Goethe Dicht de Dag

goethe; planet-wissen.debron beeld: planet-wissen.de

Het is de oude Duitse meester Johan Wolfgang Goethe (1749-1832) die we vandaag laten dichten op de thema’s Natuur en Kunst, Vrijheid en Gebondenheid. Zijn beroemdste zin: ‘In de beperking toont zich de meester’ is er een onderdeel van. Voor iedereen die een mening heeft over VRIJHEID is dit gedicht een punt waarop je even van andere gedachte mag wisselen.

Natuur en Kunst

Natuur en kunst lijken elkaar te mijden, / Maar eer je ’t weet komen zij tot elkaar; / Ook mijn afkerigheid is niet meer waar, / Ze lijken mij gelijkelijk te verleiden.

Slechts de intentie telt! Zolang wij maar / Eerst aan de kunst een aantal uren wijden / Met geest en ijver, is het geen bezwaar / Als de natuur het hart weer komt bevrijden.

Zo is het met cultuur van elke rang: / Vergeefs zullen door niets gebonden geesten / Naar vervolmaking van het hoogste streven.

Naar grootheid streven vergt veel zelfbedwang; / In de beperking toont zich de meester, / En wetten slechts kunnen ons vrijheid geven.

Johan Wolfgang Goethe (1749-1832, , Frankfurt am Main, Dld)

‘De vorm van dit gedicht is zeer geschikt voor het onderwerp Natuur en Kunst – dat hier bijna overeenkomt met vrijheid tegenover verbondenheid: de sonnetvorm moet de dichterlijke impuls in goede banen leiden. Het idee is mooi retorisch uitgewerkt: vrijheid zonder meer leidt tot niets: vervolmaking is alleen weggelegd voor wie zich wetten stelt en beperkingen oplegt.’

uit; natuur zal kunst nooit blijvend evenaren, Westeuropese poëzie in honderd gedichten, Ooievaar Amsterdam, 1996; vertaling en commentaar Peter Verstegen

 

Bijna iedere dag muziek: Dizzy Gillespie

Over de jaren direct na de Tweede Wereldoorlog leeft het idee dat het dorre jaren waren in Nederland, glansloze jaren waarin ons land terugverlangde naar de veilige vooroorlogse neutraliteit, grauwe jaren waarin fietsers in eindeloze stoeten over straten vol natte sneeuw altijd maar op weg waren naar hun geestdodende werk.

Ik heb die jaren – de jaren voor en tijdens 1950 – heel anders beleefd. Voor mij waren het jaren vol avontuur. De wereld ging open. Elke dag bracht iets nieuws. Ik ontdekte de kunst.

(..)

In 1946 werd ik, zeventien jaar oud, voorgoed wakker gekust door de kunst. Ik zag toen in het Stedelijk Museum van Amsterdam Mondriaan’s Victory Boogie Woogie – of misschien zag het meesterwerk mij. Het was iets heel anders dan die bloem in de vaas. Oog in oog met het schilderij ervoer ik voor het eerst de schok van herkenning, een schok die zo hevig was dat hij de tranen van ontroering in mijn netvlies joeg en me definitief verloste van mijn puberale lethargie. Duizelig, verblind door het licht van de kunst, verliet ik het museum.

Alles kwam tegelijk in die jaren. De film, niet de zoetsappige Duitse rolprenten die tijdens de oorlog werden vertoond, maar de Franse cinema: Cocteau, Autant-Lara, het surrealisme van Būnuel. En Rome, Open Stad van Rosselini.

In mijn moeders boekenklast vond ik de gedichten van Paul van Ostaijen en bij de kiosk op het Leidseplein kocht ik Reflex, het orgaan van de experimentele schilders en dichters, waarin ik Luceberts Minnebrief aan onze gemartelde bruid Indonesia las. En ik sloot de jazz in mijn hart, geen boogie woogie maar bebop, muziek die voor mij geschreven leek. Things to come heette een opwindend nummer van Dizzy Gillespie en die dingen waren er nu. Mijn leven kon niet victorieuzer beginnen.

fragmenten uit: v is victory, Remco Campert; uit: XXste eeuw; Waanders Zwolle, 2008

Guimarães Rosa: ‘de duivel bestaat en bestaat niet’

guimaraes rosa; issocompensa.combron beeld: issocompensa.com

Braziliaans schrijver João Guimarães Rosa schreef met Diepe wildernis: de wegen een epos, een metafoor voor het leven op aarde en een spannende avonturenroman. Het meesterwerk van de moderne Braziliaanse literatuur. We volgen grootgrondbezitter Riobaldo die aan ons, lezers, zijn verleden als bandiet uit de doeken doet. Het gaat om wraak, verraad en moord. Het is een allegorie van het leven met thema’s als: liefde, dood, tijd, de strijd tussen God en de duivel, tussen goed en kwaad en de struikelende mens. Dat doet Guimarães Rosa ook nog eens met zijn eigen taal.

