Op het water: vader viel van de boortoren

uphoff; nrc.nlbron beeld: nrc.nl

Het is een kort verhaal van schrijfster Manon Uphoff (1962) en is getiteld: Waterwaterwater. Daarin passages over vissers, vissersvrouwen en de zee. De navolgende passage wordt vooraf gegaan met een mythisch verhaal over een vissersvrouw, haar dochter die onderwater wordt opgevoed door een zeeheks.

Ook heb ik eens – samen met mijn vader en mijn moeder en mijn broers – in een museum op een eiland dat naar lavendel rook, in nissen albasten flesjes gezien waar zeemansvrouwen hun tranen in bewaarden. Tranen die ze tijdens de afwezigheid van hun mannen vergoten. Hoe groter het gemis, hoe groter het aantal tranen. Hoewel sommigen zeewater verzamelden en in de flesjes goten en dat bij terugkeer aan hun mannen gaven. En als de zeelui bruin verbrand en met wilde baarden en woest groeiende snorren terugkwamen, zwoeren ze dat ze trouw waren geweest, net zoals de vrouwen zwoeren dat hun dagen doods en leeg waren gebleven, zonder een momentje vreugde, en dan leefden ze weer met en naast elkaar alsof de mannen geen hoeren hadden bezocht die je kon berijden als een paard, en alsof de vrouwen geen jongens tegen zich aan hadden gedrukt en naar binnen gevraagd, gewoon, om eens te helpen met dit en dat…

En toen viel mijn vader van de toren op het booreiland waar hij werkte, en verdronk.

Ik weet van de dauw die ze vangen in netten in de woestijn zodat ook op de meest dorre en droge plekken water kon worden verzameld en niemand van de dorst hoeft om te komen. Die dauw schijnt en parelt als parels en diamanten op het net. Niet te geloven dat water zo mooi kan zijn. Ook weet ik van een druppel bloed die een hele zee rood kleurde, van water dat er helder uitziet, maar dat bedorven is, vol virussen en ziektekiemen.

Toen viel mijn vader van de toren op het booreiland en verdronk en nu is dat het verhaal dat ik het beste ken en aan iedereen vertel.

uit: waterwaterwater; uit: Langs het water, Atlas Amsterdam, 2002; ism Nederlandse Waterschapsbank

Manon Uphoff (1962, Utrecht)

Clipperton-vuurtoren herbergt afschuwelijke gebeurtenissen

De vuurtoren, baken en bron van licht is vaak de plek waar duistere verhalen een plek krijgen. Aan het einde van het land, daar waar de onvoorspelbare zee begint, die neemt en geeft, wordt de mens op de proef gesteld. Het is een eenzaam bestaan, vuurtorenwachter. Hij wacht en houdt zich bezig met onderhoud en controle.  In veel gevallen is de plek een bijzondere.

clipperton overlevenden; pinterest.com

bron beeld: pinterest.com

Dat geldt zeker voor de vuurtoren van Clipperton, Ile de Passion in de beleving van de Fransen, die er altijd wel een romantische draai aan weten te geven. Het is een eiland in de Stille Oceaan, in de tropen nabij Mexico. Tegenwoordig is Clipperton een soort ring omgeven door water, zowel binnen als buiten de ring. Ergens steekt een rotsformatie uit en die herinnert aan de plek waar de vuurtoren stond. Als navigatiepunt had Clipperton nauwelijks waarde, wel als plek waar onheilspellende en afschuwelijke gebeurtenissen plaats vonden. Een bewijs is bijgaande foto uit 1917. Genomen op het dek van een oorlogsschip toont het vrouwen en kinderen, de laatste bewoners van het eiland.

