Bijna iedere dag muziek: Sonny Rollins, Ride en Maurice Ravel

Maurice Ravel (1875-1937, Fr) was een wonderkind. Speelde op 7-jarige leeftijd piano, nam compositielessen bij Fauré en leerde Strawinsky kennen. Samen bewerkten ze een opera. In de Eerste Wereldoorlog was hij chauffeur, werd ziek en keerde terug naar Frankrijk. In de gekochte villa bij Parijs richtte hij zich volledig op componeren. Van Ravel kent u wellicht de Bolero.

Sonny Rollins (1930, USA) is tenorsaxofonist, speelde bebop en hardbop en mogen we tot de beste betitelen. Zijn invloed reikt tot aan de dag van vandaag. Zijn spel is vloeiend, harmonieus, toegankelijk. Zijn muzikale ideeën eindeloos. Rollins speelde met grootheden als Miles Davis, Bud Powell en Max Roach. Beroemd zijn de twee albums die hij opnam met een trio waaraan de piano ontbrak: Way Out West en Night at the Village Vanguard. Rollins stond open voor nieuwe invloeden, die hij ondermeer opdeed in India en Jamaica. De sax-speler gold de laatste jaren als bruggenbouwer tussen oude en nieuwe jazz.

Ride startte in de jaren 90 als een epigoon van My Bloody Valentine. Het was neo-psychedelica met meer melodie, simpeler en directer. Shoegaze zei de Britse pers maar met meer gevoel voor vakmanschap en dynamiek. In de negentiger jaren distantieerde de band zich van haar shoegaze-imago door meer pop en folkrock toe te laten. Daarna volgden solo-projecten van de bandleden. De laatste jaren hervatte de band weer opnames en optredens, met succes.

Hermine de Graaf: ‘Ligt het aan mij?’

de graaf, hermine; zeevlam

bron beeld: groene.nl

Hermine de Graaf (1951-2013) was een beloftevolle schrijfster. Studeerde Nederlands, gaf er les in en debuteerde in de 80-er jaren. Haar Een kaart niet het gebied, een verhalenbundel, won zelfs een literaire prijs.  De Graaf schreef vooral over meiden, jonge vrouwen, het gezin en de vertroebelde relatie tussen dochter en moeder, dochter en vader. Het lukte haar niet om een groot publiek te bereiken, hetgeen leidde tot een langdurige stilte rondom haar persoon en werk. Dat haar werk meer aandacht verdient, moge juist nu duidelijk zijn.

In De zeevlam volgen we het pubermeisje Katja dat bij haar grootvader opgroeit. Haar opa is streng maar rechtvaardig, beschermend en leert haar alles over het leven bij de zee en het wad.

Was het eerst zo helder dat je ’t eiland kon zien, nu volg ik verwonderd, de zeevlam, de plotseling binnen drijvende mist van de zee, ben er getuige van dat de warme, vochtige lucht van de duinen en het land over het koudere zeewater scheert. Ik voel de wind draaien, die oplandig wordt. En al weet ik dat de zeevlam niets anders is dan een laagje dunne bewolking, ’t zijn nu juist die snelle weersveranderingen die mij nerveus maken. Ik krijg dan het gevoel of het aan mij ligt, dat ik iets niet goed heb gedaan, al weet ik na al die jaren dat het onzin is.

Later in dit verhaal komt de zeevlam nog eens terug. Vriendin en vrienden gaan met haar het wad op. Zij gidst omdat ze stromingen en getij kent.

Aan de oppervlakte was mijn stemming in ieder geval uitbundig, ik moest denken aan de opwindingscyclus in acht fasen die een zekere Van Walen bedacht had. In seksualiteit zat een zelfde ritmiek als in de getijden van de zee.

Het gezelschap arriveert op een plaat waarvoor interesse bestond vanwege ‘de verborgen schatten’.

Toen we er aangekomen waren zocht Michael met de verrekijker de horizon af en Ernst plantte een stok op het hoogst gelegen gedeelte van de plaat, waarna hij zijn kleren uittrok. Dora hielp hem erbij, ze wrong zijn blouse uit en kneep in zijn wollen sokken.