Guimarães Rosa (1908-1967, Cordisburgo) leidde een leven dat een boek waard is. Studeerde medicijnen, werkte als plattelandsarts, ging te paard, en vergaarde roem als bekwaam en gedreven heelmeester. Hij stelde diagnoses op basis van het gezicht van de zieke. Hij gaf een overleden man injecties om hem nog tot leven te wekken. Studeerde talen (hij zou er 14 beheersen, waaronder Hongaars en Hindi) en legde een enorme verzameling insekten aan. Na een loopbaan als legerarts en diplomaat, begon hij in 1937 met het publiceren van verhalen. Guimarães Rosa zou 1 van Braziliaans grootste moderne schrijvers worden.

In den beginne deed ik dit en deed ik dat en aan denken dacht ik niet. Ik had de tijd niet. Ik leefde van moeilijk naar moeiluk, als een levende vis op het rooster: wie zich afbeult in het brute fantaseert niet. Maar nu, nu de tijd toereikt, en zonder kleine onrusten, kan ik zalig nietsdoen. En heb ik mezelf gevonden in dit genoegen, gedachten te bespiegelen. De duivel bestaat en bestaat niet? Ik geef het voor gezegd. Vade retro. Die melancholieën. Bijvoorbeeld: een waterval, bestaat, nietwaar? Maar een waterval is een stuk steile grond met water dat erover valt en dondert; nu haalt u het water weg of effent de afgrond, wat wordt dan van de waterval? Leven is een heel gevaarlijke zaak…

Ik zal u uitleggen: de duivel is een kracht binnen in de mens, in de kreukels van de mens – of hij is de mens in verval, of de mens van de keerzijden. Zo, op zich, los burger, is er helemaal geen duivel. Geen een! – zeg ik u. bent u het eens? Vertelt u mij alles, eerlijk – het zal een grote gunst zijn die u mij daarmee doet: en die mag ik u vragen, met klem. Dit geval – hoe eigenaardig ik ook mag lijken – is voor mij van zekere importantie. was het dat maar niet… Maar, u gaat me niet zeggen dat u, een verstandig en erudiet man, dat u in zijn persoon gelooft?! Nee? dan ben ik u dankbaar! Uw hoogstaande mening verleent mij mijn waarde. Ik wist het, ik wachtte erop – u maakt me blij! Ach, wanneer een oud mens oud wordt, heeft hij behoefte aan een vleugje rust. Ik ben u dankbaar. Er is helemaal geen duivel. En ook geen geesten. Nooit gezien. Had iemand ze moeten zien, dan ik wel, deze uw nederige dienaar. Als ik u daarvan zou vertellen… Goed, de duivel voert zijn zwarte staat in de schepsels, in vrouwen, in mannen. Zelfs: in kinderen – zeg ik u. Is er niet een gezegde: ‘Een kind, een kind – de duvel te gezwind? En in de gewoonten, in de planten, in de wateren, in de aarde, in de wind… Gier en gruwel!… De duivel op straat, in het midden van de wervelwind…

uit: diepe wildernis: de wegen, Meulenhoff Amsterdam, 1993; vertaling August Willemsen

João Guimarães Rosa (1908-1967, Cordisburgo, Br)

Japans huis biedt zicht op buiten

japans huis2japans huis4japans huis6japans huis8

Een heerlijk boek is het: De scheppende mens van historicus en schrijver Daniel Boorstin. Het is een alomvattend boek over wat de mens uniek maakt: zijn/haar scheppingen. Van dit boek heb ik bijvoorbeeld geleerd dat wij westerlingen compleet anders tegen de wereld aankijken dan de meeste oosterlingen. Wij geloven in 1 God, in het Verre Oosten ontbreekt die ene God vaak of meestal. Of zoals Boorstin het formuleert:

Het westerse geloof in een Schepper-God en een scheppende mens heeft tot het idee geleid dat de natuur overwonnen dient te worden. Onder anderen de Japanners, die geen `Schepper-God of een mythe van het eerste begin hadden zoals wij in het Westen, vonden daarentegen een andere weg en maakten van de natuur een bondgenoot.

