De (on)regelmatige dosis Nabokov: eerste liefde

nabokov-op-vlinderjacht, armadawereldliteratuur.nlNabokov met vangnet voor vlinders; zijn favoriete bezigheid naast schrijven. bron foto: armadawereldliteratuur.nl

Plaats van handeling: het Zuid-Franse Biarritz, badplaats met uitzicht op Baskenland. Nabokov is 10 jaar oud en bezoekt la plage. Daar ontmoet hij de eerste liefde van zijn leven: de eveneens tien jaar oude Colette.

Zij praatte in vogelachtige uitbarstingen van rap getjilp, in een mengelmoes van gouvernante-Engels en Parijs-Frans. Twee jaren geleden had ik mij op datzelfde strand zeer aangetrokken gevoeld tot het mooie, zongebruinde dochtertje van een Servische arts; maar toen ik Colette ontmoette, wist ik onmiddellijk dat dít het was. Colette was in mijn ogen zoveel vreemder dan al mijn andere toevallige speelgenootjes in Biarritz! Op de een of andere manier kreeg ik het gevoel dat zij minder gelukkig was dan ik, minder bemind. Een blauwe plek op haar tere donzige onderarm gaf aanleiding tot afschuwelijke gissingen. ‘Hij knijpt net zo hard als mammie,’ zei zij over een krab. Ik ontwikkelde diverse plannen om haar te redden van haar ouders, die ‘des bourgeois de Paris’ waren, zoals ik iemand met een licht schouderophalen tegen mijn moeder hoorde zeggen. Ik legde de verachting op mijn eigen manier uit, want ik wist dat die mensen het hele eind vanaf Parijs hadden afgelegd in hun blauw-gele limousine (een chic avontuur in die dagen) maar Colette met haar hond en gouvernante saai in een doodgewone trein hadden laten reizen. De hond was een vrouwelijke foxterrier met belletjes aan haar halsband en een allerwiebeligst achterwerk. Van louter geestdrift dronk ze soms zout water uit Colette’s speelgoedemmer. Ik herinner mij het zeil, de zonsondergang en de vuurtoren op die emmer, maar de naam van de hond wil mij niet te binnen schieten, en dit hindert mij.

(..)

Onder de alledaagse souvenirs die ik voor mijn vertrek uit Biarritz verwierf, was niet de kleine zwartstenen stier favoriet noch de suizende schelp maar iets dat nu haast een symbool lijkt – een meerschuimen penhouder met in het bewerkte stuk een klein kristalhelder kijkgaatje. Dat hield je vlak voor je ene oog terwijl je het andere dichtkneep, en als je het glinsteren van je eigen wimpers kwijt was, zag je daar binnen een wonderlijk fotografisch beeld van de baai en de lijn van de klippen die eindigden in een vuurtoren.

En nu gebeurt er iets heerlijks. Het herscheppingsproces van die penhouder en de mikrokosmos in zijn kijkgat stimuleert mijn geheugen tot een laatste inspanning. Ik tracht opnieuw, mij de naam van Colette’s hond te herinneren – en waarachtig, over die verre stranden, over het glanzende avondlijke zand van het verleden, waar elke voetstap langzaam volloopt met zonsondergang-water, daar komt hij, daar komt hij, weerklinkend en vibrerend: Floss, Floss, Floss!

Uit: Lente in Fialta, verhalen, Bezige Bij Amsterdam, 1981; vertaling M. Coutinho

Vroomkoning: overleg

Overleg

Mijn zoon spant bogen / samen met mijn vader. / Zij lijken sprekend / op grote mensen die gemeen- / zaam aan het werk terloops / wijsheden verkondigen.

Terwijl mecano-onderdelen / tot een brug worden gesmeed / legt vader uit dat sommigen / na honderd jaar de over- / kant bereiken.

Zijn wij sommig? / leidt het kind hem af. / Vader geeft geen antwoord / maar een schroef terug / die niet past.

De brug vlot naar zijn einde / als de onvermijdelijke god / weer bovenwater komt. / Of die dan sommig is? / Sommiger dan wij, / probeert vader.

Uit: Ommezien, gedichten 2008-1983, Arbeiderspers Amsterdam, 2008

hetty ermers, vroomkoning, victor, poezieweek.com

foto: Hetty Ermers; bron: poezieweek.com

Victor Vroomkoning (1938, Boxtel)

Margaret Atwood kondigt een verdwijning aan

De situatie: twee meiden Lucy en Lois, beiden enigst kind thuis, ontmoeten elkaar tijdens zomerkamp. Vriendschap ontstaat. Beiden houden de gang naar het zomerkamp lang vol. Tot in hun late puberteit. Niet alleen veranderen beide meiden, ook de wereld om hen heen. Dat is wat we meekrijgen van de Canadese schrijfster Margaret  Atwood (1939, Ottawa) voordat het korte verhaal zich naar zijn plot ontwikkelt.