‘Katja, net of ik een mast zag!’ zei Michael en gaf me de verrekijker.

De kleren van Ernst wapperden aan de stok en ze lagen samen in het zand er vlakbij in de bleke ochtendzon, die al warmte uitstraalde. Dora had haar rok uitgedaan en dat beviel me niet. Michael stroopte zijn trui over zijn hoofd en ik zag niet waarom ik hetzelfde zou moeten doen. ‘Niemand ziet je,’ zeiden ze, maar ik was er niet zeker van. Ze trokken aan mijn trui en sloegen helemaal niet vriendschappelijk hun armen om mij heen, toen ik tussen hen in viel. Ze roken vreemd en tijdens de worsteling was mijn kijker in het zand gevallen. Ik probeerde vertrouwde gedachten vast te houden, die ze je op de lagere school al leren. ‘De aarde is rond… eerst zie je het puntje van de mast… dan het vlaggetje… de mast… ’t zeil… het hele schip.’

Ik voelde hun handen op mijn kleren en ze zeiden: ‘Doe niet zo truttig.’

Uit: De zeevlam, Meulenhoff Asmterdam, 1985

Hermine de Graaf-Jonkers (1951-2013, Winschoten)

 

Muus Jacobse: bij het kerkje van Hoorn op Terschelling

Hoor, Terschelling; JanskerkDe Sint Janskerk in Hoorn op Terschelling; bron beeld: nl.wikipedia.org

Bij het kerkje van Hoorn op Terschelling

Van die voor duizend jaar hier stenen richtten / En de gebinten steunden met een balk / Bleef van een leven lang van leed en plichten / Slechts dit: van muren brokkelende kalk.

Maar niets is blijvender dan deze doden / Die rond de kerkmuur liggen uitgestrekt, / Wier ver bestaan de heuvelende zode, / Steeds weer tot vage heugenissen wekt.

Uit: Terschelling rijmt en dicht; samenstelling Steinstra en Swart, Stichting Ons Schellingerland, 1981

Muus Jacobse aka Klaas Heeroma (1909-1972, Hoorn)

Susana Raab: sociaal bewogen en betrokken bij vrouwen

raab, susana; latin a4Cholita

Geboren werd ze in Lima, Peru, Susana Raab, maar tegenwoordig vertoeft ze in de VS. Daar werkt ze als documentaire fotograaf onder andere voor het Smithsonian Museum in Washinton DC. Ze richtte haar lenzen eerst op het Zuid-Amerikaanse deel van het continent. Het deel dat ze kende uit haar kinderjaren. Speciale aandacht trok de badcultuur in haar geboorteland Peru. Daarna richtte ze haar aandacht op de gevolgen van milieuvervuiling, consumptisme en de rol van vrouwen in de Amerikaanse samenleving. Uit haar beelden en haar keuzes trek ik de conclusie dat ze sociaal bewogen is. Haar fotografie toont mensen in hun omstandigheden, die verre van rooskleurig en ideaal zijn. Met oog voor het humane detail dat vaak verwondert en soms tot een glimlach leidt.

raab, susana; latin a5MigrantsinImmokalee

Natuur? De afstand tussen twee steden. Koos van Zomeren over natuur

zomertaling; vogelbescherming.nlZomertaling; bron beeld: vogelbescherming.nl

van zomeren, koos; noordwoord.nl

Koos van Zomeren ontfermt zich over een vogel. bron beeld: noordwoord.nl

De natuur is de afstand tussen twee steden. Het is geen uitspraak van Koos van Zomeren (1946, Velp), maar hij citeert Marnix Gijsen in een betoog over wat natuur in Nederland is.

En verder:

Sommigen houden er over de natuur zulke rigoureuze opvattingen op na, dat ze zeggen: er is helemaal geen natuur meer in Nederland. Want, bedoelen zij, een boerensloot is net zo goed mensenwerk als een asfaltweg. En probeer daar maar eens wat tegenin te brengen.

Deze mensen haken naar ongereptheid. Ze plaatsen de natuur op de groots denkbare afstand van de bewoonde wereld, ver op de oceaan, midden in de woestijn, diep in de jungle, hoog in de bergen. Je ziet dergelijke gebieden wel eens op de televisie en ik moet bekennen: dan dank ik God dat ik thuis zit, dan vraag ik me af of ik eigenlijk wel houd van de natuur.