Rond 1906 vestigt zich een klein detachement van het Mexicaans leger zich op het eiland. Soldaten en hun gezinnen. Doel is de onafhankelijkheid op te eisen. Het eiland wordt bevoorraad vanuit Mexico. Tijdens de Mexicaanse Revolutie wordt het bevoorradingsschip in brand gestoken en zinkt voor de kust van Mazatlan. De eilandbewoners weten van niets maar hun eten en drinken blijft uit. Een jaar lang. Tot een Amerikaanse schoener opduikt (1915). De schoener strandt maar krijgt hulp. De commandant van de Amerikanen biedt de 27 overlevende eilandbewoners hulp aan. Maar die wordt door hun leider Ramon Arnaud geweigerd. Het merendeel van de bewoners wacht de dood of krankzinnigheid.

Arnaud zelf gaat aan krankzinnigheid ten gronde. Op een ochtend ontwaart hij een volgend schip. Samen met enkele overgebleven mannen stapt hij in een roeiboot, vaart de zee op, en zinkt.

Op het eiland blijven vrouwen, kinderen en de vuurtorenwachter over: Victoriano Alvarez. Ook hij is gek geworden. Hij verschanst zich in de vuurtoren, gewapend met een geweer en roept zich uit tot koning van Clipperton. Voert een schrikbewind uit, maakt de vrouwen tot slaaf en dwingt hen tot seks. Vrouwen die weigeren worden vermoord. Dat duurt twee jaar. Alicia Rovira en Tirza Randon weten Alvarez van het leven te beroven met hamers en messen. Kort daarna verschijnt een Amerikaanse kannoneerboot aan de horizon en weet de overgebleven vrouwen en kinderen te bevrijden. Vanaf die dag blijft Clipperton onbewoond.

De rotsformatie van Clipperton waar de vuurtoren stond (links). Rechts een impressie van de vuurtoren. Bronnen beeld: pacificvoyages.net en islandlightphotos.net

bron: Atlas van vuurtorens aan het einde van de wereld – José Luis Gonzalez Macias, Meulenhoff Amsterdam, 2021; vertaling Irene van de Mheen

Monterosso, mon amour: literair Memories

pfeiffer; trouw.nlbron beeld: trouw.nl

De novelle Monterosso, mon amour van schrijver en dichter Ilja Leonard Pfeiffer (1968) deed me denken aan het tv-programma Memories. Mensen op zoek naar de meest indrukwekkende liefdesmomenten uit hun verleden en wat daarvan nu resteert. Ik  moest er een beetje inkomen in dit boek dat niet schroomt om met wat hinderlijke clichés te beginnen.

Hoofdpersoon Carmen heeft last van opspelende herinneringen aan haar eerste vakantie aan de Middellandse Zee, te weten Monterosso, Italië. Ze kreeg er haar eerste zoen en nog wel onder water. Antonio was de dader. Bestaat Antonio nog? Carmen besluit terug te keren naar Monterosso. Gepland is een weekje maar door de uitbraak van de Corona-pandemie duurt haar verblijf langer.

Wat het boekje charmant maakt is dat Pfeiffer wel een literair verhaal kan vertellen, inclusief humor, zelfspot, een verrassend einde en geloofwaardige personages. Uiteindelijk was het geen straf het boekje tot me te nemen. ‘Een heerlijk tussendoortje,’ zou ik willen zeggen.

Over Carmen en haar beweegredenen voor haar ‘trip down memory lane‘:

Carmen begint er vrede mee te krijgen dat ze aan haar ridicule bevlieging heeft gehoorzaamd en op grond van een nogal theatrale overweging is teruggekeerd naar dit strand. Ze is er bijna klaar voor om zelfs een zekere trots te ervaren vanwege het feit dat ze zich aan haar belofte heeft gehouden zonder het nodig geacht te hebben dat iemand daar getuige van zou zijn en dat iemand de betrouwbaarheid van haar karakter hardop of in stilte zou prijzen. Het is nutteloos om hier te zijn, dat klopt, maar is niet alles nutteloos wat van waarde is? Betekenis is te vinden waar praktisch nut en persoonlijk gewin meewarig het hoofd afwenden. Juist het feit dat ze er zelf helemaal niets van verwacht, maakt haar gebaar stijlvol. Het zou ijdel en verwaand zijn om te spreken van een offer, want welbeschouwd hebben we het over een weekje vakantie, maar deze kleine, nodeloze pelgrimage naar het decor van een dierbare herinnering brengt haar dichter in de buurt van zichzelf en van de sensatie iets zinvols te doen dan al haar vroegere wereldreizen.