Dit jaar is Lucy weer anders: lijziger, lustelozer. Ze heeft geen zin meer om in het donker rond te sluipen, sigaretten te pikken van de leidster, zwarte handel te drijven in snoep. Ze is zwaarmoedig en ’s morgens moeilijk wakker te krijgen. Ze mag haar stiefvader niet, maar ze wil ook niet naar haar echte vader, die een nieuwe vrouw heeft. Ze denkt dat haar moeder een verhouding heeft met een arts; ze weet het niet zeker maar ze heeft hen in zijn auto zien vrijen op de oprijlaan, toen haar stiefvader er niet was. Net goed voor hem. Ze heeft een hekel aan haar particuliere school. Ze heeft een vriendje, hij is zestien en werkt als tuinmanshulp. Zo heeft ze hem leren kennen: in de tuin. Ze beschrijft aan Lois hoe het is als hij haar zoent – eerst wat rubberachtig, maar dan worden je knieën week. Ze mag niet met hem omgaan en er wordt met kostschool gedreigd. Ze wil van huis weglopen.

Lois heeft daar weinig tegenover te stellen. Haar eigen leven is onbewogen en plezierig, maar over geluk valt weinig te vertellen. ‘Geluksvogel,’ zegt Lucy, een beetje zelfvoldaan. Ze had net zo goed kunnen zeggen saaie piet, want zo voelt Lois het.

Uit: Wenken voor de wildernis (verhalen), Bert Bakker Amsterdam, 1992; vertaling Barbara de Lange

atwood, margaret, thegentlewoman.co.ukbron foto: thegentlewoman.co.uk

Margaret Atwood (1939, Ottawa, Canada)

Kopland: Eden

Eden

Vanaf de dijk met een glas bier / kijkend in de tuinen van het gehucht / wist ik weer dat het ongeveer als hier / was, als toen de zon hoog in een even / nevelige lucht stond en ook in deze / populieren was geen wind en rood / glanzend en afgerond vielen appels / met zachte ploffen uit de bomen / in het gras tussen de doodstille grove / hemden de enige tekenen van leven.

Uit: Onder het vee, Van Oorschot Amsterdam, 1966

kopland-rutger-door-trudy-kramer, literatuurmuseum.nlllustratie door Trudy Kramer; bron literatuurmuseum.nl

Rutger Kopland (1934-2012, Goor)

Osip Mandelstam: wij leven…

Wij leven en hebben geen voet aan de grond, / Wij spreken alleen met een blad voor de mond,

En waar wij vertrouwelijk raken, / Komt de man in het Kremlin ter sprake.

Zijn vingers zijn dik en als wormen zo vet, / En onder zijn woorden wordt alles geplet.

Zijn kakkerlakkensnorren smalen, / Zijn laarzenschachten stralen.

Om hem heen het gespuis dat beweegt op zijn wens, / Dunhalzige leiders, half monster, half mens.

Zij hinneken, blaffen, miauwen, / En hij alleen trekt aan de touwen.

Als hoefijzers smeedt hij bevel op bevel: / Jij moet zus, jij moet zo, jij moet niet, jij moet wel!

Hangop is zijn lievelingseten, / En breed de borst der Osseten.

Uit: De meisjes van Zanzibar, samengesteld door Karel van het Reve en Joep Schreurs, Plantage Leiden, 1999

mandelstam, osip,Mugshot van Mandelstam gemaakt bij zijn arrestatie nadat hij Stalin in bijgaand gedicht had beledigd. bron foto: wsj.com

Osip Mandelstam (1891-1938, Warschau, Polen)

Tolstoj over Toergenjev volgens Karel van het Reve

Ongeveer een jaar na Toergenjevs dood heeft zijn leerling Tolstoj in een brief getracht een karakteristiek te geven van de man, van wie hij veel geleerd had, die hem in het Westen beroemd gemaakt had en met wie hij het persoonlijk nooit goed had kunnen vinden – het was zelfs een keer bijna tot een duel gekomen. Er zijn drie factoren, schreef Tolstoj, die in een geschrift van belang zijn: wie aan het woord is, hoe hij spreekt, goed of slecht, en: of hij oprecht is. Toergenjev was volgens Tolstoj iemand die op zeldzame wijze deze drie dingen verenigde. Verder, zegt Tolstoj – en men kan de nu volgende formulering niet anders dan gelukkig noemen – vindt men bij Toergenjev drie dingen: geloof in de schoonheid, in vrouwenliefde, in kunst, twijfel aan deze dingen en twijfel aan alles, en, tenslotte, een beschaamd, zich zelden helemaal uitsprekend, ongeformuleerd geloof in het goede.

