Tessa Leuwsha verhaalt over Broos

broos; fbpagina slavernij in surinameDe foto die Marronleider Broos liet maken door Selomoh del Castilho, rond 1870; bron beeld: Facebook-pagina Slavernij in Suriname

In De wilde vaart, op zoek naar de veerkracht van Suriname, vertelt schrijfster Tessa Leuwsha (1967, Amsterdam) over haar rivierenboottocht in Suriname. Een tocht uit (Corona)nood geboren, waarin zij op zoek gaat naar haar wortels en geschiedenis. Dat leverde een alleszins leeswaardig boek op dat zicht biedt op historie, de kracht van de natuur en de overlevingsdrang van de Surinaamse inwoners.

In een aantal intermezzo’s komen, voor ons lezers, interessante feiten en verhalen voorbij. Eén daarvan is de mythe, legende over de vrije slaafgemaakte en Marronleider Broos. Over zijn historie schrijft Leuwsha: ‘Noem het een mythe, een legende. Verhalen zijn waar of ze vormen een nieuwe waarheid in je hoofd, daar tussen je oren waar feiten en verzinsels zich vervlechten.’

Het verhaal is te mooi en te mythisch om voorbij te laten gaan. Broos en zijn broer Kaliko zijn ontsnapt aan de plantage waar ze moesten werken. Weglopers zijn ze. Het verhaal begint als ze op de rug van een gigantische kaaiman de zwamp oversteken naar Kaimangrasi. Daar gaan ze schuilen en zich vrij voelen. Het is ruig en onherbergzaam gebied, moerasachtig.

‘Broer, op een droge plek maken wij ons kamp en daarna zullen we ook anderen helpen ontsnappen’, belooft Broos zijn broer. Ze maken een hut, vangen vissen en offeren aan het opperwezen Anana als dank voor de geslaagde vlucht. Na een paar weken besluiten ze terug te keren naar de plantage en hun broeders en zusters te bevrijden. Dat lukt en het aantal Brooskampers groeit gestaag. De groep wordt beschermd tegen de zoektochten van de slavenhouders door obia, de magische kracht uit een kruid gewonnen, die Marrons gebruiken om de slavenhouders van verre te horen aankomen. ‘Obia kon je niet aanraken, die magie verschool zich in de bomen, in het water, in de lucht.’

Met zoveel vrije slaafgemaakten drong de kwestie van de ruimte zich op. Een oplossing bood plantage Rorac. Op die plantage werkten Afrikanen die op zaterdagavond mochten zingen en dansen. Broos had aangekondigd dat deze groep kon gaan vluchten. De Brooskampers zouden voor opvang zorgen. Na een avond zingen en dansen en een dronken opzichter, die toezicht moest houden, verdween de hele groep ’s nachts in het moeras. De volgende ochtend schrok de katerige opzichter zich wezenloos: Waar was iedereen gebleven? De man raakte in paniek en vluchtte weg. Broos nam zijn woning in bezit en de slavenhutten werden in gebruik genomen als nieuw onderkomen voor de rest. Broos was meester over de plantage geworden.

Dat viel niet in goede aarde bij de gouverneur Reinhart van Lansberge. Hij kondigde een bospatrouille (strafexpeditie) aan. Maar door gebrek aan kennis van het terrein werden de leden van deze veldtocht makkelijk in de pan gehakt. Broos, onschendbaar door een tapu (amulet), liep daarbij geen schrammetje op. De gouverneur was witheet na deze mislukte expeditie en bevool een heftiger strafexpeditie: met een kannoneerboot moesten de Brooskampers verjaagd worden. Dat lukte: de Brooskampers werden verjaagd en vluchtten, terug naar Kaimangrasi.

Dit alles tegen de achtergrond van de afschaffing van de slavernij op 1 juli 1863. Op papier waren de slaafgemaakten van Suriname toen vrij; in de praktijk moesten ze nog tien jaar lang werken op de plantages waar wat kleingeld tegenover stond.

bron: De Wilde Vaart Tessa Leuwsha, Atlas Contact Amsterdam, 2022

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s