Lieve Joris: het vermogen om te vergeten

nightlife zanzibar; travelstart.co.za

Het nachtleven op Zanzibar; bron beeld: travelstart.co.za

De Vlaamse Lieve Joris werd vooral bekend door haar reisverhalen. Verhalen die gaan over andere landen, andere volken, de ontmoetingen met mensen van elders. Van binnenuit beschrijft ze met een helder oog en een scherpe pen wat zij meemaakt en wat dat zegt over de mensen die ze ontmoette. Zoals in Zangeres op Zanzibar. Zanzibar is een semi-autonoom onderdeel van Tanzania. Twee eilanden met een eigen bestuur en cultuur waarbij Arabische en Afrikaanse invloeden elkaar afwisselen. Een deel van die wrijvende culturen komen we tegen in het verhaal Zangeres op Zanzibar. We volgen zangeres Aziza, haar vriendin Nagla en hun strijd om het bestaan; het dealen met mannen.

Die avond eten we op het dakterras van het Kilimanjaro-hotel, een van de betere restaurants in Dar-es-salaam. Het is er geanimeerd. Een enorme Tanzaniaan met een Mexicaanse hoed en een gitaar zingt een serenade voor een groepje Joegoslavische diplomaten. We bestellen kreeft en lachen om Noura en haar rivale.

‘Waarom ben je eigenlijk nooit hertrouwd?’

Aziza glimlacht. ‘Eén keer was genoeg.’ Ze had van Latif gehouden, vertelt ze, en treurde nog om hem toen de geruchten begonnen te circuleren: Hij had haar bedrogen. ‘Alle mannen bedriegen hun vrouwen hier,’ zegt ze berustend, ‘maar hoe hij…’

De vrouwen die het haar kwamen vertellen, presenteerden zich als bezorgde vriendinnen: ze moest niet langer aan hem denken, hij was haar niet waard geweest. Herinnerde ze zich de nacht waarop een vrouw aan de deur klopte, zogenaamd met een dringende boodschap van de legerleiding? Die vrouw was een van zijn minaressen geweest.

Daarna herinnerde ze zich zoveel incidenten. Avonden waarop hij haar in slaap had gesust en vervolgens zelf was vertrokken. Ochtenden waarop hij thuiskwam en beweerde dat hij in de kazerne had overnacht. Zelfs aan de meest tedere momenten begon ze te twijfelen.

‘In het begin was ik alleen maar kwaad omdat ik hem niet kon terughalen, door elkaar schudden en rekenschap vragen voor wat hij gedaan had. Maar later… Later dacht ik: dit nooit meer.’

Even heeft haar gezicht de droevige uitdrukking die ik zag toen ze voor het eerst over Latif praatte. Maar dan lachte ze alweer. Ze heeft de taaiheid die mensen in dit deel van de wereld zo vaak hebben, dat grootse vermogen om te vergeten.

uit: zangeres op Zanzibar, Meulenhoff Amsterdam, 1992

Lieve Joris (1953, Neerpelt, Be)

Uitsluiting en onveiligheid bij Hugo Claus

Hugo_claus; cityofliterature.nlbron beeld: cityofliterature.nl

Het is een boek uit de Vlaamse Bibliotheek-reeks: De zwarte keizer van Hugo Claus (1929-2008). Het zijn zijn eerste schrijfselen. Korte verhalen die een voorbode zijn van wat later komt (Het verdriet van België). In Het huis in de struiken vertelt de ik-figuur, Lena, over haar beklagenswaardige jeugd-ervaringen. Uitsluiting door vriendinnen en onveiligheid in de eigen familie.

De hele bende met Frieda en Mia Schapers en Monique kwam rond mij staan tijdens de speeltijd. Zij zongen over een meisje en haar moeder in het bos. En ik stond tegen de ijskoude stenen van de schoolmuur en ik voelde hoe het in mijn hoofd en in de korrelige stenen klopte. ‘Je moeder gaat niet naar de Mis. Je kent je lessen niet,’ zong Frieda Coppens en Monique zong: ‘Ze hebben geen wc. Zij pissen in de struiken.’ De hele lange weg heb ik toen gelopen naar huis. Langs de stallen van het kasteel, door het dreefje en langs het voetbalveld heb ik geschreeuwd, zo hard dat mijn stem oversloeg en mijn keel pijn deed, dat wij wel een wc hadden.

Het is waar ook. Moeder had aan Monique gezegd dat zij maar in de struiken moest gaan want de wc was verstopt. Het zijn allemaal leugenaars, zondaars, met verrotte zielen.

(..)