En werkelijk ongerept zijn ook deze gebieden niet. Dat ze gefilmd zijn, betekent dat er een cameraploeg is geweest, nietwaar?

Ongerept, dan moet je tegenwoordig nog verder dan Mars wezen, ergens in de nevels van Andromeda of zo. Maar hoor je ooit iemand over de natuur in de nevels van Andromeda? Nee dus. En terecht, want helemaal los van de mens kan de natuur niet staan. Natuur is, afgezien van al het andere, een woord, zij bestaat in onze taal, in ons hoofd, zij bestaat alleen daar waar aan haar ongereptheid afbreuk wordt gedaan.

Het lijkt me maar het beste de natuur als een bij uitstek relatief begrip te beschouwen. Zij is nooit volmaakt, je hebt er alleen maar meer of minder van. Een zomertaling is meer natuur dan een muskusrat, een muskusrat is meer natuur dan mijn hond, mijn hond is meer natuur dan ik en ik, nou ja, ik ben toch altijd nog meer natuur dan mijn schrijfmachine.

Een voordeel van deze benadering is dat we verschil kunnen maken tussen mensenwerk en mensenwerk. Het verschil tussen een boerensloot en een asfaltweg is een levende salamander. En het verschil tussen een boerensloot van 1960 en een boerensloot van nu is een broedende zomertaling. Ik ben erg vóór een definitie van de natuur waarin rekening gehouden wordt met salamanders en zomertalingen.

Uit: Stoomcursus Engelmansplaat; uit: Het beste van Atlas, Atlas Contact Amsterdam, 2015; samenstelling Emile Brugman

Koos van Zomeren (1946, Velp)

Voor Alastair Whitton zijn herinnering, tijd en plaats belangrijk

 

whitton, alastair; spiegel7whitton, alastair; spiegel6whitton, alastair; spiegel5Voor de Zuid-Afrikaanse Brit Alastair Whitton (1969, Glasgow) zijn momenten en plekken belangrijk als het om herinneringen gaat. Hoe we tijd ervaren en plekken herinneren. Door zijn lens registreert fotograaf Whitton hoe we tijd maken en labelen aan een plek. Een gewone, alledaagse plek waarvan we het monumentale niet zien of op een geheel andere plek vermoeden. Monumentaal in onze herinnering. Whitton gebruikt vaak de spiegeling en voegt daar iets aan toe of laat weg. ‘Om de ruimte tussen de momenten te belichten’, zegt hij daar zelf over.

whitton, alastair; spiegel4whitton, alastair; spiegel3whitton, alastair; spiegel2Processed With Darkroom

Ouwens: de verjaardag

ouwens, kees; bol.comBoekomslag met daarop een foto van Kees Ouwens; bron beeld: bol.com

De verjaardag

Voor W.F. Hermans

Oh, jongens wat een feest. / De radio staat luide aan op Radio Veronica. / Op tafel smeulen de taartjes. / In de glazen het fonkelend vitriool. / En alle tantes zijn gekomen uit de buurtschap Nederland.

Basto is – hoe duidelijk te zien – het / eeuwig vierend varken. / Een lach verminkt zijn mond. / Cadeautjes krijgt hij bij de vleet / en goedaardige klappen op zijn kont.

Hartelijk schenkt hij iedere gast zijn kille, natte hand. / Ach kerel, zeggen zij, / wij staan al uren in de rij en zijn zo blij. / Maar als het groeten is gedaan vegen zij hun hand / stiekem aan de tafelrand.

Uit: Arcadia, Querido Amsterdam, 1968

Kees Ouwens (1944-2004, Zeist)

Geerten Meijsing: het dagje naar het strand

meijsing, geerten; volkskrant.nlbron beeld: volkskrant.nl

Geerten Meijsing (1950, Eindhoven) is een schrijver die afstoot. De man heeft zichzelf op een voetstuk geplaatst met zijn hang naar kwaliteit. Ik ervaar zijn werk als ontoegankelijk, schrijvend om het schrijven en elitair. Meijsing is slachtoffer van onbegrip. Zijn kwaliteitsstreven wordt door lezers niet opgepakt. Zijn ‘echte’ boeken verkopen slecht, zo begrijp ik uit een artikel dat fan Joop Dirksen over hem schreef. Hij noemt Meijsing een van de belangrijkste auteurs van deze tijd. Waarom, is niet duidelijk.