uit: monterosso, mon amour; Boekenweekgeschenk 2022, CPNB Amsterdam

Magris microcosmi: ‘elk vertrek is verdriet om het afscheid en de terugkeer’

Mali_Losinj;yachtcharter-magazin.de

Losinj, eiland in de Kvarnergolf behorend tot Kroatië; bron beeld: yachtcharter-magazin.de

In de microcosmos van Claudio Magris (1939, It) zijn we aanbeland op de Absyrtiden, de eilanden voor de kust van het huidige Kroatië. Geliefd bij de Italiaanse toerist. In zijn verhalen over dit gebied gaat het over de streek, haar geschiedenis en haar bewoners. Omdat we spreken over eilanden, gaat het zeker over de kust, het land en de zee; vooral de zee.

‘Addio barba’, adieu beste vriend, goede reis, zeggen de mensen op Cres wanneer er een begrafenisstoet door de straten komt. Nino is geen kerkganger, geen sprake van, maar voor wie op zee is geboren en getogen, is elk vertrek niet alleen verdriet om het afscheid, maar doet het ook denken aan terugkeer. Dat wisten de bewoners van Losinj, die de mooiste baai van hun eiland Cikat, in het Italiaans Cigale, hadden genoemd, naar het Kroatische werkwoord cekati, dat wachten betekent, wachten op familieleden die zijn vertrokken met de vissersboot of het zeeschip.

losinj-uvala-cikat; moirecharter.eu

Losinj en Cres gezien vanuit de lucht; bron beeld moirecharter.eu

Cikat is een bocht die een opening naar zee vormt en deze tegelijk omsluit, armen die zich spreiden en zich samentrekken, cirkel van de horizon, muziek van het verdwijnen en weer verschijnen – ‘Strophe, voll von Untergang und voll von Wiederkehr,’ dichtte Gottfried Benn, vergankelijkheid van de individu en voortduren van het zijn, tijdperken en millenia die weer aan het oppervlak komen in de door de zee geslepen woorden en steentjes. De scherven op het strand zijn glad, maar de scherpe punt is pas kortgeleden afgerond, misschien een tiental generaties geleden; megalithische en Liburnische beschavingen zijn verdwenen als het licht dat de zee langzaam opslorpt, het door de branding verplaatste zand kneedt oude botten. Een jonge voet trapt op een schelp, de schelp breekt en de voet bezeert zich aan de scherpe stukjes; het is bloed van het leven, de liefde is als een nootje, als je het niet breekt kun je het niet eten, is de tekst van een liedje op deze eilanden. De schelp ligt op het strand, open en gewond; het water spoelt hem schoon en wist het spoor uit van die voet, de eeuwen verstrijken als getijden, de scherven worden afgerond, geven aangenaam mee onder een andere blote voet. Een boot komt terug in de baai, wordt op het droge getrokken; iemand gaat terug naar huis.

uit: microcosmi – Claudio Magris, Bert Bakker Amsterdam, 1998; vertaald door Anton Haakman

Jan Peter van Opheusden schildert vanuit het hart met geoefende hand

jp van opheusden; vermoeden2jp van opheusden; vermoeden4jp van opheusden; vermoeden6jp van opheusden; vermoeden8

Jan Peter van Opheusden (1941, Eindhoven) studeerde in zijn geboorteplaats aan de Academie voor Industriële Vormgeving, was 15 jaar werkzaam als leraar voordat hij besloot vrij kunstenaar te zijn. Hij is een alleskunner. Schildert, beeldhouwt en gebruikt grafische technieken.

