Bijna iedere dag muziek: Finn Brothers

In 1991 waren de gebroeders Tim en Neil Finn van Crowded House op bezoek in Amsterdam, ter promotie van hun succesalbum Woodface. Samen hadden ze een hele reeks Beatle-eske liedjes voor het album geschreven. Ik kon ze spreken in een hotel, en koos broederstrijd als thema. Tim (1952) had als eerste een band gehad, Split Enz, een band waar Neil (1958) zich later bijvoegde. Enfin, die spatte uiteen en Neil begon op zijn beurt Crowded House. Hij scoorde enkele wereldhits (Don’t Dream It’s Over) en toen kwam Tim weer terug bij Neil. Waarna ze tijdens ons gesprek in samenzang analyseerden:

‘Iedereen die een oudere broer heeft, wil niets liever dan hem ovetreffen. Het is een competitie. Thuis keek ik enorm tegen hem op, want Tim ging al naar de universiteit toen ik nog op de middelbare school zat. Hij had van die glamourvrienden van de kunstacademie, ze rookten hasj en vierden wilde feesten, bovendien speelden z`e in een professionele band: Split Enz.

Voor Woodface hadden we nooit eerder samen geschreven. Uit angst, eigenlijk. We waren bang om onszelf in de ogen van de ander belachelijk te maken. Liedjes schrijven is een delicaat proces. Dus die muur moest eerst neergehaald worden. Dat we beiden niet meer het gevoel hadden door de ander betrapt te worden met je broek op je knieën.

Zeiden ze toen nog, heel monter. Een fractie te veel frictie maakte dat Tim reeds tijdens de Amerikaanse tournee voor Woodface weer uit de band stapte. Dat ging van: whose band is it anyway? En dan wist de ander wel hoe laat het was. Eens in de zoveel tijd kwamen ze toch weer bij elkaar, als de Finn Brothers, en dan ging het weer mis. Tegenwoordig laat Neil zijn zoon Liam Finn (1983) weleens meespelen, zoals op het album Intriguer (2010). Dat schijnt een tikkeltje beter te gaan, vader en zoon.

uit: drie akkoorden en de waarheid – Rob van Scheers, De Kring Utrecht, 2014

Bijna iedere dag muziek: Bob Dylan en The Byrds

Er moet toch, zei de clown tegen de dief, / een uitweg zijn uit al dit ongerief? / De patsers drinken wijnen uit mijn gaarde, / ploegen mijn grond, maar niemand kent de waarde.

De dief zei: Hou je rustig, heb geen grief. . Voor velen mist het leven perspectief. / Wij laten achter ons wat ons bezwaarde. / Niet kwaadspreken. Het wordt al laat op aarde.

En langs de wachttoren, waar prinsen staarden, / was het verkeer van vrouwvolk intensief, / rond wie blootvoetse dienaren zich schaarden.

Een kater jankte verre van poeslief. / Twee ruiters kwamen nader op hun paarden, / terwijl de wind zich huilende verhief.

Zijn de verhalen over het begin / van Mr. Tambourine Man dus, nou waar? / Spelen Lou Adlers sessiemensen daar, / Met als enige echte Byrd McGuinn?

Ja, van Columbia moest het vlug klaar, / en hun manager vond ze nog te min. / Alleen het zingen doen ze zelf erin, / En Roger speelt de twaalfsnarige gitaar.

Het lijkt op Sweetheart of the Rodeo / net of Gram meedoet met een zangsolo, / hoewel hij er niet bijstaat. Is dat zo?

Lee Hazlewood had een contract met hem. / Oorspronkelijk werd het gedaan door Gram. / Wat toen vervangen is door Rogers stem.