Uit: Arnon Grunberg leest Karel van het Reve, Muntinga Amsterdam, 2004

Tolstoj (1828-1910, Yasnaya Polyana, Rusland)

Toergenjev (1818-1883, Orjol, Rusland)

Karel van het Reve, groene.nlbron foto: groene.nl

Karel van het Reve (1921-1999, Amsterdam)

Igor Pjörrt: okeren schaduw

pjörrt, igor, betelgeusepjörrt, igor, betelgeuse3pjörrt, igor, betelgeuse5

De jonge Portugese fotograaf Igor Pjörrt (geboren op het eiland Madeira, Azoren) zoekt zijn onderwerpen niet ver van huis. Het zijn intieme portretten van vrienden en familie. ‘De mensen van wie ik houd’, aldus de fotograaf. Zijn foto’s tonen de jeugd, het zoeken naar identiteit, veiligheid, volwassen worden, verveling en eenzaamheid. Pjörrt heeft daarbij een voorkeur voor warme kleuren, zoals de okere gloed die bijgaande foto’s tonen. De Portugees geeft met zijn foto’s beeld aan twijfel, angst en rebellie waarmee deze jeugd zegt te kampen. ‘We zijn idealistisch, geïnformeerd en ongeduldig’, laat de jonge fotograaf weten. Ondertussen studeert hij film in Londen omdat zijn foto’s al de filmische blik lieten zien.

pjörrt, igor, betelgeuse2pjörrt, igor, betelgeuse4pjörrt, igor, betelgeuse6

Elly de Waard: muze aan de telefoon

Mijn kabels liggen naar je uitgestrekt, / Het net is open, / Cijfers regenen over het landschap, / Lijnen, vaten van communicatie, / Beginnen in patroon te lopen, / Het bloed gaat in galop, het raast en klopt, / En vraagt bellend belet – ben je al op?

O dat het bij je binnen dringt, je lippen / Wijken en ik voel / Hoe je mij toestaat ze met mijn lippen / Te bestrijken. Kussen spatten uit de hoorn. / De muze aan de telefoon! / O help mij dit labyrint / De draad te volgen die ons bindt.

Uit: Furie, De Harmonie Amsterdam, 1981

de waard, elly, deharmonie.nl

bron foto: deharmonie.nl

Elly de Waard (1940, Bergen)

Isaak Babel en de pikante vrouw

Een situatieschets: stel je voor je bent redacteur bij een (literair) tijdschrift en aan de deur verschijnen kandidaten voor een functie. In dit geval zijn het er 9. In onderstaand fragment gaat het om de tweede kandidaat die een gooi doet naar… ja, wat eigenlijk?

Nummer twee is een juffrouw, mager, verlegen en heel mooi. Ze komt al voor de derde keer. Haar poëzie is niet voor de druk bestemd. Ze wil weten – en dat is alles wat ze wil – of het voor haar de moeite waard is met schrijven door te gaan. De redacteur spreekt haar vriendelijk toe. Af en toe ziet hij haar op de Newski Prospekt, in gezelschap van een lange meneer die dan soms heel omstandig een half dozijn appelen voor haar koopt. Die omslachtigheid geeft te denken. De gedichten leggen er getuigenis van af. Zij behelzen de ongekunstelde geschiedenis van haar leven.

Wil je mijn lichaam, -schrijft het meisje – neem het dan, mijn vriend, mijn vijand, maar – waar vindt mijn ziel haar droom?

De redacteur denkt na. Dat lichaam krijgt die meneer straks wel. Alles wijst erop. Kijk maar eens naar die verwarde, hulpeloze blik in die mooie ogen van je. Je ziel zal haar droom minder gauw vinden, maar als vrouw zul je pikant zijn.

In haar gedichten beschrijft het meisje, het ‘waanzinnig-schrikwekkende’, of het ‘waanzinnig-verrukkelijke’ leven, plus een aantal kleine onaangenaamheden en verder nog klanken, klanken, klanken om mij heen, die mij dronken maken, klanken zonder eind…

Je kunt er zeker van zijn dat, als de solide heer zijn werk tot een goed einde heeft gebracht, het meisje zal ophouden met het verzen schrijven en een vroedvrouw zal raadplegen.

Uit: Mijn blocnote; uit: Miniaturen, verspreide verhalen en dagboekbladen, Moussault Amsterdam, 1970; vertaling Charles B. Timmer

Babel, Isaak, groene.nlbron foto: groene.nl

Isaak Babel (1894-1940, Odessa, Oekraïne)

Alain Teister: versvoeten

Versvoeten

Elk dichterje zingt / zoals het genekt is / door rotjeugd, rotwijf, rotinkt. / En hij is de eminentste / die tussen brekebenen / zijn voeten het minste kapothinkt / en dat het bedroefdst formuleert. / Elk dichterje zingt / vrij ongedeerd.

Uit: Lees eens een gedicht, samenstelling Tom van Deel, Querido Amsterdam, 1979

teister, alain,

tekening: Waldemar Post; bron illustratie: twitter.com

Alain Teister (1932-1979, Amsterdam)