Wit paard

inez_milholland_1913 wit paard

Suffragette Inez Milholland op de rug van een wit paard. (1913)

Buddingh’: obsessie

Obsessie

Uit de verschanste schoorsteen waait / roet in ons schamel eten; / een onervaren zoeklicht zaait / onkruid in ons geweten.

De wolf heft zijn bebloede klauw / over de laatste rozen; / het vuur danst vloekend door het woud / en doet de hemel blozen.

De leeuwrik klimt in ’t wolkenwant / en keert niet meer terug; / een argeloze vlinder plant / een mes in onze rug.

Uit; Het mes op de gorgel, Bruna Utrecht, 1960

Buddingh, literatuurmuseumbron foto: literatuurmuseum.nl

Cees Buddingh’ (1918-1985, Dordrecht)

Bijna iedere dag muziek: Elizabeth Fraser

The Cocteau Twins heette de groep die ongeveer twee decennia lang de ene na de andere prachtplaat uitbracht. Donker van sfeer in den beginne en steeds lichter van toon (bijna vrolijk) aan het eind. Kenmerkend is het gitaar-geluid van gitarist Robin Guthrie. Zweverig, vol galm en effect. Daaronder als baken de bas van Simon Raymonde die richting gaf. Maar het belangrijkst: die hemelse stem van Elizabeth Fraser. Loepzuiver zong zij de muziek naar hogere sferen. Soms onverstaanbaar, in haar eigen brabbeltaaltje, dan weer gewoon in het Engels. Ik mocht er graag bij wegdromen.

Patrick Chamoiseau: ‘waarom de dichter nooit volwassen wordt’

Je verlaat de kindertijd niet, je drukt hem diep in jezelf weg. Je maakt je er niet van los, je verdringt hem. Het is geen proces van verbetering dat naar de volwassenheid voert, maar het langzame afzetten van een korst rond een gevoelige staat die altijd het principe blijft stellen van wat je bent. Je verlaat de kindertijd niet, je begint te geloven in de werkelijkheid, of dat wat de werkelijkheid genoemd wordt. De werkelijkheid is stevig, stabiel, vaak als langs een winkelhaak getrokken – en gemakkelijk. De werkelijkheid (die het kind ruimschoots om zich heen waarneemt) is een complexe en ongemakkelijke ontploffing van mogelijkheden en onmogelijkheden. Groot worden is niet langer de kracht hebben de waarneming ervan te aanvaarden. Of het is het tussen die waarneming en jezelf oprichten van een schild, een mentale bolster. Daarom wordt de dichter nooit volwassen, of maar een klein beetje.

Uit: Creoolse kindertijd – Patrick Chamoiseau, Ambo Baarn, 1993; vertaling Ernst van Altena

thenational.ae, chamoiseaubron foto: thenational.ae

Patrick Chamoiseau (1953, Fort de France, Martinique)

Creoolse kindertijd is een autobiografisch verhaal door Patrick Chamoiseau op schrift gesteld. Het is mijn kennismaking met een wereld die ik niet ken. Die mij vreemd is. En de kennismaking was aangenaam. Het is de beschrijving van het dagelijks leven op het Caraïbisch eiland Martinique, gedomineerd door overleven. Het is een leven in armoede waar mensen dicht op elkaar leven, elkaar na staan. Het is het leven waar men bezig is met eten, drinken, kleding, naar school gaan en werken als dat mogelijk is. Maar ook leven onder de dreiging van geweld en de komst van die dreigende, rampzalige orkaan, die gaat komen. Chamoiseau vertelt over die werkelijkheid met de blik van de dichter. Hij zet die werkelijkheid naar zijn hand waarbij de magie en het mysterie van wat je wel en niet onthoudt een voorname rol speelt. Vanuit je geheugen kun je veel terughalen, maar veel ook niet. Wat haal je terug? Dat de dichter andere aspecten belicht en de werkelijkheid anders beleeft, is in dit boek nadrukkelijk de kracht. Ik las het met groot plezier.