uit: 1000 sonetten 1966-1996 – Jan Kal, Nijgh & Van Ditmar Amsterdam, 1997

Bijna iedere dag muziek: de Wainwrights

Ik probeer natuurlijk niet in God te geloven, maar soms gebeuren er dingen in muziek, in songs, waardoor ik ineens pas op de plaats maak en achter mijn oor ga krabben. Wanneer dingen opgeteld meer zijn dan de som der delen, wanneer de bereikte effecten onverklaarbaar zijn, dan komen atheïsten zoals ik op moeilijk terrein. Neem bijvoorbeeld Rufus Wainwrights versie van zijn vader Loudons One Man Guy. Er is eigenlijk niets dat het zo bijzonder maakt: het is een mooi liedje, maar het is een beetje wrang, een beetje triest, geestig – de grap is dat dit lied niet over de vreugden van de monogamie gaat, maar over de vreugden van solipsisme en misantropie, een grapje dat nog een extra lading krijgt door de seksuele geaardheid  van Wainwright junior (homoseksueel) – en je kunt je moeilijk voorstellen dat God de tijd heeft om zijn opwachting te maken in zoiets wrangs met zoveel zelfspot. Maar gek genoeg doet Hij het toch. Daar is geen twijfel aan.

Voor mij doet Hij zijn intrede aan het begin van het tweede couplet, net wanneer Rufus en zijn zus Martha tweestemmig gaan zingen. Het is misschien veelzeggend (of misschien geeft Hij alleen maar blijkt van een tot nu toe onvermoed gevoel voor humor) dat zijn aanwezigheid voor het eerst duidelijk wordt bij de zin ‘People meditate, hey, that’s just great, trying to find the inner You’. Het is de harmonie die het ‘m doet, maar of dat oorzaak of gevolg is blijft een onuitgemaakte zaak. Maakt God zijn entree omdat Martha en Rufus zo mooi samen zingen – hoort Hij het in de verte en denkt Hij: Hé, dat is mijn soort muziek en ik ga even kijken wat er gaande is? Of stelt Hij ze in staat om samen te zingen – heeft Hij in de gaten wat ze proberen te doen en helpt hij ze een handje?

(..)

Ik weet niet of er woorden bestaan om te beschrijven wat er gebeurt wanneer twee stemmen versmelten (en is de kracht, de schoonheid en de pure perfectie van een simpel akkoord niet een beetje, je weet wel, Outer Limits? Geen wonder dat Pythagoras zich zo druk maakte over harmonie). Ik kan alleen maar zeggen dat ik dingen kan horen die er niet zijn, dingen kan zien en voelen die ik normaal niet zie en voel, en ga beseffen dat er inderdaad misschien zoiets als een onsterfelijke ziel bestaat of op zijn minst dat er een verenigend menselijk bewustzijn bestaat, en dat ons leven te kort is maar zin heeft. Afgezien daarvan weet ik eigenlijk niet of er daardoor zoveel verandert. Maar ik ga niet te vaak naar dit soort dingen luisteren, maar je weet maar nooit.

uit: 31 songs – Nick Hornby, Atlas Amsterdam, 2003; vertaling Anneke Goddijn

Bijna iedere dag muziek: Rossini

Zuivere instrumentale muziek zegt me niets, zelfs de muziek van de Sixtijnse Kapel en van het koor van het Kapittel van de Sint-Pieter kan me niet bekoren (dit is me opnieuw gebleken de 18-de januari 1836, de dag van de Catedra van San Pietro).

Alleen vocale muziek lijkt me een geniale prestatie. Een dwaas kan nog zo veel leren, hij kan volgens mij nooit een mooie melodie vinden als bijvoorbeeld: Se amor si gode in pace (eerste akte, en misschien eerste scene van de Matrimonio Segreto).

Als een geniaal man de moeite neemt een melodie grondig te bestuderen, bereikt hij de mooiste instrumentatie van het kwartet in Bianca e Faliero (van Rossini) of het duet uit Armida van dezelfde componist.

Wanneer ik in de hoogtijdagen van mijn liefde voor muziek, in Milaan van 1814 tot 1821, op de ochtend voor de uitvoering van een nieuwe opera, het libretto haalde in de Scala, kon ik niet nalaten onder het lezen zelf de muziek erbij te bedenken, en de aria’s en duetten te zingen. En als ik zeggen mag, soms vond ik dan op de avond van de uitvoering mijn melodie edeler en lieflijker dan die van de maestro zelf.

uit: hoofdstuk 38 uit: Het leven van Henry Brulard – Stendhal; Bezige Bij Amsterdam, 1980

