesseer Mij niet voor bouwstijlen en sarcofagen van dode tsaren. Ik moet de mensen zeer komisch voorgekomen zijn. Een vlieg zoemde, een groene, Spaanse vlieg zoemde in een kamer. ‘Vertaalt u Mij,’ zei ik tegen de gids, ‘ wat die vlieg zegt.’ ‘Stomme Amerikaan,’ zei de tolk tegen de gids, in het Russisch – en tegen Mij: ‘De wetenschap is bij ons nog niet zo ver. De taal van de vliegen kennen wij niet.’ Aan de baard van de gids hing een broodkruimel. ‘Ik heb net ontbeten,’ zei Ik.  De tolk vertaalde het. Weet u: ik heb Mij altijd voor de heel kleine dingen geïnteresseerd. Men liet Mij het mausoleum van Lenin zien, maar voor de ingang lag een verroeste spijker. Ik pakte hem op en vroeg: ‘wat denkt u, waar komt die spijker vandaan?’ En ze wisten niet wat ze tegen Mij moesten zeggen. Ik loop een kerk binnen en geef de bedelaars een aalmoes, om niet op te vallen. De gelovigen zingen heel mooi. De pope heeft een diepe, mooie basstem. Ik zie de voet van een neerknielende man en een gat in zijn schoenzool. ‘Waar heeft hij dat gat erin gelopen?’ vraag ik mijn begeleider. Hij weet het niet.

Hij weet hoe de bliksem ontstaat, maar Ik heb dat immers nooit verheimelijkt. Ziet u, de kleine dingen weten de mensen altijd nog niet, hoewel ze niet meer aan Mij geloven. In Mijn naam, u zult het nauwelijks geloven hoe blij Ik ben ontslagen te zijn uit dit complex van staat, regering, industrie en politiek. Men vergt niet meer van Mij voor de gezondheid van de opperste staatslieden te zorgen, voor de moraal van de kinderen, voor de coalitie tussen de generaals en de chemie, Ik zegen geen gasmaskers, zelfs de Witte Gardisten hebben ingezien dat Ik hen niet meer kan helpen. Ik woon in het Savoy-hotel, betaal twintig roebel per dag en laat Mij verloochenen. Nu ga ik naar het theater van Meyerhold, daar staat een stuk op het programma, waarin Ik gelasterd word. Ik hoef immers niet meer te straffen, u gelooft werkelijk niet wat voor mooie avond het wordt!

uit: reis door Rusland, Lubberhuizen Amsterdam, 1994; vertaling Koos van Weringh

joseph-roth; derstandard.atbron beeld:derstandard.at

Joseph Roth (1894-1939, Brody, Oostenrijk)

Mario Vargas Llosa stelt De Raadgever voor

De Antichrist is geboren /

Om Brazilië te leiden /

Maar de Raadgever is gekomen /

Om ons van hem te bevrijden

In de roman De oorlog van het einde van de wereld vertelt de Peruviaanse schrijver Mario Vargas Llosa het verhaal van een messiaanse figuur in het Noord-Oosten van Brazilië, die een duistere mengelmoes van chistelijke zedenleer en apocalyptische visioenen predikt. Hij, de Raadgever,  weigert de jonge Braziliaanse republiek te erkennen. Daar gaat de regering op af want de man heeft tienduizenden volgelingen en vormt een bedreiging.

Over deze messiaanse figuur schreef ook de grote Braziliaanse auteur Euclides da Cunha al een omvangrijk boek: Os Sertões.

In het volgende fragment krijgen we zicht op wat de Raadgever zijn volgelingen voorhoudt:

Hij sprak over eenvoudige maar belangrijke dingen, zonder een van de mensen om hem heen speciaal aan te kijken, of liever gezegd, met zijn brandende blik dwars door het koor van ouden van dagen, vrouwen, mannen en kinderen heen kijkend naar iets of iemand die hij alleen kon zien. Dingen die men begreep omdat ze al sinds onheuglijke tijden onbewust bekend waren en men ze gelijk met de moedermelk in zich opnam. Actuele, tastbare, dagelijkse, onvermijdelijke dingen, zoals het einde van de wereld en het laatste Oordeel, dingen die misschien al zouden plaatsvinden voordat de dorpsbevolking de halfingestorte kapel weer had opgebouwd. Wat zou er gebeuren als Onze-Lieve-Heer zag hoe ze zijn huis hadden verwaarloosd? Wat zou hij zeggen over de handelswijze van die pastoors die in plaats van de arme te helpen, hem de zakken leegklopten door hem te laten betalen voor de diensten van de Kerk? Mochten Gods woorden worden verkocht, moesten die niet gratis worden gegeven? Welk excuus zouden die paters tegenover de Heilige Vader aanvoeren voor het feit dat ze ondanks hun gelofte van kuisheid onttucht pleegden? Konden ze soms leugens bedenken voor hem die gedachten  las zoals een spoorzoeker de voetafdruk  van de jaguar leest op de grond? Praktische, dagelijkse, huiselijke dingen zoals de dood die naar het geluk leidt als je er met een schone ziel naartoe gaat, als naar een feest. Waren de mensen soms dieren? Zo niet, dan moesten ze in hun mooiste kleren onder die poort door als bewijs van ontzag voor hem die ze daar zouden ontmoeten. Hij vertelde hun over de hemel en ook over de hel, het huis van de Hond dat geplaveid was met gloeiende kooltjes en ratelslangen, en over hoe de Duivel zich kon vertonen in onschuldig uitziende nieuwlichterijen.

