Toergenjev mijmert in een verhaal van negen brieven

1895 Isaac Levitan, Golden Autumn

Gouden voorjaar, geschilderd door Isaac Levitan, geboren in Kibarty, Litouwen, maar in de negentiende eeuw behorend tot Rusland.

Weemoed en nostalgie troef bij de Russische schrijver Toergenjev (1818-1883). In de bundel verhalen Faust en andere verhalen las ik het titelverhaal. Het is de weerslag van een terugkeer van de verteller naar de plek van zijn jeugd. Hij bezoekt het ouderlijk huis op het platteland.

Sinds ik hier ben is er een zekere gemoedsrust over me gekomen; ik heb geen zin om iets te doen, om iemand te zien, dromen heb ik niet en tot nadenken kan ik niet komen; maar wel tot overpeinzingen, dat zijn twee verschillende dingen zoals je zelf goed weet. Eerst werd ik overspoeld door herinneringen aan mijn kindertijd… waar ik ook ging, waar ik ook keek, overal doken ze op, helder tot in de kleinste kleinigheden, welhaast onontkoombaar in hun precisie… Daarna kwamen er andere herinneringen voor in de plaats, daarna… daarna keerde ik me van lieverlede van het verleden af en in mijn borst bleef slechst een sluimerende last. Stel je eens voor! Toen ik op de dijk onder een kraakwilg zat, barstte ik ineens in tranen uit en ik zou ondanks mijn respectabele leeftijd (40 jaar, naar later blijkt) een hele tijd gehuild hebben als ik me niet geschaamd had voor een langskomende vrouw die nieuwsgierig naar mij keek en die daarna zonder zich naar mij om te draaien diep boog en verder liep. Ik zou heel graag tot mijn vertrek in die stemming willen blijven (huilen zal ik natuurlijk niet meer), dat wil zeggen, tot september, en ik zou het erg jammer vinden als een van de buren het in zijn hoofd kreeg mij een bezoek te brengen.

uit: Faust, verhaal in negen brieven, uit: Faust en andere verhalen, Arbeiderspers Amsterdam, 1984; vertaling Marja Wiebes en Yolanda Bloemen

toergenjev; rus-shkola.rubron beeld: rus-shkola.ru

Ivan Toergenjev (1818-1883, Orjol, Rus)

Kees Fens over Adriaan Morriën: ‘Strelend kijken’

Links Kees Fens, rechts Adriaan Morriën; bron beelden: wikipedia.org en vpro.nl

In mijn herinnering heb ik een van de kleine stukjes die Adriaan Morriën een aantal jaren geleden nu en dan op de achterpagina van de NRC schreef. In mijn herinnering is het ook een der volmaakste stukjes die ik ooit in een krant heb gelezen. Het ging over het bereiden van twee visjes, van schoonmaken tot bakken. Hij beschreef ze in de witheid of grijsheid waarin ze voor hem lagen.

Het werden twee zeer zinnelijke wezentjes: wat Morriën beschreef, verzinnelijkte altijd langzaam. Het moet hem bijna pijn hebben gedaan ze in de pan te leggen. Het klaarmaken en het bakken werden met een uiterst trage precisie, haast met een ingehouden lyriek, genoteerd, een heel verfijnde handeling, die misschien toewijding aan het leven verried.

De twee visjes kregen een eer en een aandacht die geen enkel visje ooit heeft gehad. Hier werd niet over koken geschreven, maar over een kleine reeks intieme handelingen tussen man en bakvis. Ik denk dat hij de visjes met een even trage precisie in de winkel heeft uitgezocht. De dichter nam voor het kleinste de tijd, zeker als de kijker die hij was en die zich ook in de keuken verried.

(..)

Morriën was, denk ik, voor alles een kijker, een langzame opnemer. Zelden zal iemand voor dat kijken zoveel tijd hebben genomen, zelden zal er iemand er zoveel tijd voor hebben gekregen. Hij werd immers negentig jaar. Hij keek ook naar literatuur en zijn waarnemingen schreef hij dan heel mooi op, zeker bij poëzie. Hij had niet altijd de grootste gedachten, maar zeker de verleidelijkste. Dit was zeker het kenmerkendste: ieder geweld was hem vreemd. Strelen en strijd gaan niet samen. De bedachtzame kijker proclameert geen stellingen, beschrijft eerder dan dat hij opinies verkondigt – alleen het woord verkondigen al. Bij zijn stukken over literatuur geldt het geheel; er laat zich niets uit afzonderen.

(..)