Bijna iedere dag muziek: Errol Garner

https://youtu.be/5lMy-5xIFao

De Honda startte vlot, hij deed een bandje van Errol Garner in zijn casetteradio. Voor een optreden luisterde hij altijd naar Errol Garner, zoals die de intro’s van zijn nummers speelde, concertant, breed, en dan stevig swingend daar zogenaamd eenvoudig de melodie van het nummer uit liet voortkomen, dat vond hij nog steeds een inspiratie van de bovenste plank. Errol was heel lang erg uit de mode geweest. Als hij op partijen à la Errol speelde, kreeg hij toch altijd verzoeken om meer. En tegenwoordig hoorde je hem wel weer eens op de radio. Zoals met alles, ook Errol kwam weer terug.

uit: an der Musik – Marjan Berk; uit: Koninginnedag, Atlas Amsterdam, 1993

Errol Garner (1921-1977, USA)

Bijna iedere dag muziek: Gram Parsons

Een wonderboy die de country & western-muziek naar een volgend level bracht. Ik heb het over Gram Parsons (1946-1973, USA). Parsons was singer, songwriter, gitarist en pianist. Speelde in bands als: Submarine, The Byrds en The Flying Burrito Brothers voordat hij solo ging. Hij overleed op jonge leeftijd als gevolg van een combinatie van alcohol en morfine. Zijn lichaam werd op eigen verzoek, verbrand in de woestijn van Joshua Tree. Over Gram Parsons schreef Jan Donkers in Forty Tracks:

https://youtu.be/h_Iz0iVvhEc

Ik wilde hem met alle geweld interviewen toen ik in 1972 in de VS was. De Byrds was al jarenlang een van mijn favoriete bands geweest, en de lp Sweetheart of the Rodeo die ze maakten nadat Parsons zijn intrede had gedaan in de band was niets minder dan een sensatie. Een sensatie die nog werd vergroot nadat Gram de band had verlaten en zijn eigen Flying Burrito Brothers stichtte. Waar Sweetheart of the Rodeo een gepassioneerde poging was om het jonge jaren zestig publiek te verzoenen met de algemeen als reactionair beschouwde country and western muziek, waren de beide Burrito Brothers-platen (en dan vooral de eerste, The Gilded Palace of Sin) genre-overstijgend op een manier die nog maar zelden vertoond was. Wat was dit? Rhythm and Blues-standards naast covers van zowel Dylan als de Stones, naast zelfgeschreven en moeilijk te categoriseren eigen nummers. Alles was even gepassioneerd en gezongen door de gegriefde stem van de lead-zanger. Met Gram Parsons was een nieuwe held opgestaan.

uit: forty tracks – Jan Donkers, Concertobooks Amsterdam, 2022

Bijna iedere dag muziek: Ian Dury & The Blockheads

Voorafgaand aan een enthousiastmerend verhaal van Rob van Scheers over de Britse Vaudeville-held, eerst wat ruimte voor eigen ervaring. Ik zag Ian Dury met zijn band optreden in de Nijmeegse Vereniging. Was niet helemaal optimaal fit vanwege stappen. Wat zich aan mijn ogen voltrok was een show die aan vaudeville deed denken, vol zat met heerlijke muziek en vreemde intermezzo’s. Hoogtepunten: het moment waarop de drummer groot licht de zaal in schoot en de gebakken eieren die Ian de zaal ingooide bij de toegiften. Het was een onvergetelijke gebeurtenis waaraan ik nog nog met plezier terugdenk. Ian Dury was alle reden tot vrolijkheid:

https://youtu.be/0WGVgfjnLqc

In Nederland heeft de Ian Dury-biopic Sex & Drugs & Rock & Roll (2010) de bioscoop nooit gehaald, en wat een vergissing is dat. Ik heb het hier over een van de oorspronkelijkste muziekfilms sinds jaren. Geen glamour, integendeel, het is een diep-menselijk portret van de onwaarschijnlijkste popheld uit de muziekgeschiedenis. Hij had alles tegen, maar wat mee zat was de uitbarsting van de punk, het tijdperk van DIY (do it yourself), van stencils uitdelen met drie akkoorden erop, en het advies: now… start a band! Zoek de DVD maar eens op, daar is gemakkelijk aan te komen.

