Warmond: taakomschrijving

warmond, ellen, foto Robert Scheers, wikipedia

foto: Robert Scheers; bron foto: nl.m.wikipedia.org

Taakomschrijving

Verfijning van taken / misschien / moet men eigenlijk maken / dat wat niets aantoont: glas / waar niets doorheen schijnt: / water / waar niets onder is te zien / (een eeuwig open vraag) / dan water

misschien

moet men uiteindelijk tonen / een vergezicht / dat naamoos en beeldloos eindigt / in enkel licht

Uit: Vragen stellen aan de stilte, Querido Amsterdam, 1984

Ellen Warmond (1930-2011, Rotterdam)

Bijna iedere dag muziek: Roxy Music

Roxy Music is het karretje waarmee onder andere Brian Eno, Phil Manzanera, Andy MacKay en Bryan Ferry rondreden in de gelukkige jaren 70. De jaren van rock and glam, art-rock. De jaren van David Bowie en Lou Reed. En waarom viel ik er toen voor? Dat geluid van die band: nieuw en oorspronkelijk. Het was in zeker opzicht geen gemakkelijke muziek: geen meezing, veel geëxperimenteer met sax en hobo, gitaar en electronica. Nummers varieerden van kort tot aanzienlijk langer dan de single-duur; van up-tempo tot langzaam en gedragen, soms in hetzelfde nummer. En die stem van Ferry was toch herkenbaar uit duizenden?

En toch duurde mijn liefde voor de Britse band niet langer dan 5 albums, beginnend met Roxy Music (1972) tot aan Siren (1975). Op alle albums staan onvergetelijke klassiekers en ik hoor ze nog graag. Roxy Music was invloedrijk. Japan, ABC, Pulp en Blur zijn schatplichtig aan de groep. Maar na Siren herhaalde de groep zich, futloos, zonder puf en dreef routinieus over de Top 40-golven, rimpelloos en onopvallend. Maar daarvoor was het opwindend en baanbrekend, en dat was wat me aansprak. In de jaren 90 liet ik me nog eens overhalen naar een live-concert te gaan. Met een Ferry die zichtbaar moeite had om het eind te halen, was dat een definitieve afknapper.

Jeroen Brouwers schrijft voor de eeuwigheid (en aan een oeuvre)

brouwers, jeroen; volkskrant.nlbron foto: volkskrant.nl

Journaliste Bibeb (pseudoniem van Elisabeth Maria Soutberg, 1914-2010) interviewde schrijver Jeroen Brouwers in 1988 voor Vrij Nederland. Brouwers vertelt over het boek Winterlicht dat hij schreef in depressieve toestand. ‘Ik ben iemand die toch om negen uur achter z’n werktafel zit, potlood in de hand. Niet toegeven aan die slopende angst.’

Bibeb: Je voelt de angst aankomen?

Brouwers: ‘Het overvalt je als pijn. Je voelt je bedreigd, je denkt: ik ben volstrekt mislukt, onbeschrijfelijke apocalyptische angst. Na mijn zelfmoordboek leek ik als verlamd. Maar je moet opstaan, je scheren, aankleden en proberen te werken terwijl zeven regels je afmatten alsof je met loodzware zakken naar vier hoog bent geklommen. Soms slik ik pillen, maar dan voel je je als een soort theemuts, de intelligentie verdampt. Dus je denkt, verdomme, ik ben schrijver, geen pillen meer. Het fatalistische sta ik niet meer in mezelf toe. Je moet zin geven aan je leven, je moet sporen nalaten. Om die opmerking ben ik aangevallen. ‘Jeroen Brouwers beweert: hij schrijft voor de eeuwigheid.’ Maar ik heb van het begin af gezegd, ik ga niet een boek schrijven, ik werk aan een oeuvre. Daarmee stel ik mijzelf een taak. Niet ieder boek dat ik afscheid is een meesterwerk, maar het is wel een spoor van mij. Waar zijn mijn ouders gebleven, waar zijn hun sporen? Nergens. Mijn grootvader was componist, hoe onbenullig die composities ook waren, het zijn sporen. Je moet zin geven aan een onzinnig bestaan. De zin van het leven is schrijven.’

