Munro leert onderscheid te maken

In het korte verhaal Doop schrijft Alice Munro (1931, Canada) over ontmoetingen van een jonge vrouw met het andere geslacht. Haar eerste vriendje is Jerry Storey, een jongen met een hoog IQ.

Jerry Storey en ik raakten bevriend. We praatten in de gangen. We ontwikkelden geleidelijk onze eigen taal, woordenschat en gespreksthema’s die we met niemand anders deelden. Onze namen verschenen naast elkaar in het kleine, gestencilde, bijna onleesbare schoolkrantje.

(..) Ik vond Jerry duizendmaal eigenaardiger en veel minder aantrekkelijk dan ikzelf, en het was duidelijk dat hij vond dat je door mijn hersens en de zijne in dezelfde categorie te plaatsen liet zien dat je niet het minste onderscheidingsvermogen had. Het was alsof je zei dat Toscanini en de plaatselijke kapelmeester alleibei talent hadden. Wat ik bezat, vertelde hij me ronduit toen we het over onze toekomst hadden, was een eersteklas geheugen, een niet-ongebruikelijk vrouwelijk talent voor taal, een vrij zwak gevoel voor logica en nauwelijks aanleg voor abstract denken. Ik mocht dan oneindig slimmer zijn dan de meeste mensen in Jubilee, zei hij, maar daarom moest ik nog niet mijn ogen sluiten voor het feit dat ik in de intellectuele, prestatiegerichte buitenwereld algauw mijn grens zou bereiken.

(..) Ik nam zijn oordeel manhaftig in ontvangst, omdat ik het niet geloofde. Dat wil zeggen, ik wist dat het waar was, maar voelde me nog steeds sterk staan op terreinen waar hij geen oog voor had en waar zijn manier van oordelen volgens mij niet gold. Ik had geen bewondering voor zijn hersentoeren, want je bewondert nu eenmaal alleen capaciteiten die gelijk zijn, hoewel groter, aan die van jezelf. Ik vond dat zijn hersens op een circustent leken vol vage apparaten waarop hij, als ik er niet was, spectaculaire maar saaie kunstjes uitvoerde. Ik zorgde ervoor dat hij niet merkte dat ik dat dacht. Hij vertelde me blijkbaar eerlijk wat hij van mij dacht, maar ik was niet van plan om eerlijk tegenover hem te zijn. Waarom niet? Omdat ik in hem voelde wat vrouwen vaak in mannen voelen, iets kwetsbaars en verwaands, iets tirannieks en absurds, en dat ik nooit voor de gevolgen zou kunnen instaan als ik me daarin mengde; ik voelde een onverschilligheid, een verachting haast, die ik voor hem verborg. Ik dacht dat ik tactvol en zelfs aardig was; ik dacht nooit dat ik trots was.

uit: levens van meisjes en vrouwen, De Geus Breda, 2014; vertaling Pleuke Boyce

munro, alice; decorrespondent.nlbron beeld: decorrespondent.nl

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s