(..)

… mannen en vrouwen zijn broeders en zusters van alle objecten in de natuur. De mens ‘beheerst’ de natuur niet, omdat hij er deel van uitmaakt. Hij kan geen heer en meester zijn over andere schepselen, want iedereen is deel van dezelfde familie.

(..)

De mens is een ondeelbaar aspect van het landschap, zoals het landschap een deel van de mens is.

Een keuze die uit deze houding en deze ideeên voortvloeide, is dat de Japanse cultuur veel gebouwen van hout kent en kende. Hout speelde een dominante rol in de Japanse architectuur.

Hout kent natuurlijk ook zijn beperkingen. Brandgevaar bijvoorbeeld. Dat verklaart voor een belangrijk deel hoe het Japanse huis eruit is gaan zien.

… het Japans huis beantwoordt bewonderenswaardig aan de doelen die het zijn gesteld…. een brandveilig gebouw. … ze (Japanners) hebben zich door de nood gedwongen met het andere uiterste beziggehouden en een huis gebouwd waarvan zelfs het skelet ingeval van brand makkelijk kan worden gesloopt. Matten, wanden in de vorm van schermen, zelfs de uit platen hout bestaande plafonds kunnen gemakkelijk worden meegenomen. Het dak is eenvoudig van pannen en planken te ontdoen en het skelet dat resteert wordt slechts langzaam door de vlammen aangetast.

Een ander belangrijk item van het Japanse huis is de doorkijk naar de tuin:

De vermenging van binnen- en buitenruimte doet in de klassieke Japanse architectuur naïef aan. Als men op het gebouw afloopt kijkt men er doorheen en ziet men de erachter gelegen tuin. En de bewoner die voor de geopende of half geopende verschuifbare papieren schermen (fusuma en shoju) zit, vat het huis en het omringende landschap in één blik als hij om zich heen kijkt.

Het Japanse huis, dat op zichzelf nooit volledig was, was een deel van het landschap, en de tuin was één met het huis.

De Japanse tuin was ontworpen voor alle jaargetijden, paste zich aan de seizoenswisselingen aan en deed deze op hun gunstigst uitkomen.

uit: de scheppende mens, Agon Amsterdam, 1992; vertaling Paul Syrier

Daniel Boorstin (1914-2004, Atlanta, USA)

japans huis3japans huis5japans huis7japans huis9

Böll: ‘Ieren, emigranten in eigen land’

Mit Heinrich Böll durch Kölnbron beeld: mz.de

Heinrich Böll speelde een periode in mijn leven een belangrijke rol. Ik ben een katholiek opgevoede jongen. Kerkkoor en Beatmis heb ik gered, daarna volgde de teleurstelling. Qua persoonlijke ontwikkeling was ik op Duitsland gericht, dicht wonend aan de grens. Het Duitsland van de jaren 70 en 80. Het Duitsland van Heinrich Böll, Gunther Grass en Wolf Biermann. Het Duitsland ook van de Rote Armee Fraktion en de Baader-Meinhof Gruppe. Böll won in die periode de Nobelprijs (1972) en was een vooraanstaand en invloedrijk schrijver. Zijn belangrijkste bijdrage was wellicht zijn kritiek op de katholieke kerk, het instituut, dat hij medeverantwoordelijk achtte voor de wandaden begaan tijdens de Tweede Wereldoorlog. Die kritiek en hoe de kerk daarmee omging (nog voordat allerlei misbruik-schandalen bekend werden), zorgden voor mijn teleurstelling.

Terug naar Böll. Ik lees zijn Iers dagboek. Het Ierland van toen was super-katholiek. Böll voelde zich er thuis en had er zelfs een zomerhuis. In dit Iers dagboek geeft hij een persoonlijk gekleurd beeld van het land en zijn bewoners. Het Ierland van de turf, het keel-Keltisch, de overal tastbare armoede en de veiligheidsspeld. Het land van de duizenden priesters en het veelvuldige bioscoopbezoek; de minimale zelfmoordcijfers en de thee en whiskey. Dat land is een eiland en de beste manier om er te komen is per boot.