uit: de oorlog van het einde van de wereld, Meulenhoff Amsterdam, 2011; vertaling Mariolein Sabarte Belacortu

mario-vargas-llosa; dariovivo.combron beeld: dariovivo.com

Mario Vargas Llosa (1936, Arequipa, Peru)

De zwart-witte wereld van Soichiro Tomioka en David Álvarez

soichiro, tomioka; naturesoichiro, tomioka; nature2soichiro, tomioka; nature3soichiro, tomioka; nature6

Soichiro Tomioka (1922-1994, Takada, Jap) was een Japans kunstenaar die zich met abstract werk bezighield. Hij specialiseerde zich in zijn werk naar het zwart-witte. Daarbij gebruikte hij een zelf bedachte verfkleur: Tomioka Wit. Hij gebruikte die verf voor zijn sneeuw-landschappen.

Waar Tomioka zich richtte op (sneeuw)landschappen, zijn bij de Mexicaan David Álvarez (1979, Mex) mensen en dieren onderwerp van zijn werk. Hij gebruikt grafiet en houtskool als gereedschap voor werken die fantastisch en surrealistisch zijn. Onderliggende thema’s zijn de expressieve kracht en de vormen van het menselijk lichaam. Zijn monochromatische kunst is ietwat mysterieus. 

alvarez, david; zwart-wit6alvarez, david; zwart-wit3alvarez, david; zwart-wit5alvarez, david; zwart-wit

Bijna iedere dag muziek: Richard Wagner

Er zijn maar weinig momenten beter geschikt om na te denken over de mythische oorsprong van Duitsland dan tijdens het beluisteren van het voorspel tot de tweede acte van Siegfried. Dit bijna onuitvoerbare muziekstuk roept in een vijftal minuten een ondoordringbaar, verstikkend, duister woud en een dreigende sfeer op (dat laatste met name door een slapende draak) en een gevoel van verwachting – de talloze jaren waarin dwergen en goden ongeduldig met de vingers hebben getrommeld in afwachting van de belangrijke (zij het aan dwaasheid grenzende) gebeurtenissen die zich eindelijk zullen ontvouwen.

Je kunt moeilijk ontkomen aan een gevoel van irritatie, vermengd met opluchting, dat niet-Duitsers zich zo indirect tot deze muziek verhouden. Er zijn nogal wat belangrijke niet-Duitse dwepers en Wagner-interpreten geweest, maar niemand van hen heeft zich zo aangesproken gevoeld door de wortels en de betekenis van dit muziekdrama als de Duitsers. Achter alle elementen van het voorspel in de bossen gaat iets schuil dat kenmerkend is voor de Duitse cultuur. Engelse bossen ben je voorbij voor je het weet en erin rondlopen stelt als vorm van lichaamsbeweging nauwelijks iets voor, met om de paar meter een speeltuin, patatkraam of picknicktafel. Maar in Duitsland kun je nog boven op een hoge heuvel gaan staan en zo ver de horizon reikt niets dan bomen zien. Het zijn weliswaar piekfijn verzorgde bomen, maar ze lijken deel uit te maken van een oerbos. De draak, de dwergen en de goden maken eveneens een overtuigende indruk. Het lijken onderdelen van een doos speelgoed met wezens die zich in bergen en wouden ophouden en steeds weer zijn geschilderd door generaties taalkundigen, folkloristen en componisten, en die de ziel vormen van talloze festivals en kinderboeken.

uit: Germania – Simon Winder, Unieboek, Het Spectrum Amsterdam, 2014; vertaling Margreet de Boer en Ronald Kuil

Duo dicht de dag

Heraclitus over rivieren

Niemand stapt tweemaal in dezelfde rivier. / Dezelfde rivier is nooit dezelfde. / Want zo is de aard van water. / In die zin ben jij, gegeven / Je veranderend metabolisme, niet meer jezelf. / De cellen sterven af; en de precieze / Configuratie van de hemellichamen / Toen ze zei dat ze van je hield / Komt zolang je leeft niet meer voor.

Je zult me zeggen dat je een monument / Hebt opgericht, duurzamer dan brons; / Maar zelfs brons vergaat. / Je beste gedicht, je weet welk ik bedoel, / De taal zelf waarin het gedicht / Is geschreven, en zelfs het begrip taal, / Al die dingen zullen mettertijd verdwijnen.

uit: het dwingende verleden, Poetry International Serie Amsterdam, 1988; vertaling Theo Hermans

mahon, derek; bbc.combron beeld: bbc.com

Derek Mahon (1941-2020, Belfast, Nrd-Irl) 

Zwarte dichter

Zwarte dichter, de borst van een maagd / spookt door je geest, / bittere dichter, het leven kolkt / en de stad kookt, / de hemel valt in bakken regen, / je pen krast in het hart van het leven.

Oerwoud, oerwoud, een en al oog / op een veelvoud van gevels; / bliksemend haar, schrijlings berijden / de dichters de paarden, de honden.

De ogen zieden, de tongen draaien, / de hemel stroomt in de neusgaten / als een blauwe moedermelk; / vrouwen, azijnzure harten, / ik mag hangen aan uw monden.

uit: navel der onderwereld, Amsterdam 1981; vertaling Hans van Pinxteren 

artaud, antonin; labaule.combron beeld: labaule.com

Antonin Artaud (1896-1948, Marseille, Fr)