Bijna iedere dag muziek: Weill en Eisler

https://youtu.be/aSLTvKC-P3Y

Op zondagavonden lag ik met mijn oor tegen de raio omdat ik geen noot wilde missen van De charme van het chanson, een uitzending van de betreurde Johan Anthierens. Anthierens heeft me vertouwd gemaakt met Barbara en Brel en Brassens. Dat lag in het verlengde van het Frans op school en op straat. Maar Anthierens gaf me ook de stem van Lotte Lenya, dus Weill, dus Brecht, dus Duits. Zodra ik Surabaya Johnny had gehoord, wilde ik alles horen. Ik heb sindsdien al veel, maar nog steeds niet alles gehoord. Want na Weill kwam Eisler. Ik kan niet met droge ogen luisteren naar Hans Eisler die kortademig zijn eigen muziek op de Kinderhymne van Bertolt Brecht zingt:

Anmut spare mich noch Mühe / Leidenschaft nicht noch Verstand. / Dass ein gutes Deutschland blühe / Wie ein andres gutes Land.

Behalve Weill, Eisler (en Dessau) ben ik niet in staat muziek van pakweg na de Eerste Wereldoorlog te waarderen. Webern, Alban, Berg, Bartók, zeker Berio of Ligeti, hoe ik het ook probeer, ik kom er niet in. Ik vrees dat ook op dat punt te zeer gedetermineerd ben door wat ik in mijn jonge jaren heb leren kennen. Alleen dankzij taal ben ik erin geslaagd langzaam door te dringen tot moeilijk werk als de suite voor septet van Eisler of het Berliner Requiem van Weill.

uit: van een jongetje dat piano moest spelen en Frans moest leren – Geert van Istendael; uit: Muziek in mijn leven, Prometheus Amsterdam, 2005

Marc Tritsmans Dicht de Dag

Teken

Je slaapt en dat is het moment / waarop mijn hand tast naar / een teken dat voor jou verborgen / blijft al moet het door je huid. / Je buik ligt zowat naast je

en iets komt langs, het lijkt / een tong die gedachteloos / glijdt langsheen de binnenkant / van een wang, iets wil zeggen, / zich bedenkt en zwijgt.

uit: de wetten van de zwaartekracht, Tielt, 1992

Marc Tritsmans (1959, Antwerpen)

marc tritsmans; poeziecentraalbron beeld: poeziecentraal.be

Priemende ogen, tandeloze mond

Herta-Mueller; welt.debron beeld: welt.de

In Lage streken vinden we verhalen van de Roemeens-Duitse Nobelprijswinnaar Hertha Müller (1953). Het zijn evenzovele voorbeelden van haar manier van schrijven, die uniek is. Soms zijn de zinnen uitgebeend. Vaak geef ze haar eigen poëtische draai met een eenvoudige taal die de verhoudingen tussen mensen schetst; mens en natuur en gebeurtenissen aan trauma’s knoopt. Of dat nu de oorlog, de dictatuur of de verhouding man-vrouw-kind betreft. Een mooi voorbeeld van haar unieke taalgebruik is het volgende:

Tussen onze ramen, tussen onze halve gezichten kijkt het hoekige gezicht van mijn moeder met een zwarte zijden hoofddoek, met gespikkelde priemende ogen, met een tandeloze mond.

De priemende ogen drijven uit het hoekige gezicht, uit de zwarte zijden hoofddoek, drijven naar het eind van de open straat, naar het eind van het dichtgebonden dorp. Achter de laatste tuinen, achter de holle brug openen de priemende ogen de grond en ze vallen erin.

Aan de dorpsrand staat een kruis. Jezus hangt aan de kant van de weg te bloeden en kijkt afwezig door een raam van kapotte pruimenbomen naar het rapenveld.

Mijn ogen drijven uit het raam, drijven uit mijn hoofd, uit mijn hete mond, uit mijn verstopte zweet. Mijn raam is blind. Mijn armen zijn doodgewikkeld in Peters armen. Ik kijk nog een keer door mijn blinde raam en zeg snel en zachtjes: Ik ben misselijk.