Zijn werk is kleurrijk en valt onder de expressieve en figuratieve kunst. Thema’s komen veelal voort uit het dagelijks leven: huizen, portretten, stillevens. Met kwast en verf kan hij het best vormgeven wat hij voelt als het om het leven gaat. Zijn stijl is: ‘Uit het hart met een rechtstreekse lijn naar de geoefende hand’, zoals hij het zelf formuleert.

Het is een onvervalst zinnelijk schilderen zonder grenzen, concludeert de Duitse deskundige dr. Manfred Boetzkes. Wat ik er mooi aan vind is dat zijn werk ruimte biedt aan het vermoeden. Zijn werk toont vaag bekende beelden in een situatie die door kleur- en vormgebruik veel te raden laat.

jp van opheusden; vermoedenjp van opheusden; vermoeden3jp van opheusden; vermoeden5jp van opheusden; vermoeden7

Zetpoter Rijneveld: welke juf redt je in de oorlog?

nieuwendijk chr school; plaatsengids.nl

De Christelijke school in Nieuwendijk op een ansichtkaart lang geleden; bron beeld: plaatsengids.nl

In Het Warmtefort, het boekenweekcadeautje van Marieke Lucas Rijneveld haalt de schrijver herinneringen op aan de schooltijd en de eerste liefde. Die eerste liefde betrof veelal de schooljuffrouw. In het navolgende fragment gaat het over school- en oorlogstijd. Over actualiteit gesproken.

Meneer Biesheuvel vergat in zijn verhaal nooit een van mijn lievelingswoorden: zetpoters. Het is een ander woord voor pootaardappelen die in de vruchtbare aarde worden geplant. In Nieuwendijk noemen ze zo de lichting kinderen die de eerste klas van de school gaat bevolken. In 1995 was ik zelf een zetpoter. Ik zou dat altijd blijven, hoeveel klassen er ook volgden. Overal waar ik kom voel ik me een nieuweling. Ik wist dat meneer Biesheuvel dit erkende, want hij gebruikte het woord zetpoter vaak en keek er altijd wat gelukzalig bij, alsof hij op zo’n overheerlijk vleesballetje in de groentesoep was gestuit en dit niet meer had verwacht.

Dan is het dinsdag 12 december 1944. Het Parool kopte die dag: IS DAT NODIG? Het was een vraag over al dat oorlogsgeweld, over alle schade en alle slachtoffers. Die dag vallen Duitse troepen Nieuwendijk binnen, granaten exploderen tussen de dijkhuizen, zeventien dorpsbewoners komen om het leven. De kinderen kunnen lange tijd niet naar school omdat vijandelijke troepen het schoolgebouw gevorderd hebben en in de lokalen verblijven. Pas drie maanden later, na de bevrijding, als de wonden van het schoolgebouw van de granaatbeschietingen geheeld zijn, gaan de poorten weer open – ik moet eerlijk zeggen dat ik nooit zo oplette bij dit gedeelte omdat ik bang was dat de geschiedenis zich zou herhalen, dat het weer oorlog werd en de soldaten terugkeerden en door de straten marcheerden. Dan zag ik de granaten als halsbandparkieten door de lucht suizen en vroeg ik me koortsachtig af welke juf ik het eerst zou redden. Nooit kwam ik tot een goede keuze, ik wilde ze geen van allen verliezen.

uit: het warmtefort, CPNB Boekenweek, 2022

Marieke Lucas Rijneveld (1991, Nieuwendijk)