Ik had vergeten mij van een plaats voor de nacht te verzekeren, ik klom over benen, kisten en koffers; in het donker gloeiden sigaretten, ik ving brokstukken van gefluisterde gesprekken op: ‘Connemara… geen kans… serveuse in Londen.’ Ik zocht een plaats tussen de reddingsboten en zwemgordels, maar de westenwind was scherp en vochtig; ik stond op, zwierf weer over het schip, dat meer op een emigrantenschip leek dan op een schip met thuisvarenden: benen, gloeiende sigaretten, stukken van gefluisterde gesprekken – tot een priester mij vasthield aan de zoom van mijn jas en mij met een glimlach vroeg naast hem te komen zitten; ik leunde wat achterover om te slapen, maar rechts van de priester, van onder een groengrauw geruite reisdeken, sprak een zachte, heldere stem:

‘Nee, vader, nee, nee… het is bitter om aan Ierland te denken. Eens in het jaar moet ik er wel heen om mijn ouders weer te zien, en mijn grootmoeder leeft ook nog.

Kent u County Galway?

‘Nee,’ antwoordde de priester met zachte stem.

‘Connemara?’

‘Nee.’

‘Dan moest u er eens heengaan, en vergeet u niet als u weer naar Engeland terugvaart, in de haven van Dublin goed te kijken naar wat er uit Ierland geëxporteerd wordt: kinderen en priesters, nonnen en biscuit; whiskey en paarden, bier en honden…’

‘Mijn dochter,’ zei de priester zacht, ‘u moogt die dingen niet in een adem noemen.’

Een lucifer flikkerde onder de groengrauwe reisdeken, een scherp profiel was enkele seconden zichtbaar.

‘Ik geloof niet aan God,’ zei de zachte, heldere stem; ‘nee, ik geloof niet aan God – waarom mag ik dan niet priesters en whiskey, nonnen en biscuit in een adem noemen; ik geloof ook niet aan Kathleen ni Houlihan, aan het eiland uit de sprookjeswereld… Ik ben servuese geweest in Londen geweest, twee jaar lang, ik heb gezien hoeveel lichte meisjes…’

‘Mijn kind,’ zei de priester zacht.

‘… hoeveel lichte meisjes Kathleen ni Houlihan aan Londen geleverd heeft; dit eiland der heiligen…’

‘Mijn kind!’

‘Zo noemde de pastoor thuis mij ook: mijn kind… Hij kwam op de fiets, een lange weg, om ons zondags de mis te lezen, maar hij kon er niets aan doen dat Kathleen ni Houlihan haar kostbaarst bezit exporteerde, haar kinderen. Gaat u naar Connemara, vader – zoveel schoon land met zo weinig mensen erin heeft u vast en zeker nog nooit gezien; misschien leest u dan nog eens de mis bij ons, en dan ziet u mij die zondag vroom knielen in de kerk.’

uit: iers dagboek, Elsevier Amsterdam, 1973

Heinrich Böll (1917-1985, Keulen, Dld)

 

Big Sur: de afrekening

Schrijver en journalist H.M. van den Brink is in Californië, USA. In de boekhandel koopt hij een boek van Henry Miller: Big Sur and the Oranges of Hieronymus Bosch. Dit weet ik omdat hij een brief uit Big Sur geschreven heeft. Daarin gaat het over het schrijverschap van Miller en zijn binding met Big Sur. Wat Big Sur is, ziet u in bijgaande video. Dan een citaat uit de brief van Van den Brink:

Tegen het middaguur vulde het terras zich met jonge stadsbewoners. Lang haar, dure maar nonchalante kleding. Op het parkeerterrein stonden kostbare Europese auto’s, Porsches, Volvo’s, BMW’s.

Nog nooit ben ik in enkele uren zoveel Porsches tegengekomen als in Big Sur, op de autoweg tussen Carmel en San Simeon. Ze stoorden niet, die glanzende machines, ze pasten in het landschap zoals ook de luidsprekermuziek harmonieerde met bos en veld. Hoe dat kwam? Ik denk omdat er in wezen niet zoveel verschil is tussen ‘de moedige individualisten’ van Henry Miller – de beatniks uit de jaren vijftig en zestig en de hippies van weer een generatie verder – en de carrièremakers van de late jaren tachtig. Wie nu zijn geld verdient met het verkopen van televisie, reclame of computers is niet minder gefixeerd op het eigen welbevinden en even gedesinteresseerd in de rest van de wereld om zich heen.

fragement uit; brief uit Big Sur; uit NRC Handelsblad 1987

H.M. van den Brink (1956, Oegstgeest)