Hij heeft eens een stukje of een passage geschreven over de erotische grootheid van het uitdoen van een schoen door een vrouw. Dat was heel mooi, misschien juist doordat het zo’n voorzichtige en verfijnde observatie was. Het stukje was van een gelijke kracht als dat over de twee visjes. Voor wie strelend kan kijken, bestaat er geen hiërachie.

uit: in het voorbijgaan – Kees Fens, Atheneum – Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2007

Een meisje getekend door François Boucher

boucher; meisjeshoofd

Dit is het hoofd van een meisje getekend met zwart, rood en wit krijt op lichtbruin papier door de fransman François Boucher (1730-1770).

Boucher was een typische Roccocco-schilder. Idyllische en weelderige schilderijen gebaseerd op klassieke thema’s, decoratieve allegorieën en pastotale scenes zijn typisch voor deze Franse meester. Hij werd gevierd om deze kunsten en was 1 van de meest aansprekende kunstenaars van de 18-de eeuw.

Wat bij deze indrukwekkende tekening meteen opvalt is de formidabele ruimtelijkheid. Alles wat niet te zien is, is aanwezig. Een vlinder zou zo van oor naar oor kunnen vliegen. Met een beetje krijt wordt de ruimte gekneed alsof er een beeldhouwer bezig is. En dan krijg je er ook nog zo’n lief wezen op je netvlies bij cadeau. Meesterlijk!

uit: wandelen in dromen, Jan Wolkers in Teylers Museum, Rombach Haarlem, 1999

Baricco ontroert met zijde

61° Festival di Spoleto, ( FOTO GRATUITE )bron beeld: goldoniteatro.it

Zijde is de titel van een novelle (nog geen 100 pagina’s) geschreven door de Italiaan Alessandro Baricco (1958, Turijn). Het is een boekje dat ik tussendoor in één adem uitlas. Baricco weet zijn lezers te boeien. Korte hoofdstukken, korte, rake schetsen van karakters, situaties en handelingen. In poëtisch proza. Kortom, het leest als een tierelier.

Het is 1861, we zitten in Zuid-Frankrijk. Hoofdpersoon Hervé Joncour is 32 jaar. Koopt en verkoopt. Zijderupsen. De zijderupsen worden bedreigd door ziekte. Dat leidt tot reizen, eerst naar Noord-Afrika, later naar het geïsoleerde Japan, dat geen buitenlanders toelaat. Op slinkse wijze (met de hulp van Hollandse smokkelaars) weet hij het gebied te bereiken waar in Japan de onbesmette zijderupsen zijn te vinden. Dan volgt een ontmoeting met de verkoper die allesbepalend zal zijn voor het leven van Hervé en de ontwikkelingen in het boek.

Er werd een paneel van rijstpapier aan de kant geschoven, en Hervé Joncour ging naar binnen. Hara Kei zat met gekruiste benen op de grond, in de verste hoek van de kamer. Hij was gekleed in een donker gewaad, hij droeg geen sieraden. Het enige zichtbare teken van zijn macht was een vrouw die languit naast hem lag, roerloos, haar hoofd in zijn schoot, haar ogen gesloten, haar armen verborgen onder de wijde rode jurk die zich helemaal rondom verspreidde, als een vlam, over de askleurige stromat. Hij streek langzaam met zijn hand over haar haren: het leek alsof hij de vacht van een kostbaar dier aaide, dat lag te slapen.

Hervé Joncour liep door de kamer, wachtte op een teken van zijn gastheer en nam tegenover hem plaats. Ze bleven zwijgend zitten en keken elkaar in de ogen. Er verscheen een bediende, onmerkbaar, die twee kopjes thee voor hen neerzette. Toen verdween hij in het niets. Op dat moment begon Hara Kei te praten, in zijn eigen taal, met een monotone stem, versmolten in een soort falset die hinderlijk gekunsteld klonk. Hervé Joncour luisterde. Hij hield zijn ogen strak op die van Hara Kei gericht en slechts een ogenblik, bijna zonder dat hij zich ervan bewust was, dwaalden ze omlaag naar het gezicht van de vrouw.

Het was het gezicht van een meisje. Hij keek weer op.

Hara Kei was even stil, pakte een van de kopjes thee, bracht het naar zijn lippen, liet enkele ogenblikken verglijden en zei:

‘Probeer me te zeggen wie u bent.’

