Kader Abdolah hoort een jongetje huilen

Schrijver Kader Abdolah (1954) werd in Iran geboren, ontvluchtte de dictatuur nadat Khomeini aan de macht kwam. Sinds 1988 woont hij in ons land en schrijft hij over wat hij meemaakte. Plekken in ons land roepen herinneringen op. Zoals een wandeling langs de IJssel.

Rivieren zijn getuigen in mijn vaderland. Ze verbloemen niets. Ze komen uit de hoge bergen. Soms zingen ze. Soms schreeuwen ze, soms huilen ze stil met ons mee.

Soms zijn ze lief, soms boos, soms brengen ze bloemen mee. Soms een lijk.

Rivieren zijn rivieren of ze nu hier stromen of in mijn vaderland.

Als ik hier langs de IJssel wandel, verwacht ik dat de rivier iets meevoert en dat zij me iets onverwachts laat zien.

Rivieren kunnen soms iets creëren. Iets vormgeven of iets ontcijferen.

In mijn vaderland voeren de rivieren vaak een lijk mee. Soms slaan ze het lijk hard tegen de rotsen als iets onreins. Ze spugen het op de oever en stromen verlost door.

Soms brengt een rivier een heel ander soort lijk mee. Je ziet dat de stroom het lijk in haar armen wiegt. Je hoort dat de rivier zelf huilt, je ziet dat zij zich als een getuige gedraagt. Zij slaat het lijk niet tegen de rotsen. Zij laat het lijk niet langs de oever achter. Zij draagt het een lange weg in haar armen mee en laat het iedereen zien. Daarna voert zij het mee naar de zee, naar de oceaan.

Zo stromen de rivieren in mijn vaderland. En zo stromen ze in mijn hoofd.

De IJssel brengt Abdolah terug naar zijn jeugd, naar de Sefiedgani, de rivier van zijn kindertijd. De rivier die langs zijn ouderlijke huis stroomde. Aan de overkant waren de paden van de druiventuinen, waar de jonge Kader speelde en naar slangen zocht.

Voor mij blijven rivieren en slangen met elkaar verbonden. Een associatie die steeds terugkomt.

Als het warm was, zag je een groep oude, kleurige slangen die ritselend via een tuinpad naar de rivier kropen om zich te verfrissen. Ze wachtten even bij de oever, keken naar rechts, dan naar links en als er niemand was, schoven ze met z’n allen de rivier in. Ze lieten zich eerst met de wilde golven meevoeren, daarna zwommen ze tegen de stroom in en kropen weer de oever op, terug naar de druivenvelden.

Als ik hier langs de IJssel wandel, zoek ik onbewust naar slangen, maar ik heb ze nog nooit gezien.

De IJssel misleidt me soms. Ik denk een groepje slangen te zien dat naar de oever zwemt. Het zijn geen slangen, maar wel kleine, rustige golven die tegen de oever slaan en dan terugkeren.

Ik hoor altijd het gehuil van een jongetje in het geluid van de golven. Als ik ’s avonds laat langs de rivier wandel, hoor ik hem. Ik hoor dat het jongetje iemand smeekt.

Wie is het jongetje, dat als ik langs de IJssel wandel, in mij begint te huilen?

uit: rivieren zijn getuigen; uit: De meisjes en de partizanen, De Geus Breda; 1995

kader abdolah; drukkerijmiddelburg.nlbron beeld: drukkerijmiddelburg.nl

Kader Abdolah (1954, Iran)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s