Félix Valloton gaat intiem

Félix Édouard Vallotton (1865 – 1925, Zwitsers-Frans) was van oorsprong Zwitsers en kunstschilder. In 1900 liet hij zich tot Frans staatsburger naturaliseren.

Met een artikel in het Franse tijdschrift L’Art et l’Idée werd de aandacht op het werk van Vallotton gevestigd. Hij vestigde zijn naam als illustrator en houtgraveur en zou nog aan vele tijdschriften en ander publicaties meewerken. Vallotton was degene die de techniek van de houtgravure opnieuw leven ingeblazen heeft. Vallotton zou ook jaren met deze techniek blijven werken; een groot deel van zijn inkomsten kwam van zijn gravures.

Bevriend als hij was met Édouard Vuillard, Pierre Bonnard en Maurice Denis kwam Vallotton welhaast vanzelfsprekend ook in de jonge kunstenaarsgroep Les Nabis terecht. Aan de eerste tentoonstelling van de Nabis werkte Vallotton mee.

Met de uitwerking van de serie Intimités was Vallotton op de top van zijn artistieke loopbaan aangekomen.

Intimités was een indrukwekkend werk en werd bij publicatie meer gewaardeerd dan het schilderwerk van Valloton. Het werk omvat 10 houtsnedes, voornamelijk zwart met weinig, maar scherpe witte lijnen. Vallotton deed een poging om de emoties van de Parijse bourgeoisie te verbeelden. Het is een portret van de strijd tussen man en vrouw in theatrale scenes en suggestieve titels. Dat Valloton nogal cynisch was over de liefde, bleek uit deze serie. De afgebeelde vrouwen lijken oppervlakkig, berekenend, wreed, onverzadigbaar en triomferend over de man.

Bronnen: wikipedia; tumblr.austinkleon.com

felix-edouard-vallotton-intimites 5felix-edouard-vallotton-intimites 4felix-edouard-vallotton-intimites 3felix-edouard-vallotton-intimites 2felix-edouard-vallotton-intimites 1

Walt Whitman: een geluidloze spin vol geduld

Een geluidloze spin vol geduld

Een geluidloze spin vol geduld / merkte ik op, die afgezonderd op een uitsteeksel stond, / merkte hoe hij, om het reusachtige lege rondom te verkennen, / bedrading, bedrading, bedrading uitzond, uit zijn zelf, / het altijd weer afwond, het onvermoeibaar versnelde.

En jij o mijn ziel waar je staat, / omsingeld, losjes, in mateloze oceanen van ruimte, / die onophoudelijk peinzend gist en waagt, de sferen opzoekt om die te verbinden, / tot de brug die je nodig zult hebben af is, tot het smeedanker pakt, / tot de dunne draad die je werpt zich ergens hecht, o mijn ziel.

Walt Whitman

bron foto: hurray-usa.nl

Walt Whitman (1819 – 1892, Noord-Amerikaans)

Uit: The new Oxford book of American verse, Oxford University Press New York, 1976; vertaling Jan Eijkelboom

Emily Brontë: lang verwaarloosd…

Lang verwaarloosd…

Lang verwaarloosd en de zoete / Toverglimlach half vergaan; / Bloesem, door de tijd bezoedeld; / Schimmel tast de ogen aan.

Maar die lok van zijden haren, / Steeds nog onder ’t schilderij, / Toont hoe eens die trekken waren, / Schetst de geest hun makelij.

Schóón de hand die schreef die regel, / ‘Liefste, trouw blijf ik altoos’; / Vlugge vingers vlogen teder / Toen de pen dat motto koos.

Emily_Brontë

bron: Wikipedia

Emily Brontë (1818 – 1848, Brits)

uit: The New Oxford Book of Victorian Verse, Christopher Ricks Londen, 1972; vertaling Wiebe Hogendoorn

Chopin drukte zijn liefde voor Polen uit in polonaises

Frédéric Chopin (1810 – 1849, Pools) werd geboren in Polen maar leefde lang in Frankrijk. Zijn Poolse naam: Fryderyck Szopen. In 1830 vertrok Chopin naar het buitenland om zijn loopbaan als pianist te vervolgen. Hij zou er niet meer terugkeren. Oorzaak: in Warschau brak een opstand uit tegen de Russische tsaar. Die opstand werd bloedig neergeslagen en wat volgde was brute onderdrukking. Reden voor Chopin om niet meer terug te keren naar zijn geboorteland. Maar Polen bleef hem wel bezighouden. De meeste van Chopins piano-polonaises vinden hun oorsprong in de oorlog tegen Rusland, maar zijn vooral bedoeld als huldeblijken aan zijn moederland.