De (onregelmatige) dosis Nabokov

BEC40161-9F80-4B21-9F44-6378337F5EEE_1_201_a1899 was het geboortejaar van Vladimir Nabokov. Zijn wieg stond in Sint Petersburg in een kamer op de tweede verdieping van het huis aan de Morskajastraat 47 (tegenwoordig Herzenstraat). Als Vladimir geboren wordt is zijn vader 33 en zijn moeder 27. Zijn eerste herinnering aan zijn ouders dateert uit de tijd dat hijzelf 4 jaar oud was en vertoefde op het landgoed Wyra (1 van de 3) van de familie Nabokov, 75 km ten zuiden van Sint Petersburg:

B4A4A1DF-A3F0-4515-A926-4EA1C5BC8322_1_201_aIk kreeg een ontzagwekkend stimulerende schok. Als het ware onderworpen aan aan wederdoop, op goddelijker wijze dan de Grieks-katholieke onderdompeling die vijftig maanden eerder was ondergaan door een krijsende, half-verdronken Wiktor (..), voelde ik me plotseling in een stralend en beweeglijk medium geworpen dat niets anders was dan het zuivere element der tijd. Je deelde dat – net als opgewonden zwemmers het glinsterend zeewater delen – met schepsels die niet jezelf waren maar die met je verbonden waren door de gemeenschappelijke stroom der tijd, een omgeving sterk verschillend van de ruimtelijke wereld, die niet alleen is waar te nemen door de mens, maar ook door apen en vlinders. Op dat ogenblik drong scherp tot me door dat het zeventwintigjarige wezen in zacht wit en roze dat mijn linkerhand vasthield mijn moeder was, en dat het drieendertigjarige wezen in hard wit en goud dat mijn rechterhand vasthield mijn vader was. Terwijl zij gelijkmatig voortstapten, trippelde ik tussen hen in, nu eens parmantig, dan weer op een drafje, van zonneplek naar zonneplek, over het midden van een pad dat ik nu nog gemakkelijk herken als een laan met siereikjes in het park van ons landgoed Wyra, in de vroegere provincie Sint-Petersburg in Rusland.’

D8850E99-949C-4F66-A4E0-F4EB83E19E70_1_201_a

Uit: de kleine biografie: Vladimir Nabokov – Guus Luijters, Bezige Bij Amsterdam, 1996

Chodasevitsj: met goede verzen

Met goede verzen

Met gode verzen weet ik vaak geen raad, / De slechte zijn mij dierbaar daarentegen: / Die steken niet, die doen de ziel geen kwaad, / Daarin is huiselijk geluk gelegen. / Ze zijn fris als een glaasje limonaad. / (Of als een zijden verderlicht gewaad,) / Genieën staan mij in een oogwenk tegen. / Maar talentloosheid… – o, voor ik het weet, / Heb ik daaraan een avondlang besteed.

Niet eerder gepubliceerd; vertaling Marja Wiebes en Margriet Berg, 1916-1917

tzum, chodasevitsjbron foto: tzum.nl

Vladisav Chodesevitsj (1886-1939, Moskou, Rusland)

Van Klinkenberg: najaar

flock-of-birds, pixabay

bron foto: pixabay

Najaar

Tegen het bos weerklinken najaarsschoten. / Een vogelzwerm wendt en verschiet gezwind. / De avondwind verstrooit de laatste rozen.

Een afscheid wuift van ’t hek. Zie in de tuinen / De vreugde der chrysanten zacht vergaan / En enkle onbewogen bomen staan / Voor blauwe verten, die zich gaan verruimen.

De najaarsgeur is de geur der haren, / Waarin mijn hoofd eens diep verzonken was –

Hoor, hoe de vruchten vallen door de blâren / En ploffen in het lang en vochtig gras.

Uit: De  Cactus, Hijman, Stenfert Kroese & Van de Zande Arnhem, 1932

Gerard van Klinkenberg (Amerongen, 1900-2003)