Mijn tong valt in mijn mond. Ik val over mijn zijdegrijze schemerige klok. Ik zak in de onrustige plooien van de zwarte rokken van de stokoude vrouwen, in de grijpende handen, in de tandeloze mond.

De zwarte rokken zijn even open als de straten, even dichtgebonden als het dorp, even gebroken als de grijpende grond achter de laatste tuinen, achter de priemende ogen, achter de tandeloze mond.

uit: het raam; uit: Lage streken, De Geus Breda, 2012; vertaling Ria van Hengel

Hedendaagse Japanse posters

makoto saito; postermakoto saito; poster2makoto saito; poster3

Werk van Makoto Saito

Bijgaand het werk van twee Japanse postermakers. Het gaat om posters van Makoto Saito (1952) en Koichi Sato (1944). De posters kenmerken zich door een zeer persoonlijke grafische stijl. De posters werden gemaakt om culturele activiteiten onder de aandacht te brengen, of het werk van de makers zelf. In alle gevallen was de creatieve vrijheid groot en gaf de opdrachtgever carte blanche.

De commerciële Japanse poster is de moderne versie van houtsnede-print of ukiyo-e. Net als in de houtsnede zijn de afbeeldingen vaak een-dimensionaal; wordt er stevig gebruik gemaakt van kleur en zijn ze ingebed in de oeroude calligrafie-kunst. Een zeer preciese structuur en orde ondersteunen de compositie.

Aan het vervaardigen van de posters gaat een ingewikkeld maak-proces vooraf. Hoogstaand technisch kunnen is in alle gevallen een vereiste. Kleur en oppervlak zijn rijk en uniek, zeker als je bedenkt dat het gaat om het tijdelijke en commerciële uitingen. De posters zijn een toonbeeld van Japanse verfijnde techniek en tonen dat de makers in een oude traditie van het print maken staan.

 

koichi sato; posterkoichi sato; poster3koichi sato; poster4

Posters van Koichi Sato

bron: moma.org

Serge Najjar toont licht-architectuur

Serge-Najjar; schaduwSerge-Najjar; schaduw3Serge-Najjar; schaduw5De Libanese fotograaf Serge Najjar (1973) toont in zijn serie De Architectuur van het licht de contrasten tussen het licht en het donker van Beirut, de stad waar hij woont. 

De serie focust zich op de paralelle wereld waarin we leven, die met de scherpe contrasten in vormen en verborgen plekken. ‘Al die elementen trokken mijn aandacht vanaf het moment dat ik begon met fotografie,’ aldus de Libanees.

Najjar richt zijn lens op contrastrijke plekken, schaduwrijke hoeken en (weer)spiegelingen. Plaatsen die normaal aan een passant voorbij gaan en nauwelijks worden opgemerkt.

Najjar gebruikte bij het maken van de serie verschillende camera’s, waaronder de oude Zeiss van zijn vader. De fotograaf ging gevoelsmatig te werk in Beirut. Er was geen sprake van een vooropgezet plan. Gebouwen en situaties dienden zich aan. “Het ging me om de effecten van schaduw op de omgeving,’ zegt hij erover.

In elke foto uit de serie speelt Najjar met contrast, hoeken; met schaduw die danst op de dikke betonnen torens en muren van de metropool in het Midden Oosten. “Voor mij is het belangrijk dat ik de dingen rondom me laat zien. Zo ontdek je een nieuwe wereld; één die je anders gemist zou hebben.’

Serge-Najjar; schaduw2Serge-Najjar; schaduw4Serge-Najjar; schaduw6

Snijders is baanbrekend

Bijgaand een voorbeeld, typisch voor de wereld van ZKV-er A.L. Snijders (1937-2021). Er is een voorval, een observatie. Er volgt een gedachte, een analyse, een nevengedachte en er worden kwesties aan elkaar gesmeed. Meestal op verrassende en oorspronkelijke wijze. Dat stemt tot nadenken.