De Franse schrijfster George Sand, vriendin van de componist-pianist, noemde Chopin de grootste patriot onder de musici. Volgens haar was hij Poolser dan welke Fransman ooit Frans was geweest. Zijn ziel en zijn muziek ontsprongen aan het verwoeste en onderdrukte Polen van die tijd. Tegenwoordig zouden we zeggen dat Chopin’s polonaises en mazurka’s een typisch voorbeeld zijn van de romantische Sehnsucht naar zijn vaderland.

Chopin is om velerlei redenen een belangrijk maar vooral invloedrijk pianist-componist. Zijn composities waren vernieuwend: maakten gebruik van klassieke vormen als contrapunt en fuga, maar ook van dissonanten en halve toonafstanden. Hij gaf een nieuwe aanvulling aan klassieke vormen als de sonate, de etude en het scherzo. Veel van zijn composities kenmerkten zich door expressief pianospel met veel ritmische vrijheid. Met zijn linkerhand gaf hij het ritme aan, terwijl zijn rechterhand wonderlijke dingen deed. Het genie van de rechterhand.

Chopin werd bewonderd en gevolgd om zijn composities, maar ook zijn pianospel kende zijn weerga niet. Zijn roem reikte tot ver buiten Europa. De Amerikaanse ragtime (geïntroduceerd door de componist Gottschalk uit New Orleans) werd geschreven onder invloed van Chopin. De Antilliaanse muziekfamilies Palm en Corsen maakten danza’s en treurwalsen met de Poolse componist als bron van inspiratie.

Chopin overleed jong aan tbc. Zijn laatste wens was dat zijn hart uit het lichaam zou worden gehaald. Geconserveerd in alcohol moest het naar Warschau worden gesmokkeld om daar bijgezet te worden in een zuil van de Heiligkruiskerk. De rest van Chopin is bijgezet op de Parijse begraafplaats Père Lachaise. Daar was hij lang de grootste publiekstrekker totdat de Amerikaanse Doors-zanger Jim Morrison er zijn laatste rustplaats kreeg.

Frederic_Chopin_photo

bron foto: Wikipedia

Frédéric Chopin (1810 – 1849, Pools)

bron: Made in Europa – Pieter Steinz, Nieuw Amsterdam Amsterdam, 2014

Tennyson: Zeewaarts

Crossing the border/Zeewaarts

Zonsondergang, één ster. / Hun roep: ‘vaar uit’ geldt mij! / Al is het reisdoel ver, / géén jammerend laagtij,

maar ebbend springtij, stil alsof het sliep; / géén schuimend golfgedruis / wanneer wat voortkwam uit het peilloos diep / vertrekt naar huis!

Dit avondlijk bestel, / en duisternis daarna! / Mijn schip is ree. Géén treurnis bij ’t vaarwel / wanneer ik ga.

Want ook al voert de ebstroom mij misschien / tot buiten Tijd en Ruimte mee, / ik hoop mijn Loods in het gelaat te zien / daarginds op zee.

Tennyson, raptis rare books

bron foto: raptisrarebooks.com

Lord Alfred Tennyson (1809 – 1892, Brits)

Uit: The Northern Anthology of English Literature, vol.2, Abrams New York/Londen, 1986; vertaling Wim Jonker

Friedrich Nietzsche: gegen die Gesetze

Gegen die Gesetze

Von heut an hängt an här’ner Schnur / um meinen Hals die Stunden-Uhr: / von heut an hört der Sterne Lauf, / Sonn’, Hahnenschrei und Schatten auf, / und was mir je die Zeit verkünd’t, / das ist jetzt stumm und taub und blind: – / es schweigt mir jegliche Natur / beim Ticktack von Gesetz und Uhr.

Tegen de wetten

Vanaf vandaag hangt aan een haren snoer / om mijn hals de uurklok: / vanaf vandaag houdt de loop der sterren, / zon, hanegekraai en schaduw op, / en wat mij ooit de tijd vertelde / is nu stom en doof en blind: – / in mij zwijgt elke natuur / bij het getiktak van wet en klok.

friedrich-nietzsche

bron foto: evdaimonia.com

Friedrich Nietzsche (1844 – 1900, Duits)

Uit: Gedichte, Insel Wiesbaden, 1950

Gavarni illustreerde het Parijse leven

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

paul garvani 3

paul garvani 5Paul Gavarni (1804 – 1866, Frans) was tekenaar en graficus en illustreerde vooral het Parijse leven van zijn tijd. Preciezer gezegd hij tekende en graveerde de eigentijdse zeden. Dat deed hij met vaste hand en met een fijn gevoel voor de verbeelding.