Uit: Het moet pijnlijk blijven, de mooiste schrijversinterviews; samenstellers Frénk van der Linden en Freddy van Thijn, Contact Amsterdam, 2011

Jeroen Brouwers (1940, Djakarta, Indonesië)

Achterberg: dief

Dief

De kamer kraakt met kreten in het hout. / Langzame voeten schuiven langs de stoelen / en mijn gedicht verandert van bedoelen, / dat stond te rijmen op het woord vertrouwd.

Zijn vorige intenties worden oud, / want ik hoor handen op de tafel voelen. / Voor alle beelden, die tesamenspoelen, / verrijst dit ene, hard en heet en koud:

een dief in ’t donker. – Ik beweeg mij niet. / Ik moet het aan de dichtkunst overlaten, / wat er het volgend ogenblik geschiedt;

een dief alleen zal niemand kunnen baten; / gevangen in het vers kan hij geen kwaad en / is hij de schrik der schoonheid die verschiet.

Uit: Verzamelde gedichten, Querido Amsterdam, 1963

Gerrit Achterberg (1905-1962, Langbroek)

Georgi Ivanov: een kwart eeuw in den vreemde verlopen

ivanov, georgi, slavischeliteratuur.nlbron illustratie: slavischeliteratuur.nl

In Petersburg zien wij elkander weer, / Alsof wij er de zon begraven hebben.

O. Mandelstam

Een kwart eeuw in den vreemde verlopen – / Onherroepelijk is het verlies. / Het is dwaasheid nog langer te hopen, / Onze hemel is nu die van Nice.

Zoete rust van het zuidelijk leven, / Het geruis van de zee, gouden wijn…

Maar de stormwind doet Petersburg beven, / Zingend langs het besneeuwde kozijn. / Wat mijn dode vriend eens heeft geschreven, / Dat zal blijken de waarheid te zijn.

Uit: De Tweede Ronde, herfst 1992; vertaling Leidse slavisten olv Karel van het Reve

Georgi Ivanov (1894-1958, Petersburg (?)USSR)

Kleren maken de man; de weeën van Ulster mannen: Michael O’Loughlin

o'loughlin, michael, youtubebron foto: YouTube.com

Michael O’Loughlin is Iers, dichter en essayist. Ik las zijn verhalenbundel De weeën van de mannen van Ulster. In die bundel gaat het over het thema balling. Balling in eigen land, vreemdeling in het buitenland. In de meeste verhalen is de hoofdfiguur zoekend naar de betekenis van het ontheemd zijn.

In onderstaand fragment aandacht voor kleding. Kleding die bijdraagt aan identiteit, die iets zegt over wie je bent (of zou kunnen zijn).

Kleren, ik geef het toe, zijn altijd een obsessie voor me geweest. Ik werd algemeen gezien als de best geklede man op de Kunstacademie (niet dat er veel concurrentie was), en ik heb dat volgehouden. En voor de duidelijkheid: ik kleed me goed om uit te steken boven de poel van ellende die me omringt. Mijn vrouw beschuldigt me ervan een dandy te zijn. Ik moet er echter aan toevoegen dat zij een onderzoeksjournalist is, en een goede, en beschuldigen en onthullen zijn het wisselgeld van haar uitingen. Kunst betekent niets voor haar. Ik neem haar beschuldiging dus op in de geest van Baudelaire. Ik houd een dagboek bij, getiteld Spleen de Dublin, waarvan ik misschien op een dag delen zal publiceren als het niet te lasterlijk is. Het merendeel ervan, ben ik bang, bestaat uit een inventarisatie van de lelijkheid die ik om me heen zie. Voor mij is de lelijkheid van de Irish life een symptoom van zijn innerlijk verval, zijn geestelijke bierbuik. Ik weiger te bezwijken, maar het is natuurlijk een narcistische, om niet te zeggen eenzame bezigheid. Ik ben bang dat mijn tekens meestal niet begrepen worden. Toen ik vorige week verscheen in mijn nieuwe Yamamoto kostuurm, sneerde mijn vrouw: ‘Ga je naar een wake of zo?’ En zonder het zelf te beseffen had ze natuurlijk gelijk.