Andy Serkis, de Gollem uit Lord of the Rings, speelt Ian Dury in deze film van regisseur Mat Whitecross op hoogste overtuigende wijze. Als een man die worstelt met de gevolgen van polio uit zijn jeugd, zich maar vasthoudt aan het vroegere advies (‘Als underdog beginnen is niet zo’n slecht vertrekpunt in het leven’) van zijn liefhebbende vader, en zich er met zelfspot doorheen probeert te slaan. En met muziek, natuurlijk, de muziek van Ian Dury & the Blockheads.

Als de bebrilde Elvis Costello de zelfverklaarde intellectueel was van de new wave Stiff-label-beweging, dan was Ian Dury (1942-2000) de straatwijze hofnar, die onbedreigd kon zingen wat hij dacht. Hij was toch al kreupel, lees: zielig. Spasticus autisticus, nietwaar?

Nou, mooi niet. Strijdbaar, scherp, cockey, en ook cockney, een parel voor de Britse arbeidersklasse, dichter van het volk, die Ian Dury. In The Guardian werd hij wel omschreven als de missing link tussen Oscar Wilde en Morrisey. Zelf was hij vooral fan van Gene Vincent en Eddie Cochran, die rockers van het eerste uur.

Vanwege zijn speelse teksten roept Nick Hornby in zijn boek 31 songs (2003) de koningin op om het God save the Queen in hemelsnaam te vervangen door Dury’s Reasons to be Cheerful, Part 3 – want: ‘De boost voor de moraal van de natie zou onmetelijk zijn.’ Dury en zijn Blockheads knalhard uit de speakers voorafgaand aan iedere voetbalinterland, cricketgame, paardenrace, dat is het idee.

Juist omdat het zo Brits is, dit liedje. Hogere sing-a-long. De tekst is in wezen een handig in elkaar gezet boodschappenlijstje van wat Ian Dury waardeert aan het bestaan, ondanks zijn wandelstok en horrelvoet. En je hoeft er niet eens Brits voor te zijn om er op een druilerige dag plezier aan te ontlenen, met z’n funky slaggitaartje, en zijn upbeat. Héé, hallo, hoera, we leven nog! Reden tot vrolijkheid. Vergeet je het niet? Laat die blues maar even zitten. Dat is wat Ian Dury ons voorhoudt.

uit: drie akkoorden en de waarheid – Rob van Scheers, De kring Utrecht, 2014 

Bijna iedere dag muziek: Herbert von Karajan

https://youtu.be/D3L0wY3lsj4

Haar bestaan heeft ze aan Von Karajan (1908-1989) te danken. Aan het concert dat hij in Brussel gaf, aan de kaartjes die mijn vader had en aan een onschuldig virus, waardoor mijn broer en zijn vrouw het die avond lieten afweten. En aan het feit dat haar vader, die toen haar vader nog niet was, die avond bij me was.

We hadden afgesproken om met kinderen te wachten tot we werk hadden en een dak boven ons hoofd. Ik logeerde bij mjn ouders, hij bij de zijne in Wales om er te regelen wat geregeld moest worden. We moesten opnieuw wortel schieten na een reis van zes maanden in Centraal- en Zuid-Amerika. Daar kwamen veel paperassen bij kijken. Voor het concert trok ik de geborduurde bloes aan die ik in Guatemala van een indiaanse had gekocht. Er hoorde een lange rok bij. Ik hoopte dat het ensemble voor galakledij kon doorgaan.

Het programma en de precieze datum zijn me ontschoten. Ik herinner me alleen het glunderende gezicht van mijn vader, mijn fel gekleurde bloes die nooit eerder in een concertzaal was gedragen, en het verwarrende contrast tussen von Karajans stramme gang en de passie waarmee hij dirigeerde. Achteraf hadden we geen zin om voorzichtig te zijn. Iets moest worden gevierd: het leven, de muziek, Von Karajan, wij. De volgende morgen vertrok haar vader terug naar Wales zonder te weten dat hij haar vader was geworden.

Zeven maanden later woonden we een concert van Queen bij. In mijn buik ging de baby wild tekeer. Haar vader noemde het enthousiasme, ik zei: het is protest.