Gavarni werkte mee aan verschillende tijdschriften en illustreerde boeken onder andere van Balzac.

paul garvani 6

paul garvani 4

paul garvani 2In de jaren 1847 tot 1851 verbleef de Franse graficus in Londen. Daar raakte hij onder de indruk van het lompenproletariaat. Hij wijdde veel tekeningen aan de uitzichtloosheid van de armen. Na terugkeer uit Londen begon een uiterst productieve tijd. Vele series litho’s en duizenden tekeningen en aquarellen verschenen van zijn hand. Daaruit een keuze.

Marie Bashkirtseff bewees dat ze leefde

Marie Bashkirtseff | Мария БашкирцеваMarie Bashkirtseff (1858 – 1884) was Russische, haar voorouders waren nomaden aan de Kaspische Zee. Op haar tiende bad zij: ‘God, maak dat ik nooit de pokken krijg, mooi word, een fraaie stem krijg, gelukkig word in het huwelijk en lang zal leven!’ Ze kreeg geen pokken, werd mooi, had een goede stem, ze speelde harp en piano, leerde zes talen, ze kon meer dan aardig dansen, schilderen, beeldhouwen, had schrijftalent, en ze was schatrijk. Ze was gevierd in de mondaine kringen van Nice, Napels, Rome. Ze werd echter niet gelukkig in het huwelijk en stierf jong. Ze was een flirt, verliefde gemakkelijk bij de paardenrennen en op de rolschaatsbaan. Maar toen ze werkelijk liefkreeg werd haar liefde niet beantwoord. Toen haar aanbedene ging trouwen, schreef Marie, dat jongemeisje uit duizend, een brief die ze nimmer verstuurde met regels als: ‘Als het waar is dat u enkel een verstandshuwelijk sluit, weet dan dat er een vrouw is, veel rijker dan uw verloofde, en die meer van u houdt dan welke vrouw ook ter wereld.’ Men heeft gesuggereerd dat het liefdesverdriet haar dood heeft bespoedigd.

Misschien heeft niemand zo klemmend onder woorden gebracht als zij, waarom zij dagboek hield. Kort voor haar overlijden, op 1 mei 1884, noteerde zij: ‘… men zal mijn dagboek vinden, mijn familie zal het vernietigen na het te hebben gelezen en dan zal er weldra niets meer van mij over zijn, niets…niets! Dat heeft me altijd verschrikkelijk geleken. Leven, zoveel plannen hebben, lijden, huilen, vechten, en, ten slotte, vergetelheid! Als ik niet lang genoeg leef om beroemd te worden, zal dit dagboek toch de naturalisten belang in boezemen; het is toch merkwaardig, het leven van een vrouw, van dag to dag, zonder aanstellerij, alsof niemand ter wereld het ooit had moeten lezen, en tezelfdertijd toch geschreven met de bedoeling om gelezen te worden; want ik ben er zeker van dat men mij aardig zal vinden, en ik zeg alles, alles, alles. Wat heeft het anders voor zin!’

Uit: Binnenste buiten – Hans Warren, Bert Bakker Amsterdam, 1989

Fromentin strijdt in Egypte tegen de tijd en het verlies

fromentin de Nijl 6fromentin de Nijl 3Eugène Fromentin (1820-1876, Frans) was een dubbeltalent: hij schilderde en schreef. De schilderijen laten met name oosterse taferelen zien. De boeken die hij schreef waren romans en (reis)dagboeken. Er zijn lieden die beweren dat hij even perfect als Flaubert kon schrijven (Alain-Fourniers). Als Fromentin’s meesterwerk geldt Dominique dat uit 1862 dateert.

fromentin de Nijl 5fromentin de Nijl 2Hans Warren (1921-2001, Zeeuw) was een liefhebber van de reisdagboeken die Fromentin bijhield van zijn tochten in Afrika. Vooral het dagboek dat hij schreef in 1869. De Fransman was als officier van het Légion d’Honneur uitgenodigd als lid van een Frans delegatie voor de feesten bij de opening van het Suez-kanaal.