Baanbrekend

De kikkers langs de Berkel kwaken de stilte aan stukken. Een vrouw schildert het landschap. De Berkel ontspringt in Duistland en mondt uit in de IJssel. Ik ben de wandelaar in dit tafereel, ik loop aan de overkant. Ik groet de vrouw en neem me voor haar schilderij op de terugweg te bekijken. Twee uur later ben ik terug, de vrouw is verdwenen. Ik zal het schilderij nooit zien. Dat is jammer want over honderd jaar zal dit schilderij baanbrekend blijken te zijn, terwijl ik het niet gezien heb. Ik ken een man die in een andere wereld leeft, hij geeft hiernamaals-cursussen, waarmee hij veel succes boekt. Zijn cursisten noemen hem een goeroe. Vroeger was hij fietsenmaker, maar hij heeft zijn winkel verkocht, hij kan nu leven van het hiernamaals. Ik kan hem niet volgen, mijn vader heeft mij opgevoed als een hardnekkige atheïst. Zoiets kan niet meer veranderd worden, er zijn grenzen aan de buigzaamheid van de mens. Het baanbrekende schilderij is mij voor altijd ontnomen.

uit: tat tvam asi, AFDH Doetinchem, 2021

snijders; destentor.nlbron beeld: destentor.nl

Munro leert onderscheid te maken

In het korte verhaal Doop schrijft Alice Munro (1931, Canada) over ontmoetingen van een jonge vrouw met het andere geslacht. Haar eerste vriendje is Jerry Storey, een jongen met een hoog IQ.

Jerry Storey en ik raakten bevriend. We praatten in de gangen. We ontwikkelden geleidelijk onze eigen taal, woordenschat en gespreksthema’s die we met niemand anders deelden. Onze namen verschenen naast elkaar in het kleine, gestencilde, bijna onleesbare schoolkrantje.

(..) Ik vond Jerry duizendmaal eigenaardiger en veel minder aantrekkelijk dan ikzelf, en het was duidelijk dat hij vond dat je door mijn hersens en de zijne in dezelfde categorie te plaatsen liet zien dat je niet het minste onderscheidingsvermogen had. Het was alsof je zei dat Toscanini en de plaatselijke kapelmeester alleibei talent hadden. Wat ik bezat, vertelde hij me ronduit toen we het over onze toekomst hadden, was een eersteklas geheugen, een niet-ongebruikelijk vrouwelijk talent voor taal, een vrij zwak gevoel voor logica en nauwelijks aanleg voor abstract denken. Ik mocht dan oneindig slimmer zijn dan de meeste mensen in Jubilee, zei hij, maar daarom moest ik nog niet mijn ogen sluiten voor het feit dat ik in de intellectuele, prestatiegerichte buitenwereld algauw mijn grens zou bereiken.

(..) Ik nam zijn oordeel manhaftig in ontvangst, omdat ik het niet geloofde. Dat wil zeggen, ik wist dat het waar was, maar voelde me nog steeds sterk staan op terreinen waar hij geen oog voor had en waar zijn manier van oordelen volgens mij niet gold. Ik had geen bewondering voor zijn hersentoeren, want je bewondert nu eenmaal alleen capaciteiten die gelijk zijn, hoewel groter, aan die van jezelf. Ik vond dat zijn hersens op een circustent leken vol vage apparaten waarop hij, als ik er niet was, spectaculaire maar saaie kunstjes uitvoerde. Ik zorgde ervoor dat hij niet merkte dat ik dat dacht. Hij vertelde me blijkbaar eerlijk wat hij van mij dacht, maar ik was niet van plan om eerlijk tegenover hem te zijn. Waarom niet? Omdat ik in hem voelde wat vrouwen vaak in mannen voelen, iets kwetsbaars en verwaands, iets tirannieks en absurds, en dat ik nooit voor de gevolgen zou kunnen instaan als ik me daarin mengde; ik voelde een onverschilligheid, een verachting haast, die ik voor hem verborg. Ik dacht dat ik tactvol en zelfs aardig was; ik dacht nooit dat ik trots was.