Bijna iedere dag muziek: Kate Bush

Sinds ik terug ben in het dorp om afscheid te nemen van de school zie ik overal vleermuizen. Bijvoorbeeld op de voorkant van de single Breathing van het album Never fot Ever, waar Kate Bush verkleed als vleermuis op de grond ligt. In de videoclip Violin van datzelfde album, fladdert ze – terwijl ze hoge kreten uitslaat, zoals alleen Bush dat kan – met haar zwart doorschijnende vleugels woest door het beeld. Nergens vind ik precies waarom ze er als een gladneus uitziet, alleen een zinnetje dat het kostuum voor de donkere kant in haar werk zou staan. Bij mij staan de handvleugeligen juist voor het licht.

uit: het warmtefort, Marieke Lucas Rijneveld, CPNB boekenweek 2022

Martin Michael Driessen laat een kogel leven

driessen; demorgen.bebron beeld: demorgen.be

Een bijzonder boekje is het: Het licht aan het einde van de loop van Martin Michael Driessen (1954). Hoofdpersoon is een kogel (ondertitel: autobiografie van een kogel). In het boekwerkje zit een kogelgat, rechtsboven in de hoek. De tekst staat er netjes omheen, zodat doorlezen geen probleem is.

De novelle begint met een gedicht: Over een kogel gevonden bij Clechwarton van A.F. Housman (1859 – 1936). Daaruit twee strofen:

Voor bloed en wonden ooit gemaakt / Maar ongeschonden, zonder schuld. / Hij heeft zijn missie niet vervuld / En nooit een jongenslijf geraakt.

Het ding dat zijn bestaan betreurt / Is even eenzaam als de mens. / Een hart te treffen was zijn wens. / En dat is hem noch mij gebeurd.

En dan het verhaal zelf. De introductie:

Henry noemen we de Colt.38 die de la met ons deelt en voor wie we zijn bestemd. Hij is zwaar en zwijgzaam, nogal nors gezelschap eerlijk gezegd. De meeste revolvers beschouwen zich als min of meer superieur aan hun ammunitie. Maar wij hebben onze eigen trots, zonder ons zouden zij immers betekenisloze mechanieken zijn.

Onze eigenaar is gelukkig geen sportschutter – dat zou ons maar een kortstondig en eerloos bestaan hebben opgeleverd. Wij zijn hier om zijn veiligheid en die van zijn echtgenote en zijn huis te garanderen. Wij zijn ons bewust van ons belang, hoeveel nutteloze tijd er ook verstrijkt. De twee onbemande gaten in het inlegblad beschouwen we als symbolen voor onze bereidheid ons voor een hoger doel op te offeren. Omdat we in drie rijen van vier gaten gerangschikt zijn, speculeren we er weleens over waarom niet de eerste twee ontbreken, maar de nummers zeven en acht. Dat kan toeval zijn, maar misschien is het te wijten aan de enigszins onvaste hand van onze eigenaar. Wij kogels verafschuwen willekeur.

uit: het licht aan het einde van de loop, Van Oorschot Amsterdam, 2022

Martin Michael Driessen (1954, Bloemendaal)

Boekenweek: Monterosso mon amour

Wordt ontevredenheid tevredenheid als je je erbij neerlegt? De laatste tijd betrapt Carmen zich erop dat zij zich op verloren momenten, wanneer ze alleen thuis is of wanneer ze in de bibliotheek tussen twee vergaderingen door haar bureau opruimt, steeds vaker dit soort onmogelijke vragen stelt. Zo kan het voorkomen dat zij, nadat ze de werkster heeft betaald en begroet en plaatsvervangend moe op de bank ploft voor haar middagsherry, opeens zonder praktische aanleiding begint na te denken over de vraag of gewenning een overlevingsstrategie is die een evolutionair voordeel biedt. Vorige week, toen een van de vriendinnen van haar leesclubje Anna Karenina noemde, herinnerde zij zich de beroemde openingszin van die roman, waarin wordt beweerd dat alle gelukkige families eender zijn maar dat elke ongelukkige familie ongelukkig is op haar manier, en ze miste vervolgens een groot deel van de discussie omdat ze het niet kon helpen om zich af te vragen of dat waar was en om vervolgens te stranden in gedachten over de vraag of geluk en ongeluk wel als familieaangelegenheden kunnen worden beschouwd. En toen ze gisteren de subsidieaanvragen aan het archiveren was, dacht ze aan Nietzsche, aan wie ze sinds haar wilde jaren in Amsterdam niet meer had gedacht, en aan zijn uitspraak, als ze het zich tenminste goed herinnert dat die van Nietzsche was, dat vrijwel alles valt te verdragen als je een doel hebt in je leven.

