Bijna iedere dag muziek: John Lee Hooker

https://youtu.be/qAJYPJ5Q5Xs

Het is de zomer van 1990. Op 72-jarige leeftijd is John Lee Hooker dan de Don Corleone van de blues. Alle anderen zijn op dit moment in de tijd allang overleden. Muddy Waters, Howlin’ Wolf, Robert Johnson, Lightnin’ Hopkins, Elmore James. Zelf was hij ook wat uit het zicht verdwenen, maar het uit eerbetoon geboren album The Healer zette hem in 1989 terug op de kaart. En daarom ben ik met Magnum-fotograaf Bruce Gliden in Toad’s Place beland, waar Hooker met een gehoor van voornamelijk Yale-studenten zijn uitgebreide repertoire deelt.

I’m in the mood… for love.

Eerst nog op een stoel, met elektrische gitaar, zo te zien een Gibson Es-345 uit 1960 (winkelwaarde 15.000 dollar). Daarop hamert hij zijn eigen versterkte versie van de Delta Blues, die aanslag vol percussie en de onlogisch geconstrueerde overgangen die in geen enkele twaalfmaatsblues lijken te passen. Met de buizenversterker op tien en zijn rechtervoet die stoïcijns de maat op een zwaar houtblok met een microfoon ervoor tapt, rammelt en stottert en giert hij zich door zijn levensverhaal. Drie akkoorden en de waarheid? John Lee Hooker doet het voor twee. Straks zal hij backstage vertellen, met een stem die klinkt alsof hij dagelijks kokende olie als zijn koffie nuttigt: ‘Mijn speelstijl heb ik van mijn stiefvader William Moore. Zoals ik nu speel, speelde hij. Niemand anders kan dat. I got a style nobody else don’t have. Ik ben een stroming van mijzelf.’

Ik hou daar wel van. Een centrale plaats wordt bij het concert ingeruimd voor zijn persoonljke vinding: de boogie. De eindeloze boogie. Op gitaar hè, niet de boogiewoogie van de piano. Dit is de boogie van Boogie Chillin’ – een van zijn grootste hits, dan spreken we over 1948, en chillin staat voor children. Dat hij van zijn moeder niet de hele avond buiten mocht blijven, maar dat deed hij natuurlijk toch, hij ging langs de muziekclubs van Mississippi en Tenessee, daarover gaat dit liedje, zijn lijflied.

Die authentiek aanpak bezorgde hem een heldenstatus bij een hele generatie Britse popmuzikanten, van The Rolling Stones tot aan Eric Burden, en van Pete Townsend en Jimmy Page tot aan Eric Clapton, en Van Morrison idem. De eerste plaatjes werden door matrozen vanuit New Orleans en New York meegenomen, dat verspreidde zich rap, en ze zaten allemaal wel een keer in de zaal toen in Manchester in de periode 1962-1966 jaarlijks het American Folk and Blues Festival werd georganiseerd, een show met – naast John Lee Hooker – kopstukken als Willie Dixon, Howlin’ Wolf en Sonny Boy Williamson. Het gaf de stoot tot de Britse Bluesboom, dat merkwaardige verschijnsel waarin Engelse bands de blues kwamen terugbrengen naar de bron, en er meer succes mee hadden dan alle zwarte Amerikaanse muzikanten bij elkaar.

uit: de heelmeester; uit: Drie akkoorden en de waarheid, Rob van Scheers, De Kring Utrecht, 2014

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s