Het muzikale gesternte waaronder ze is verwekt, heeft geen sporen nagelaten. Nooit heeft ze een stap in een muziekschool gezet en ze is even weinig muzikaal als ik. Maar ze houdt van klassieke muziek. Ook zij heeft een platenspeler, want de collectie van mijn vader gaat op een dag naar haar. Voorlopig moet ze het met de doublures stellen en met de platen die ze ‘leent’.

‘Is hij dat, mama?’ Ze wijst naar een foto op een platenhoes.

‘Ja,’ zeg ik. ‘Dat is Von Karajan.’

We glimlachen naar elkaar.

uit: in twaalf bewegingen door Kristien Hemmerechts; uit: Muziek in mijn leven, Prometheus Amsterdam, 2005

Bijna iedere dag muziek: de jaren 60 en 70

Hoogleraar, vertaler en schrijver Maarten Steenmeijer (1954) bracht in de bundel Pop in literatuur essays samen die de rol van popmuziek in de hedendaagse literatuur bespreken en een plek geven.

In zijn eigen bijdrage gaat het over de Spaanse schrijver Antonio Muñoz Molina (1956) en zijn roman El jinete polaco, in het Nederlands vertaald als Ruiter in de storm. In die roman speelt de popmuziek van de jaren 60 en 70 een belangrijke rol als duider van een staat van zijn in het leven van de hoofdpersonen Manuel en Nadia.

Voorbeeld: Walk on the wild side van Lou Reed (1942-2013, USA) en Jimi Hendrix.

Een paar liedjes komen regelmatig terug in de herinneringstekst van Manuel en groeien zo uit tot een soort mantra die zijn wereld voor even in een andere plaats verandert: ‘ik loop door de Pozostraat alsof ik nonchalant en stoer over de trottoirs van New York loop, terwijl ik zachtjes het accent van Lou Reed imiteer, take a walk on the wild side. Dat Manuel de helft niet begrijpt van wat Lou Reed zingt, is maar goed ook:

…door de vertaling gaat het mysterie bijna altijd verloren, want wat die stemmen ons vertellen, zit niet zozeer daarin als wel in ons, in onze wanhoop en enthousiasme, en daarom is het, als we veel gerookt en gedronken hebben, vaak het beste om naar een nummer te luisteren dat bijna geen tekst heeft, een nummer van Jimi Hendrix bijvoorbeeld, de woedende uithalen van de gitaar en die verre stem die altijd klinkt alsof hij overstemd wordt door een orkaan, het ritme dat ons opzweept en dat maakt dat we onze ogen dichtdoen en onszelf vergeten, evenals de stad waar we geboren zijn en tot waar deze muziek, die zo ver weg ontstaan is, aan de overkant van een zee die ik niet alleen nooit ben overgestoken, maar die ik zelfs nog nooit gezien heb, op wonderlijke wijze doordringt.

https://youtu.be/qFfnlYbFEiE

Bijna iedere dag muziek: Emmy Verhey en David Ojstrach spelen Bach

De kanselier van onze ambassade laat mij twee Bachplaten horen. eerst een stukje Ojstrach, dan hetzelfde stukje Emmy Verhey. Voor mijn leken-oor zit het verschil niet in de techniek – hoewel dat verschil er toch wel zal wezen – en ook niet in de voordracht, maar in iets anders: het is of bij Ojstrach iedere noot niet alleen wordt aangeduid, niet alleen wordt aangegeven, maar ook volledig wordt ‘uitgespeeld’ – ongeacht de soms zeer korte duur van zo’n noot. Ik zeg dat tegen Emmy en zij antwoordt: ‘Ja, dat zegt Ojstrach ook. Hij zegt: zo’n noot leeft maar heel, heel kort, en hij komt nooit, nooit meer terug. Je moet er erg je best op doen.’

fragment uit: Emmy en Ojstrach, uit: Met twee potten pindakaas naar Moskou – Karel van het Reve, Van Oorschot Amsterdam, 1970

Van het Reve bezocht Emmy Verhey, die zich in Moskou bevond en in de leer was bij de Russische violist David Ojstrach