fromentin de Nijl 4Fromentin, Eugene, 1820-1876; The Banks of the NileVoyage en Égypte behoort, zeker voor iemand die zelf een hartstochtelijk dagboekschrijver is, tot de aangrijpendste journalen die er bestaan. Het toont de worsteling van de mens, de kunstenaar, tegen de tijd en zijn onherroepelijk verliezen. Fromentin, die zoveel van Afrika hield, vond Egypte prachtig. Hij werd overstelpt door indrukken, alles had hij in geschrift en in beeld willen vastleggen. Maar: ‘Het is te laat, ik ben te oud, het gaat te snel.’ Je ziet hem vechten, het notitieboekje op de knie: hoe houd ik het vast. ‘Durven’: de Nijl chocoladebruin schilderen met felblauwe reflexen, het helle groen (‘verdure éclatante’), die honderden details, een jongenslijk dat voorbijdrijft en men laat het drijven, de hebbelijkheid om op alles te schieten, op grote gieren, pelikanen, kraaien, gelukkig bijna altijd mis. Alleen een krokodil is raak, het blijkt dan ook een buffel ‘waarvan men enkel de ruggengraat zag’. Zijn diepe teleurstelling, depressie zelfs als er geen brieven van thuis komen – ze moeten zijn zoekgeraakt. De hitte maakt hem ziek, hij verveelt en ergert zich, maar wordt telkens meegesleept door de schoonheid die hem omringt en die hij, beseft hij, nooit terug zal zien. Geen schets, geen regel mogelijk.

Uit: Binnenste buiten – Hans Warren over dagboeken, Bert Bakker Amsterdam, 1989

Herman Melville beschrijft zijn eigen ellendige leven

 

Herman_Melvillebron foto: daily.jstor.org

Herman Melville kennen wij, lezers, als de schrijver van het klassieke meesterwerk Moby Dick. Melville (1919 – 1891, USA) moest na de vroege dood van zijn vader de kost verdienen. Hij zwierf op zee, keerde terug op het land en ging schrijven. Zijn beroemdste werk zou Moby Dick worden. Een boek dat bij het verschijnen in 1851 neergesabeld werd door de kritiek en niet veel lezers vond. Tot grote teleurstelling van Melville. Reden voor de schrijver zich terug te trekken en uiteindelijk anoniem en eenzaam te sterven.

In 1853 verscheen (anoniem) De klerk Bartleby. Een kort verhaal over de klerk Bartleby die aan de slag gaat als kopiist op een juristenkantoor, hartje Wall Street. In het begin werkt Bartleby hard en naar tevredenheid van zijn baas. Maar op een zekere dag besluit Bartleby geen opdrachten meer uit te voeren. Hij wordt niet ontslagen, maar draagt verder niet meer bij aan de productie van het kantoor. Als een onwelwillende schim houdt hij de gemoederen bezig van zijn baas en zijn collega’s. Na verhuizing van het kantoor en opsluiting van Bartleby in het gevang, neemt zijn leven een dramatische wending. De klerk die liever niet meer kiest, zijn leven passief ondergaat, staat symbool voor wat Melville overkwam na het mislukken van Moby Dick.

Melville zelf omschreef het zo in dit korte maar krachtige verhaal:

Toch was ik er niet helemaal gerust op en uiterst nieuwsgierig keerde ik ten slotte naar de deur van mijn kantoor terug. Ik stak zonder problemen mijn sleutel in het slot, opende deur en ging naar binnen. Bartleby was nergens te bekennen. Ik keek gespannen rond, gluurde achter zijn scherm, maar het was zonneklaar dat hij vertrokken was. Toen ik de plek nauwgezet onderzocht, rees bij mij het vermoeden dat Bartleby gedurende een onbepaalde periode in mijn kantoor gegeten, geslapen en zich aan- en uitgekleed moest hebben, en dat alles ook nog zonder bord, bed of spiegel. De kussens van de zitting van een wrakke, oude sofa in een hoek droegen de vage afdruk van een magere, op de rug liggende vorm. Onder zijn bureau vond ik een opgerolde deken, onder het lege haardrooster een doos zwarte schoensmeer en een borstel, op een stoel een blikken kom met zeep en een rafelige handdoek, in een krant wat kruimels van de gemberkoekjes en een stukje kaas. Nu is het echt duidelijk, dacht ik, dat Bartleby hier zijn intrek heeft genomen, en er in zijn eentje een vrijgezellenbestaan leidt. Onmiddellijk werd ik bevangen door de gedachte: wat een eenzaam, ellendig leven zonder vrienden komt hieruit naar voren. Hij is straatarm, maar zijn eenzaamheid is nog afschuwelijker! Stel je eens voor. Een zondag, Wall Street is zo verlaten als Petra en ’s nachts is het er totaal uitgestorven. Ook dit gebouw dat op een doordeweekse dag zindert van leven en activiteit, weergalmt hol en leeg als het eenmaal nacht is, en is de godganse zondag verlaten. En hier neemt Bartleby zijn intrek, als enige toeschouwer van een eenzaamheid, een ruimte die hij dichtbevolkt heeft meegemaakt – een onschuldig soort Marius in andere gedaante die te midden van de ruïnes van Carthago zit te peinzen!

Herman Melville (1819 – 1891), Amerikaans

Uit: De klerk Bartleby, Atheneum, Polak & Van Gennep Amsterdam, 2017