Postuum: Ga door

al snijders; heereveensecourant.nlbron beeld: heerenveensecourant.nl

Ik moet even iets kwijt over A.L. Snijders achter wiens pseudoniem Peter Cornelis Müller zich verstopte. Deze man wist in zijn zeer korte verhalen de wereld op z’n kop te zetten en me te stemmen tot nadenken. Het zijn geen grote kwesties maar juist de kleine dingen waar hij zijn lampje en licht op liet schijnen. Dat maakte het zo boeiend. Ik mis hem. Een voorbeeld:

Ga door

Theo Thijssen (Kees de Jongen, de zwembadpas) woonde in de Jordaan, een volkswijk in Amsterdam. Als kind was hij al een dromer, en als het hem met een droom niet lukt, probeerde hij de werkelijkheid op een andere manier naar zijn hand te zetten. De straat waar hij woonde keek uit op de Westertoren. Als hij op de stoep van hun huis zat en naar de toren keek, hinderde het hem altijd dat hij zo dicht bij de ene huizenkant stond. Hij ging liever midden op straat staan, dan kwam de toren mooi in het midden tussen de huizen. Maar als zijn moeder dat zag, rende ze naar buiten en trok hem het huis in, zij was bang dat hij door een kar overreden zou worden. Hij protesteerde dat hij de toren mooi in het midden wilde zien staan, maar zijn moeder had geen oren naar deze uitleg. Veel later, hij was volwassen geworden, ontdekte hij een ets van een doorkijk door de Eerste Leliedwarsstraat op de Westertoren, die de kunstenaar mooi in het midden had gezet. Hij kocht de ets meteen met een diep gevoel van verrukking. Het kind dat hij was geweest had ten slotte toch gelijk gekregen. Ik heb op mijn beurt dit verhaal ook weer verder verteld. Aan een neefje dat ook veel fantaseert. Zijn moeder maakt zich ongerust en corrigeert hem. Maar als ze even uit de kamer is, fluister ik: ‘Ga door, denk aan Theo Thijssen.’

uit: tat tvam asi, AFDH Enschede/Doetinchem, 2021

A.L. Snijders aka Peter Müller (1937-2021, Amsterdam)

Marguerite Duras: een verwoest gezicht

Heel snel in mijn leven is het te laat geweest. Toen ik achttien was, was het al te laat. Tussen mijn achttiende en mijn vijfentwintigste jaar is mijn gezicht een onverwachte richting ingeslagen. Ik weet niet of dat zo met iedereen is, dat heb ik me nooit afgevraagd. Ik heb het gevoel dat me is verteld hoe de tijd soms kan toeslaan wanneer je de prilste, de meest verheerlijkte stadia van het leven doorloopt. Die veroudering is abrupt geweest.

Ik heb gezien hoe ze mijn gelaatstrekken een voor een in bezit namen, de verhouding die ertussen bestond veranderde, de ogen groter maakte, de blik treuriger, de mond zijn uiteindelijke vorm gaf, het voorhoofd groefde met diepe plooien Ik vond dat niet angstaanjagend, integendeel, ik heb gezien hoe de veroudering van mijn gezicht zich voltrok met dezelfde belangstelling die ik aan de dag zou hebben gelegd bijvoorbeeld voor de gebeurtenissen in een boek. Ik wist ook dat ik me niet vergiste, dat op een dag de veroudering zou vertragen en haar normale verloop zou krijgen. De mensen die me hadden gekend toen ik zeventien was ten tijde van mijn reis naar Frankrijk waren ontdaan toen ze me terugzagen, twee jaar later, toen ik negentien was. Dat gezicht, het nieuwe, heb ik gehouden. Het is mijn gezicht gebleven. Het is nog ouder geworden, zeker, maar relatief minder dan voor de hand had gelegen. Ik heb een gezicht dat is verscheurd door scherpe en diepe rimpels, en waarvan de huid kapot is. Het is niet uitgezakt zoals sommige gezichten met fijne trekken, het heeft dezelfde contouren gehouden maar de stof waaruit het is opgebouwd is verwoest. Ik heb een verwoest gezicht.

uit: de minnaar, Arbeiderspers Amsterdam, 1985; vertaling Marianne Kaas

marguerite duras; savoirs.rtl.frbron beeld: savoirs.rfi.fr

Marguerite Duras (1914-1996, Gia Djnh, Unie van Indochina)