‘Als hij schrijft zoals hij vindt dat schrijven moet zijn, heeft hij geen lezers; als hij concessies doet, ‘zichzelf verloochent’, is iedereen enthousiast’, concludeert Dirksen.

Bron: Tsjip/Letteren, jaargang 15, 2005, De macht van de markt, De tragiek in het schrijversleven van Geerten Meijsing

En toch, het verhaal Verliefd in Versilia deed mij enigszins opveren. De sfeertekening, de karakters, de locatie. Het klopte. Ik werd er aangenaam door verrast. Ver van het erudiete gewauwel over de getormenteerde kunstminnende en kwetsbare ziel, werd hier een verhaal van vlees en bloed neergezet. U kunt het dus wel. Dan maar verloochenen van het zelf.

Mijn jeugd heb ik in Haarlem doorgebracht, stad van Lenneart Nijgh en Boudewijn de Groot, vlak bij zee maar toch veilig achter de duinen. Mijn moeder probeerde het natuurlijk wel: met het treintje vanaf Overveen, beladen met plastic emmertjes, zeefjes om ‘zacht zand’ te maken en schepjes om zandkastelen mee te bouwen die altijd even fragiel bleken als de luchtkastelen van mijn dromen. Daartoe hoorde geenszins een dagje naar het strand: de zon strafte pas achteraf met een in de nacht gloeiende huid; zand tussen je tenen, in je haren, op je boterham, en daarna nog een week in je bed. Kwallenbeten, drijvende drollen in de branding: het zand leverde geen schatten op maar een onverholen vuilnisbelt, waarop het uitschot van de menselijke soort zich nog eens kwam blootstellen in diverse stadia van rotting en lelijkheid. Intense verveling en een intense afkeer voor mijn soortgenoten was alles wat ik overhield van een dagje naar het strand.

Uit: Verliefd in Versilia; uit: Stucwerk, Arbeiderspers Amsterdam, 2001, samengesteld door Gerben Wynia

Geerten Meijsing (1950, Eindhoven)

Bijna alle dagen muziek: Queen en Quill

Queen (’70, ’80 en ’90) is British glamrock, hardrock en symfo-rock. Maar ook pop, opera en theater. Ik heb er een haat-liefde-verhouding mee. Als ik voor de 10-miljoenste keer Bohemian R hoor, zap ik verder. Zo uitgekauwd. Is er dan niets anders dan die hits? Ik ben anders. Ik verveel me snel bij alles wat veel en vaak te horen is en door iedereen ‘erg’ gewaardeerd wordt. Ik vlucht de kamer uit, op zoek naar iets nieuws, iets ongehoords. Maar toch, Queen is ontegenzeglijk groots, meeslepend, invloedrijk en belangrijk. Dat wil ik maar gezegd hebben.

Gene Quill (1927-1988, Atlantic City, USA), altsaxofonist, is een voetnoot in de jazz-geschiedenis. Bescheiden en meestal spelend met Phil Woods of in een big band (Claude Thornhill, Gerry Mulligan) bewoog Quill zich meer op het melodische vlak van de jazz in de jaren 50. Zijn spel was intens, enthousiast en agressief hardbop. Ging graag de sax-battle aan met andere grootheden uit zijn tijd daarbij zijn vakmanschap illustrerend. Quill speelde met muzikanten als Dexter Gordon en Quincy Jones. Toen hardbop de coole en softe kant op ging was dat voor Gene geen probleem. Ook dat deed hij met verve en plezier. In de laatste jaren kreeg de altsaxofonist te maken met gezondheidsproblemen. Hersenschade en een gedeeltelijke verlamming maakten het spelen onmogelijk. Bijzonder triest is verder dat van zijn fraaie spel niet veel opnames bestaan. Wat er is, moeten we koesteren.