uit: levens van meisjes en vrouwen, De Geus Breda, 2014; vertaling Pleuke Boyce

munro, alice; decorrespondent.nlbron beeld: decorrespondent.nl

Bijna iedere dag muziek: Robert Johnson

https://youtu.be/Yd60nI4sa9A

De legende begint in het zuiden waar young Robert Johnson (1911-1938, USA) rondtrekt en zijn blues ten gehore brengt. Op een dag blijkt zijn faam zo ver te zijn verbreid, dat een man van een platenmaatschappij hem opzoekt in Robinsville, een plantage diep in de MIssissippi-delta, met het voorstel een paar opnamesessies te doen in San Antonio. Als Johnson in de winter van 1936* de hotelkamer binnenstapt zit die nog vol met een groep Mexicaanse muzikanten, die daar juist hun opnames voltooid hebben. Don Law, de man van de platenmaatschappij, vraagt of hij niet alvast wat voor ze kan spelen. Johnson is een jaar of achttien, en bij de aanblik van de dikke, zelfverzekerde Mexicanen knijpt een aanval van plankenkoorts hem de strot dicht. Hij keert zijn gezicht naar de muur en zwijgt. Law praat de blaren op zijn tong en krijgt Johnson eindelijk zo ver dat hij een nummer doet. Maar hij weigert zich om te draaien naar de Mexicanen, en zingt met het gezicht naar de muur.

Later op de dag, na de opnames, zoekt Law een pension voor Johnson en drukt hem op het hart dat hij wat moet slapen om de volgende ochtend weer fris te zijn in de studio. Johnson knikt. Maar net als Law in zijn sirloinsteak wil snijden tijdens een familiediner in het gerenommeerde Gunter Hotel wordt hij aan de telefoon geroepen. Het is een brigadier van politie, die hem vertelt dat hij dit nummer gevonden heeft op arrestant Johnson, opgepakt op beschuldiging van landloperij. Law schiet een jas aan en haast zich naar de gevangenis. Johnson is er slecht aan toe, niet alleen moet er een borgtocht betaald worden voor zijn vrijlating, hij is door de agenten in elkaar geslagen en van zijn gitaar is zo goed als niets meer over.

Law ontfermt zich over de country-boy op drift in de stad en brengt hem naar zijn pension. Hij geeft hem 45 cent, in die tijd genoeg voor een stevig ontbijt, en beweert hem zich de rest van de avond koest te houden en vooral binnen te blijven. Law zit goed en wel weer aan tafel te vertellen van de inspanningen om zijn onhandelbare pupil uit handen van de politie te krijgen als hij opnieuw aan de telefoon geroepen wordt. Dit keer is het Johnson zelf. Law is op het ergste voorbereid en vraagt gelaten wat er is. ‘Ik ben eenzaam,’ is het antwoord. Law is verbijsterd. ‘Hoezo, hoe bedoel je eenzaam?’, waarop Johnson zegt: ‘Ik ben eenzaam en er zit hier een dame. Ze wil vijftig cent, en ik kom dus een stuiver te kort.’

* feitelijk rammelt dit verhaal van de heren Bril & Van Weelden maar het is te mooi om niet te citeren. Legende-vorming pur sang over een artiest die invloedrijk is geweest voor de blues en zijn volgers

uit: arbeidsvitaminen, Martin Bril & Dirk van Weelden, Bezige Bij Amsterdam, 1987

Babel bericht uit Moskou over een nare droom

isaak_babel; modernista.seDe Russisch-joodse schrijver Isaak Babel (1894-1940) berichtte uit een ander Rusland in een andere tijd. bron beeld: modernista.se

Rimma en Alla zijn pubermeisjes van 16 en 17 jaar oud. Hun mama woont zonder man in hun huis in Moskou. Zij moet de eindjes aan elkaar knopen. Heeft huurders in haar huisje. Haar man werkt bij het gerecht in Kamtsjatka aan de andere kant van het land. Vrouw en dochters leven en lijden onder de afwezigheid van hun vader/haar man.