Zo vraagt ze zich af wat verloren momenten zijn. Als alle momenten als confetti op de ochtend na het feest door de tijd worden opgeveegd en geen enkel ogenblik op de onstuitbare teloorgang kan worden herwonnen, hoe kunnen sommige momenten dan meer verloren zijn dan andere? Elk uur wordt ze een uur ouder, ongeacht of ze energiek vooruitblikt of melancholisch over vroeger mijmert, en het gevolg daarvan is dat er steeds minder is om naar uit te kijken en steeds meer vroeger om te betreuren. Wanneer mensen van verloren momenten spreken, bedoelen ze momenten die niet bijdragen aan de doelstellingen die ze voor zichzelf hebben uitgestippeld, maar als je dat gedoe met doelen hebt opgegeven, is er geen grond meer om verloren ogenblikken van welbestede tijd te onderscheiden. Of bedoelen mensen dat momenten waarop zij zich laten afdrijven op de lome stroom van zachtjes klotsende gedachten verloren zijn? In dat geval kan Carmens leven in toenemende mate als verloren beschouwd worden.

uit: Monterosso mon amour – Ilja Leonard Pfeijffer, CPNB, 2022

pfeijffer; demorgen.bebron beeld: demorgen.be

Ilja Leonard Pfeijffer (1968, Rijswijk)

Henry Moore’s beeldhouwwerk biedt troost

henry moore, shelterscenesPink and Green Sleepers 1941 by Henry Moore OM, CH 1898-1986henry moore, shelterscenes3henry moore, shelterscenes4

Om over het beeldhouwwerk van de Brit Henry Moore (1898-1986) te kunnen beginnen is het van belang om de Tweede Wereldoorlog erbij te halen. In die periode maakte Moore vrij toegankelijk werk: zijn madonna’s waren niet robuust, eerder sentimenteel. Moore wilde in die tijd troost bieden. Dat deed hij als officieel oorlogskunstenaar door aandacht te besteden aan het lijden van de Londense bevolking, die veel en vaak ondergedoken zat in schuilkelders. Daar ontstonden zijn monumentale Shelter drawings. Het bleken voorstudies te zijn op wat later kwam. Beelden die geïnspireerd waren op delen van het menselijk lichaam; botten, dieren, schelpen, stenen en rotsformaties. Afwisselend hol en bol.

Moore was van het ambachtelijke; werken met eerlijk materiaal dat organische eigenschappen bezat. Hij werkte vanuit het materiaal. Landschapsgodinnen en moederbeelden van enorme omvang moesten ‘vanuit de natuur’ verrijzen. Zijn beelden stonden bij voorkeur in de openlucht. Vaak zijn het twee vormen tegenover elkaar (moeder en kind). De beelden zijn abstracte verbeeldingen van geborgenheid, veiligheid. Op de plekken waar de beelden staan, bieden ze bescherming, al was het maar tegen slecht weer.

Moore wilde met zijn beeldhouwkunst de mens verzoenen met zijn ongewisse bestaan door zijn lot te verzachten. Daarbij liet de Brit zich inspireren door de oude Griekse en Mexicaanse beelden. Maar ook Rodin (het romantisch-sensitieve) en Brancusi (het abstracte) waren bronnen waar uit hij laafde.

bron: de tweede helft, Ad de Visser, SUN Nijmegen, 1998

henry moore, sculpturehenry moore, sculpture2henry moore, sculpture3henry moore, sculpture4henry moore, sculpture5