Hij zei het in het Frans, met lijzige klinkers, en met een schorre, echte stem.

uit: zijde, Bezige Bij Amsterdam, 2013; vertaling Manon Smits

Alessandro Baricco (1958, Turijn, It)

Opgroeien met: Pierre Janssen

Pierre Janssen (1926-2007, Kerk-Avezaath) was journalist, tv-presentator, museum-directeur en kunstverteller, bron van inspiratie. Janssen kreeg in ons land brede bekendheid met het tv-programma Kunstgrepen (jaren zestig en zeventig, vorige eeuw). Daarin vertelde hij met grote liefde in begrijpelijke taal over tentoonstellingen, kunststromingen en kunstenaars. Dat deed hij met zoveel enthousiasme dat hij veel kijkers raakte, mij voorop. Janssen heeft bij mij de belangstelling voor kunst wakker gekust. Kunst was raar, spannend en maakte nieuwsgierig. Kunst als onvoorspelbaar avontuur waarin het goed wentelen en draaien was. Kunst leek grenzeloos: tekening, schets. schilderij, beeldhouwwerk, plastiek, video-installatie en ingrepen in het landschap, alles leek mogelijk. Verbeelding aan de macht, was de veelgehoorde kreet in de jaren 60 waarin Janssen voor het eerst van zich liet horen. Janssen was een fenomeen. Een lange en magere man met grote voeten, heel toegankelijk en zoals het de ideale verhalenverteller betaamt: verbaal geweldig. En hij had humor. Mijn broer mocht hem een keer ontmoeten. Bij binnenkomst in de horeca-gelegenheid waar mijn broer werkte, vroeg hij met een brede glimlach: ‘Waar kan ik mijn schoenen parkeren?’

Böll ontmoet een Ierse krijgsgevangene

boll, tagesspiegel.debron beeld: tagesspiegel.de

Nobelprijswinnaar en schrijver Heinrich Böll (1917-1985) was gek op Ierland. Hij had er een zomerhuis. In Iers dagboek doet hij verslag van zijn ervaringen met het land en haar bewoners. Vroeg of laat (het boek verschijnt in 1958) kom je als Duitser in den vreemde een keer iemand tegen die de (Tweede Wereld) oorlog heeft meegemaakt. Böll doet verslag van die ontmoeting.

Hij… Dermot heette hij – bewees, toen hij droog was, een goed bijbelkenner, een goed kaartspeler, een goed verteller van verhalen, en een goed whiskeydrinker te zijn; hij leerde ons ook hoe men water op een drievoetje in het haardvuur snel aan de kook kan krijgen, hoe men schaapskoteletten op ditzelfde oeroude drievoetje gaar kan braden en hoe men toast roostert aan lange vorken, waarvan wij het nut nog niet ontdekt hadden. Eerst ’s morgens bekende hij ons dat hij ook wat Duits sprak: hij had in Duitsland krijgsgevangen gezeten en vertelde onze kinderen, wat zij nooit zullen vergeten, en nooit mogen vergeten: hoe hij kleine zigeunerkinderen begraven had die bij de evacuatie van het KZ Stuthof gestorven waren; ze waren maar zo klein – dat wees hij met de hand – en hij had de kleine graven diep in de hardbevroren aarde moeten hakken, om ze hun laatste rustplaats te geven.

‘Maar waarom waren die dan doodgegaan/’ vroeg een van de kinderen.

‘Omdat het zigeuners waren,’

‘Dat is toch geen reden – daarom hoeft iemand toch niet dood te gaan?’

‘Nee,’ zei Dermot, ‘dat is geen reden; daarom hoeft iemand niet dood te gaan.’

uit: Iers dagboek, Elsevier Amsterdam, 1973; vertaling JWF Werumeus Buning 

Magris microcosmi: lofzang op de Libanon

libanonceder; thespruce.combron beeld: thespruce.com

In de microcosmos van de Italiaanse schrijver, filosoof en germanist Claudio Magris zijn we aanbeland in de Collina, de heuvels van het Italiaanse Piëmonte. Al gaand door de streek vallen plekken op, bieden de mogelijkheid voor een zijspoor. Zoals de volgende lofzang:

Wanneer je van San Pietro afdaalt naar Peccotto, ligt de Villa Taluchi links. De deur is half overwoekerd door klimop en wilde wingerd, in de tuin zijn palmen en magnolia’s te zien, overschaduwd door een gigantische ceder van de Libanon. Van de Libanon zijt gij gekomen, mijn bruid. Hoe sierlijk uw passen in de sandalen, vorstendochter! Uw navel een welgevormd bekken, uw lijf een tarweschelf, uw beide borsen twee hertenwelpen… Het duister van de lanen en de jaren wordt lichter, daar in de verte komt een gelaat, haar gelaat dat niet is versomberd ten overstaan van de dood, nader als het opkomende morgenrood – schoon als de maan, schitterend als de zon, geducht als een leger – zij aan zij, voor altijd en meer dan altijd, de nacht die neerdaalt, die allang is neergedaald, vermag niets tegen die glimlach die haar doordringt als een licht, het duister is zoet, armen die stijf tegen de borsten drukken, donkere, lachende ogen waarin je zou willen verzinken…

uit: microcosmi, Bert Bakker Amsterdam, 1998; vertaling Anton Haakman

Claudio Magris (1939, Triëst, It)