Nooit heb ik zo dicht bij grootvader gezeten. Ik kan in zijn harige oren blazen, aan zijn neus trekken, aan zijn wenkbrauwen likken, alles met hem doen als met een pop. Toen moeder hem kamde en hij, mors-hartstikke-dood, liet begaan, haperde de kam in zijn grauw krulhaar. Toen kon zij er met trage, lange streken door. Ik ben vaak bang geweest voor grootvader, toen hij leefde. En kwaad op hem. Zoals toen hij mijn hond heeft doodgeslagen met een baksteen. En ik Bobbie terug uit de put haalde, waar hij hem gauw begraven had. Ik heb de hond op de keukentafel gelegd ’s avonds, de uitgerafeld, verhakkelde Bobbie met zijn gebroken linkeroog. En op de binnenkaft van mijn klasdagboek heb ik alle straffen opgeschreven die ik voor grootvader heb bedacht en die ik, als ik groter word, zou…

uit: het huis in de struiken; uit: De zwarte keizer – Hugo Claus, De Prom Baarn, 2001

Hugo Claus (1929-2008, Brugge, Be)

Fabels? Aesopus!

Ik kende de fabels van La Fontaine (1621-1695, Fr). Zo leerde ik dat toen, lang geleden. Nu kwam ik een boekje tegen: Fabels van Aesopus, bijeengebracht door Phaedrus en in een Nederlandse bewerking door Johan van Nieuwenhuizen. Wat bleek? De fabels worden toegeschreven aan Aesopus, een tot slaaf gemaakte dichter, die rond 550 v. Chr. geleefd zou hebben in Phrygië, Klein Azië. De man, die gebocheld was, leefde op het Griekse Samos, werd vrijgemaakt en ging reizen, onder andere naar het Verre Oosten. Het verhaal gaat dat hij in Delphi gewelddadig om het leven kwam.

Deze Aesopische fabels werden voor het eerst bijeengebracht door de Syriër Babrius of Babrios. 40 na Chr. is het Phaedrus die ze in het latijn bewerkt en er een aantal aan toevoegt. In de Middeleeuwen komen de fabels in de uithoeken van Europa terecht. In Nederland volgde in 1699 een bewerking door David van Hoogstraten. De versie van Van Hoogstraten is de basis voor de bewerking door Johan van Nieuwenhuizen. Uit deze bundel Fabels van Aesopus de volgende fabel die uiteraard de wolf als thema heeft.

De wolf en het lam

aesopus fabel, wolf lam

Dorst bracht de wolf en ’t lam eens saam bij een rivier. Stroomopwaarts dronk de wolf; veel lager ’t andere dier. Het lam deed dit bewust om niet de wolf te hindren, maar deze, dwars van aard, voelde zich nu de mindre. Twistziek, op ruzie uit, roept weldra dus de wolf: ‘Houd op! Je maakt dat hier het water vreselijk golft. Ik ging, als ik je was, mijn dorst maar elders lessen!’ Het lam, geschrokken wel, vraagt fier: “Wil je mij pressen van hier te gaan? Maar wolf, je klacht is heus misplaatst. Bedenk: het is de stroom, die jou bij het drinken plaagt.’ De wolf, verbrouwereerd, weet eerst niets terug te zeggen. Het spijt hem, dat het lam zijn klagen kon weerleggen. Onredelijker nog voegt hij er dan aan toe: ‘Een halfjaar terug alreeds was jij onheus, en hoe!’ ‘Maar wolf, dat kan toch niet! ‘k Was toen nog niet geboren.’ ‘Wat maakt dat voor verschil? Dan was ’t je vaders horen die mij gekwetst heeft, knaap. Hij heeft het nooit geboet…’ En met dat hij dit zegt, drinkt hij het lam zijn bloed.

uit: fabels van Aesopus – Johan van Nieuwenhuizen; Het Spectrum Utrecht, 2000

illustratie: J. van Vianen

Adriaan van Dis à Paris, te voet

adriaan van dis; carel schutte; rodehoed.nlfotograaf: Carel Schutte; bron beeld: rodehoed.nl

Schrijver Adriaan van Dis brengt nogal wat tijd door in Parijs. Hij heeft er zeven jaar gewoond; schreef er De wandelaar en huurt nog een kamer in de Franse hoofdstad. Het liefst wandelt Van Dis door Parijs om het avontuur en de ontmoetingen. In Stadsliefde verhaalt hij over Parijs, zijn wandel- en fietstochten en zijn ontmoetingen. Over dat wandelen het volgende:

Een vast parcours kan de blik ook verruimen. Niet de sensatie van het nieuwe maar het alledaagse prikkelt de geest. In de eentonigheid schuilt het wonder, in geen haast hebben. Zo maak ik – als ik alleen ben – elke avond dezelfde wandeling voor het slapen. Door straten waar nauwelijks iets gebeurt en juist dan zie je nieuwe dingen: een doorgestreepte naam boven de brievenbus (monsieur is vertrokken, madame bleef achter) of muizenpootjes op een stoffige vensterbank (daar ruik ik even of er binnen niet een uitgeteerd lijk voor de tv zit). Ik verbeeld me levens achter al die gesloten ramen en deuren. Hoor stemmen. Soms zoeken mijn schoenen aanspraak, als ze een hoog kantoor passeren en in uitgespuugde kauwgums trappen – sporen van verveelde secretaresses. Dan weer zie ik dingen die er altijd al geweest moeten zijn: de spiegeling van een gevel op een nat trottoir, een kruisteken gebeiteld in een stoep.

Alles wat ik tijdens die wandelingen alleen ontdek, zal ik later met haar (Van Dis’ wandelgids) delen. Zo verdubbel ik de lol en vergroten we het kleine. Parijs is ons samenspel. Nu al weet ik achter welke lantaarnpaal ik me straks op het Gare du Nord zal verstoppen, om al die Hollanders die uit de trein stappen niet te hoeven zien. En ze zal me quasi niet vinden, al loopt ze recht op me af.

In de herhaling ligt het geluk.

uit: het geluk ligt op straat; uit: Stadsliefde, Augustus Amsterdam, 2011

Adriaan van Dis (1946, Bergen)

Manon Uphoff beschrijft de getroubleerde blik

uphoff, standaard.bebron beeld: standaard.be

Gemis is de bundel korte verhalen die ik las. Geschreven door Manon Uphoff. In Stad kruipen we in het hoofd van een jonge vrouw die leeft in de stad. Er zijn raakvlakken en er zijn situaties waarbij het moeilijk invoelbaar is welke keuze gemaakt wordt. Toch zijn de personages echt en overtuigend. Het is een getroubleerd hoofdpersoon die we volgen. Het verhaal handelt over alledaagse situaties en de keuzes die gemaakt worden.

Ons nieuwe huis had twee toiletten: een boven in de badkamer, een beneden in de hal. Tocht kon er, als mijn moeder uit bed kwam en hijgend van het hoesten op de deur van de badkamer klopte, van gescheiden gebruik kon geen sprake zijn. Volgens mijn moeder – dochter van oorlog en armoede – bestond privacy alleen in de geest en waren deuren niet bedoeld om iets af te sluiten, maar om te openen. Dus probeerden we niet te horen hoe haar peuken sissend doofden in de wasbak. Niet te kijken als ze in de pot spuugde. Niet te kijken als ze plaste.

‘Bij het bombardement lag ik twaalf uur onder het puin met een stuk graniet op mijn borst en een granaatscherf in mijn kuit. Er is niemand die me nu nog opsluit.’

Uphoffs taal is toegankelijk en kiest de juiste woorden om de hardheid en wreedheid van het bestaan uit te drukken. In een gezin waarin liefde niet vanzelfsprekend is, maar ook in de eerste relaties waarin seks en liefde niet hetzelfde blijken.

Kon je een ‘talent’ hebben voor een lichaam? Dat je precies wist hoe je het vast moest houden, tegen je aan moest drukken, toe moest laten? Baby’s ademen direct als ze geboren zijn, je hoeft het ze niet voor te doen of uit te leggen. Kon het zijn dat het met de liefde hetzelfde was?

fragmenten uit: stad; uit: Gemis, Podium Amsterdam, 1997

Manon Uphoff (1962, Utrecht)

Nieuwe naam, nieuwe identiteit

In het korte verhaal Wanda Lota van J. Bernlef volgen we een pubermeisje dat haar lichaam ziet en voelt veranderen. Ze woont bij haar moeder. Haar vader is vertrokken naar een nieuwe, jongere vriendin.

Ze had het warm, sloeg de dekens van zich af. Met haar kin op haar borst gedrukt keek ze over haar buik naar haar voeten. Haar vader had haar Jessica genoemd. Hij had haar naam bedacht. Mannen gingen over namen. Ze drukten een stempel op je dat je nooit meer kwijtraakte. Eerst gaven ze je een voornaam en later, als je ging trouwen, raakte je je achternaam aan een van hen kwijt. De moeder heette eigenlijk Loman. Zo werd ze als meisje genoemd, Jannie Loman.