‘Ik heb vannacht gedroomd, Rimma,’ zei ze. ‘Stel je eens voor. een onbekend, klein Russisch stadje, helemaal niet thuis te brengen… De lichtgrijze hemel hangt heel laag en de horizon is vlakbij. Het stof op straat is al even grauw, een gladde, onberoerde laag stof. Alles even doods, Rimma. Geen geluid van waar ook, nergens een mens te bekennen. En dan is het me, of ik door allemaal steegjes loop die ik niet ken, langs kleine, stille, houten huisjes. Het ene ogenblik sta ik aan het eind van een blinde steeg, en dan ben ik weer op een weg, waar ik geen tien pas voor me uit kan zien en toch loop ik eindeloos verder. Ergens in de verte warrelt dan voor mijn ogen wat stof op. Ik kom dichterbij en zie een stoet van trouwkoetsen. In een ervan zit Michail met zijn bruid. De bruid draagt een sluier en haar gezicht straalt van geluk. Ik loop met de trouwkoetsen mee, het komt me voor dat ik veel groter ben dan alle anderen en mijn hart krimpt ineen. Dan merken ze me allemaal ineens op. De trouwkoetsen blijven staan. Michail loopt naar me toe, neemt me bij de hand en brengt me langzaam naar een steeg. “Alla, lieve vriendin,” zegt hij monotoon, “het is heel treurig, dat weet ik. Maar er is niets aan te doen, omdat ik je nu eenmaal niet liefheb.” ik loop naast hem voort, mijn hart bonst me in de keel en er gaan steeds nieuwe grijze wegen voor ons open…’

uit: verhalen uit Odessa en andere verhalen – Isaak Babel, Meulenhoff Amsterdam, 1988; vertaling Charles B. Timmer

James Tissot schilderde de Nouveau Riche

James-Tissot; nouveau richeJames-Tissot; nouveau riche3James-Tissot; nouveau riche5The Ball on ShipboardJacques Joseph Tissot (1836-1902, Fr) werd geboren in het Franse Nantes maar werd bekend als James Tissot omdat een belangrijk deel van zijn loopbaan zich in Groot-Brittannië afspeelde. Daar maakte hij furore en verdiende hij veel geld met het portretteren van de Nouveau Riche van die tijd.

‘Tissot, dat complexe wezen, een melange van mysticisme en aanstellerij, een moeilijkdoener in weerwil van een intelligente kop en de ogen van een gekookte vis, hartstochtelijk, met elke twee of drie jaar een nieuw appassionnement waarmee hij een nieuw contract met het leven sluit,’ aldus kritische tijdgenoten over de mooi-schilder, die een voorkeur had voor vrouwen die prachtig gekleed waren. Volgens critici waren het verkeerde jurken namelijk die van de Nouveau Riche. Volgens anderen was Tissot in onze tijd vermoedlijk mode-fotograaf geworden.

Tissot schaamde zich een beetje voor de schilderijen waarop de mooi geklede vrouwen te zien zijn. Terug in Frankrijk viel hij terug op een zweverige variant van het katholicisme en ging hij bijbelse voorstellingen maken. Het negentiende eeuwse publiek was erg onder de indruk.

De mooiste van Tissots schilderijen hebben een kwaliteit die het oog gevangen houdt, waardoor je blijft turen naar zo’n verschijning, gehuld in fabelachtige geschilderde stoffen, zwart kant, zijde, bont en wol.

(..) Bij Tissot bevond zijn beste, meest indringende werk zich daar waar noch hijzelf noch de kritiek het zocht: in de aankleding, de ambiance, de gevoelige weergave van kleinigheden.

(..) Tissots grote kracht lag in de transparante glans, de koele glasheldere precisie die boombladeren of voorwerpen op een tafel kunnen hebben, in een bepaald licht. Ik ken geen schilder die daar beter in was.

fragmenten uit: het feest achter de gordijnen – Mariëtte Haveman, Kunst en Schrijven Lochem, 2011

james tissot; nouveau riche8James-Tissot; nouveau riche2James-Tissot; nouveau riche4James-Tissot; nouveau riche6