Sus van Elzen: de Chinese winkel

sus van elzen; flickr.combron beeld: flickr.com

Ik ben ‘m op verschillende plekken tegengekomen; zoals je vroeger in alle uithoeken van het land ‘de Chinees’ had. Ik heb het over de Chinese winkel. Pillen tegen hoofdpijn? Een koekenpan? Een nieuw gasbusje? Een blik bonen? Een dieselaggregaat? Ergens was er die winkel waarin ze alles verkochten, zo leek het. De winkel van de Chinees. Geen groot pand waarin alles overzichtelijk en ordelijk was weggezet. Nee, een winkel vol waarin de bewegingsruimte minimaal was maar waar je (bijna) alles kon krijgen.

Ik kwam hierop omdat in het korte verhaal Toen de zomer voorbij was van de Belgische journalist Sus van Elzen (1945) dit zo treffend werd gekenschetst:

chines shop; timeout.combron beeld: timeout.com

De winkel van de Chinees deed hem denken aan het rommelwinkeltje waar hij snoep kocht toen hij klein was. Dezelfde intieme sfeer hing er, de halve duisternis, maar ook de onbenulligheid, de zichtbare overbodigheid van de koopwaar, die alleen voor kinderen verleidelijk kon zijn of voor mensen die echt helemaal niets hadden. De Chinees en zijn vrouw, ze hadden achterin een altaartje staan met afgoden in zilver- en goudpapier, lampje en wierook ervoor. Kitsch en Coca-Cola, daar leefden ze van, net als het oude wijfje in haar rommelwinkeltje in het oude dorp, met haar Sint-Antonius en haar Lievevrouw onder een stolp. In plaats van uit te puffen in de schaduwen van het winkeltje, kreeg hij het ineens benauwd en hij haastte zich om weer buiten te komen voor de Chinees hem aansprak, stommelend met zijn schoudertas, zak en valies. Het kind van de Chinees was zo verbaasd dat het de deur voor hem openhield.

uit: toen de zomer voorbij was; uit: Noorderzon, Meulenhoff Amsterdam, 1990

Sus van Elzen (1945, Antwerpen)

A.L. Snijders vangt op zonder hond

al snijders; heereveensecourant_Fotorbron beeld: heereveensecourant.nl

Bij onderstaande column van de te vroeg overleden A.L.Snijders moest ik denken aan vluchtelingen/gelukzoekers.

Zonder hond

De onbekende man aan de deur is nog jong en de dag is nog maar net begonnen. Zijn gezicht is verwrongen, hij vraagt of hij zijn handen kan wassen. Ik wil hem niet binnen laten, maar ik wil me ook niet door angst laten leiden. Dit het moment dat ik een hond ontbeer, een grote hond uit Afrika of Brazilië, die ervoor zorgt dat niemand aanbelt. Er zit trouwens ook een kraan buiten aan het huis, voor het besproeien van planten.

Ik laat hem binnen, ik zie wel wat ervan komt. Nadat hij zijn handen heeft gewassen drinkt hij een kop koffie en vertelt over zijn miserabele leven. Hij vertelt dat hij een onbruikbare man is. Ik zoek het op, ik kom bij een uitspraak van Goethe: ‘Een onbruikbare man kan niet bevelen en ook niet gehoorzamen.’ Ik stel voor dat we Goethe er maar buiten laten, we kunnen ons beter richten op Martialis: ‘Een echte man blijft altijd een beginneling.’ Daar is mijn gast het mee eens. Ik maak nog een lunch voor hem en als hij om vier uur weer verder gaat, maakt hij een ontspannen indruk. Ik ben ook tevreden, omdat het zonder hond dus ook gaat.

uit: tat tvam asi, AFdH Doetinchem, 2021

Dichter bij Raphael

rafael; naakt op de rug gezien

Schetsen, tekenen; het is het instrumentarium van de kunstenaar. Het zijn de probeersels voordat het definitieve idee vorm krijgt. Op doek, het liefst in één keer goed. Voor uitstapjes is het dan te laat. Juist die probeersels brengen ons het dichtst bij de kunstenaar. Bieden het inkijkje in het proces. Zoals bij deze schets met rood krijt. Van Raphael, die we kennen als Raffaello Santi (1483-1520, It).

Een mooie studie in rood krijt van Rafaël, die zo door de goden bemind werd dat hij maar 37 jaar mocht worden hier op aarde. Wie voelt niet de neiging in zich opkomen om dat voetje, dat zo fraai in de knieholte van het rechterbeen gebed ligt, even tersluiks te kriebelen?

uit: wandelen in dromen, Jan Wolkers in het Teylers, Rombach Haarlem, 1999