Jessica mompelde haar eigen naam, wel twintig keer. Hij kwam haar even onwezenlijk voor als dit lichaam dat haar vertelde dat ze honger had, dat ze die beschuit moest opeten. Ze schudde resoluut haar hoofd. Waarom zou je je naam niet veranderen als je besloten had iemand anders te worden?

uit: Wanda Lota; uit: Cellojaren – Bernlef, Querido Amsterdam, 1996

bernlef; yasni.nl

bron beeld: yasni.nl

Duo vindt afdoende details

Met duo bedoel ik Martin Bril en Dirk van Weelden. In 1987 publiceerde het tweetal het boek Arbeidsvitaminen, het ABC van Bril & Van Weelden. Een debuut, waarin teksten een plaats kregen die veel en niets met elkaar van doen hadden. Op alfabetische volgorde gerangschikt komen overpeinzingen, verhalen, anekdotes en essays voorbij, overgoten met  een saus van ernst en humor. Het is fragmentarisch als het leven zelf, springerig en vol van ideeën.

In het onderstaande stuk gaat het over de plek van het detail in onze cultuur:

Afdoende

Het volmaakte detail bestaat niet. Ik heb het over de oer-Russische, maar stijlbewuste en zelfs zwierige hoed die de nieuwe Sovjet-leider (Gorbatsjov) draagt. Een minder courant voorbeeld is de knik in het biljart in een van George Braque’s schilderijen. Een anonieme vorm van het volmaakte detail zijn de delicate oortjes van de passerende vrouw, die vervolgens voorgoed onvindbaar blijft.

Waarom is het volmaakte detail volmaakt? Omdat het de plaats is waar de aandacht zich verdicht zonder dat er van een symbool sprake is. Het volmaakte detail verschilt in twee opzichten van het symbool, namelijk dat het alleen ter plekke geldig is (itt het symbool dat als een colporteur overal zijn tronie opdringt om gevraagd en ongevraagd zijn veelbetekende waar aan de man te brengen), en in de tweede plaats doordat niet duidelijk is wat het detail precies betekent, wat onze aandacht iets van suspense geeft. Door deze twee eigenschappen kunnen details grotere volmaaktheid bereiken dan om het even welk symbool.

(..)

Ter afsluiting enkele voorbeelden: de hoed van Gorbatsjov, de handgranaten van Hemingway, de pijp van Mulisch, het spleeetje van Rob de Nijs, de motoriek van Scholte, het flanellen ruitjeshemd van John Fogerty, de snor van Toklas, en de beenstand van Claus tijdens het uitspreken van de Troonrede.

fragmenten uit: afdoende; uit: Arbeidsvitaminen, het ABC van Bril & Van Weelden, Bezige Bij Amsterdam, 1987

Van Weelden en Bril; pinterestVan Weelden en Bril; bron beeld: pinterest.com

Martin Bril (1959-2009, Utrecht)

Dirk van Weelden (1957, Zeist)

‘Klimaatprobleem: samen aanpakken’

helen macdonaldbron beeld: theguardian.com

De Britse schrijfster, geschiedkundige en natuuronderzoeker Helen Macdonald (1970) bundelde haar natuuressays onder de titel Schemervluchten. De bundel biedt natuurobservaties die gekoppeld worden aan kwesties als menselijkheid en verlies. Vanzelfsprekend komt dan ook de klimaatverandering aan de orde. Dit schrijf ik omdat op dit moment in Egypte wereldwijd onderhandeld wordt over hoe het verder moet met ons klimaat.

Macdonald schrijft over hoe belangrijk het is niet alleen op persoonlijk niveau iets te doen aan klimaatverandering, maar dat het vooral ook een gezamenlijk doel is.

Het is voor ons lastig te begrijpen dat dingen die volgens onze opvoeding niet met elkaar in verband staan of die slechts incidenteel iets te maken lijken te hebben met het functioneren van de samenleving – zoals de landbouwproductie, voedseldistributie, internationale handelsverdragen, mondiale bedrijfscultuur en talloze andere zaken – misschien wel de oorzakelijke symtomen van het klimaatprobleem zijn. Ons tijdsgewricht heeft ons zodanig geconditioneerd dat we bepaalde vormen van problemen en oplossingen links laten liggen omdat ze niet stroken met de manier waarop we geleerd hebben om over onze samenleving te denken. Ons is aangepraat dat het mogelijk is de wereld te veranderen vanuit de supermarkt; dat we heel kleinschalig te werk moeten gaan om op grote schaal veranderingen teweeg te brengen; we moeten andere lampen gebruiken, dieselauto’s en plastic rietjes in de ban doen. Maar soms ligt het niet aan jou. Soms ligt de schuld bij de wereld. Verzet en de dingen anders aanpakken zijn collectieve handelingen, geen individuele. Een grootschalig, goed gecoördineerd maatschappelijk offensief hebben we nodig, daar moeten we rap mee aan de slag.