Uit: Atlantis; uit: De weeën van de mannen van Ulster, Thoth Bussum, 1994; vertaling Wim Platvoet

Michael O’Loughlin (1958, Dublin Ierland)

Achmatova: Goeiedag!

anna-achmatova, laboratoripoesia.itbron foto: laboratoripoesia.it

Goeiedag! Hoor je dat licht geruis

Goeiedag! Hoor je dat licht geruis / Rechts van de tafel? / Je zal deze verzen niet afmaken, want / Ik ben naar je toegekomen. / Zal je me niet weer krenken / Zoals laatst, – / En zeggen dat je geen handen ziet, / Mijn handen niet en mijn ogen / Bij jou is het eenvoudig en klaar. / Ach, jaag me niet daarheen, waar onder / De benauwende boog van de brug / Het smerige koude water versteent.

1913

Uit: En de nacht belooft geen dageraad, De Vries-Brouwers Antwerpen, 1985; vertaling Miriam Van hee

Anna Achmatova (1889-1966, Odessa, Oekraïne/Rusland)

Isaak Babel: Heldhaftige zusters!

heldhaftige zusters, pinterest.com

bron foto: pinterest.com

Onder het allerverschrikkelijkste vuur legt de zuster met een alles verachtende onverschrokkenheid noodverbanden aan en sleept de gewonden op haar schouder van het slagveld weg.

De aanval is afgelopen. Opnieuw een uitputtende mars. Nacht en regen. De soldaten zwijgen somber en het enige geluid is het koortsachtige gefluister van de zuster die de gewonden moed inspreekt en probeert te kalmeren. Een uur later – het bekende beeld – een vuile, donkere hut, waarin het peleton wordt ondergebracht. En in een hoekje gaat de zuster bij het jammerlijke schijnsel van een houtspaan door met het verbinden van wonden, met zwachtelen, zwachtelen…

De lucht staat stijf van het gevloek. De zuster houdt het niet langer uit, ze bijt van zich af, wat een langdurige schaterlach oproept. Niemand helpt haar, geen mens die stro uitspreidt voor het nachtleger, niemand schikt een kussen recht.

Hier zijn ze, onze heldhaftige zusters! Neem je muts voor ze af, voor onze verpleegsters! Soldaten en commandanten, houdt de zusters in ere! Per slot van rekening dienen wij toch ergens een onderscheid te maken tussen de feeën van de legertros die ons leger bezoedelen en de zuster-martelaressen die het sieraad van datzelfde leger zijn.

Uit: Miniaturen – Isaak Babel, Moussault Amsterdam, 1970; vertaling Charles B. Timmer

Van hee: december

van hee, stadgent

bron foto: stad.gent

December

waarom liegt ze tegen mij / zei je aan de telefoon / ze heeft zo’n ziekte nooit / gehad, ze valt gewoon / van de trap, van haar fiets, / ze valt als je haar aanraakt

je haakte in en lachte / omdat ik alles had gehoord

ik zal er een gedicht / van maken, zei ik, nam mijn dochter / bij de hand en wachtte / op de bus naar huis

het was al tegen kerstmis / ik herinner mij gedwarrel / in het licht van auto’s / komend uit de bocht / de winkels gingen dicht / we wisselden gedachten: / wat we morgen zouden kopen / hoestsiroop, gehakt, ze vroeg / waarom ik lachte en ik loog: / omdat het sneeuwde / ik had er zo lang op gewacht

Uit: Winterhard, Bezige Bij Amsterdam, 1988

Miriam Van hee (1952, Gent, België)