uit: symptomatisch; uit: Schemervluchten, Bezige Bij Amsterdam, 2021; vertaling Nico Groen en Joris Vermeulen

Helen Macdonald (1970, Surrey, UK)

Bernlef beschrijft de bevrijding door de zintuigen van een vrouw

bernlef; nrc.nlbron beeld: nrc.nl

Bernlef heeft als schrijver naam gemaakt met Hersenschimmen, een boek over dementie vanuit het oogpunt van de dementerende. Hoe de wereld langzaam afbrokkelt en je uit het normale doen raakt, werd raak beschreven. Wat mij daarbij opviel is hoe het Bernlef lukte zijn empathie om te zetten naar een geloofwaardig verhaal, naar echte taal die binnendringt.

Iets dergelijks gebeurde bij het lezen van het korte verhaal Bevrijding. In flarden trekken de belevenissen van een vrouw tijdens de Tweede Wereldoorlog voorbij. Aldus:

De radio was ook weg op het laatst. Ingeleverd. Dat moest. Je mocht niet meer luisteren. Voor mij was dat het ergst. Dat begrijpt u toch? Zolang er nog radio was ging het wel. Maar toen werd het stil. Dat is het eerste wat ik mij herinner. Het was stil. Doodstil. Ik zat altijd op dezelfde plaats, in de erker. Ik luisterde naar buiten. Hoorde de metalen banden rond de wielen van een handkar. Dat geratel weerkaatste de huizen.

(..)

En altijd die brandlucht. Schroeilucht. Dat was het meer. Alles werd in zo’n kacheltje, zo’n noodkacheltje gestopt. Oude schoenen, karton, hout. Het hele dressoir hebben ze opgestookt. Een mens doet wat om warm te blijven.

(..)

Je hoorde ze wel eens voorbijkomen. Het ijzerbeslag van hun laarzen. En alles in de maat. Soms met gezang erbij. Opgewekt en toch diep treurig. Jongens waren het, zo te horen. Maar hier voor de deur bleven ze nooit staan. Misschien zagen ze me zitten, misschien ook niet.

Ik zat voor het raam. Al die tijd. Alleen als er in de lucht gevochten werd dan haalden ze me weg. Dan moest ik onder tafel. Dicht tegen hen aan. Iedereen rook naar zweet. En buiten de flak. Flak-flak-flak. Van die korte rafelende stoten achter elkaar. En hoog daarboven dat doffe brommen. dan kwamen ze over.

(..)

Bang ben ik nooit geweest. Bang werd ik pas toen het bevrijding werd. U moet zich goed voorstellen hoe of dat was. Iedereen liep opeens de straat op. Waren ze mij toen maar vergeten. Hadden ze mij toen maar laten zitten. Zoals nu, hier op mijn gemak, met mijn tas. U luistert. U blijft op uw plaats zitten. Er is een zekere afstand. Ik voel me veilig. De tas staat open maar ik weet dat u er niets uit zult halen.

(..)

Hij nam me mee. Weg uit het lawaai. Ik was ze kwijtgeraakt. Niemand luisterde. Ze leken wel gek geworden met z’n allen. Schreeuwden als beesten. Hij sprak Engels dus het zal wel een Canadees zijn geweest. Hij nam me mee, weg van dat geschreeuw, een plek waar het stil was. Om ons heen hoorde ik kievieten roepen. Ik hoor ze nog om me heen terwijl ik op mijn rug lag. Ze riepen elkaar. Hij praatte Engels. Het hoorde bij de bevrijding. En wat kon ik anders. Ik had er wel van gehoord maar het nooit gevoeld. Het was vlug voorbij. Een beetje pijn. Niet erg. Dat was alles. Hij had een mooie spitse kin en harde wenkbrauwen. What’s your name. Ik heet Liza zei ik.

(..)

Het was een jongentje. Ze hebben het meegenomen. Het is naar een tehuis gebracht. Hoe moet een blinde nu voor een kind zorgen, zeiden ze.

(..)

Hij weet niet eens dat ik nog leef. Dat ik zijn moeder ben. Straks ben ik dood en dan weet hij het nog niet. Nooit. Dat hij er nooit naar gevraagd heeft. Raar. Je wil toch weten wie je moeder is? Of misschien ook niet.

uit: bevrijding; uit: Doorgaande reizigers, Querido Amsterdam, 1990

J. Bernlef (1937-2012, Sint Pancras)