Niko Pirosmani: een groot Georgische naïeve schilder

pirosmani 2pirosmani 4pirosmani 6

“Tenslotte bracht Tamila me naar de zaal van Niko Pirosmanasjvili (Pirosmani), zodat ik de schilderijen kon zien die weldra in Parijs zouden worden tentoongesteld. Tamila beweerde dat Parijs tegenwoordig wild enthousiast is over Pirosmani die in 1916 overleed. Hij was de Georgische Nikifor of Rousseau le Dounanier. Een grote naïeve.

Niko woonde in Nachalovka, de buurt van de paria’s en armen van Tbilisi. Hij was straatarm. Zijn penselen maakte hij zelf. Op Niko’s schilderijen overheerst zwart, hij had altijd het meeste zwart omdat hij de verf kreeg van de doodkistenmakers. Hij verzamelde oude blikken uithangborden om ergens op te kunnen schilderen. Daarom schemeren er door zijn schilderijen slordig overgeschilderde opschriften, zoals ‘Magaz’ of ‘Tabak’. Een reclame in goudkleur of rood met daarop de zwart-witte visioenen van Niko. Georgisch primitief aangebracht op Russische koopmans-fin-de-siècle. Niko schilderde in taveernen, in de bedompte lucht van de kroegen van Nachalovka. Soms trakteerden de omstanders hem op een glas wijn. Misschien had hij tuberculose. Of vallende ziekte. Men weet weinig van hem. Veel van zijn werken zijn verloren gegaan, een deel is bewaard gebleven. Het belangrijkste onderwerp van zijn schilderijen is het avondmaal. Niko schilderde het avondmaal als Veronese.

Niko’s avondmaal is alleen Georgisch, is werelds. Tegen de achtergrond van het Georgische landschap zien we een rijkelijk voorziene tafel, aan die tafel Georgiërs die drinken en eten. De tafel staat op het eerste plan. De tafel is het belangrijkste. Niko werd gefascineerd door culinaria. Wat er te eten zal zijn, waarmee een mens zich volpropt. Hij schildert het allemaal. Hij laat zien wat hij zou willen eten, maar vandaag niet zal eten, misschien nooit. Tafels overladen met hopen eten. Gebraden lammeren. Vette biggetjes. Wijnen rood en zwaar als kalfsbloed. Sappige meloenen. Geurende granaatappels. Dit geschilder heeft iets masochistisch, is als het steken van een mes in eigen buik, ook al is Niko’s kunst vrolijk, zelfs vermakelijk.

(..)

Het schilderen bracht hem geen geluk. Hij had een meisje genaamd Margerita. Niemand weet wat voor een meisje het was. Niko hield van haar en maakte haar portret. Margerita’s gezicht is geschilderd in de conventie van de grote naïeven, bij wie alles te groot is en niet volgens de norm. De mond is te fors, de ogen puilen uit. Enorme flaporen. Niko gaf het portret aan Margerita. Boos begon het meisje te tieren. Ze liep bij hem weg, woedend, vol haat. Zijn talent doemde hem tot eenzaamheid. Van toen af leefde hij verlaten.

Hij verzamelde zijn roestige uithangborden, de doodkistenmakers gaven hem verf. Hij bleef zijn gelagen schilderen, telkens weer die tafel tegen de achtergrond van het berglandschap. Soms trakteerden de omstanders hem op een glas wijn. Hij was 54 toen hij overleed, in Tbilisi, in een of ander huisje, niemand weet waaraan, honger lijdend, misschien ook krankzinnig.”

Uit: Imperium – Ryszard Kapuscinski, Arbeiderspers Asmterdam, 1993; vertaling Gerard Rasch

pirosmani 1pirosmani 3pirosmani 5

Advertenties

Jan Greshoff over verontwaardiging

Uit: Jeugd

Een ZKV (zeer kort verhaal) van A.L. Snijders is de aanleiding. Over het jeudig elan van een jonge vrouw tegenover het oudemannen-cynisme. Over oordelen en vanaf de zijlijn toekijken en ‘het mijne ervan denken’. Over verontwaardiging. Waarop Snijders antwoordde: ‘Alleen als de verontwaardiging in een goede vorm steekt, zei ik, en las haar een verontwaardigd gedicht van Jan Greshoff voor.

Ze hebben alles tot op ’t merg verpest: / God met de clerus en met encyclieken, / de liefde met het gore huwelijksnest / en de natuur met al hun stinkfabrieken.

Wie in ’t geluk hartstochtelijk heeft geloofd / voelt zich teneergeslagen en een ezel, / hij rilt en schaamt zich de ogen uit zijn hoofd / en haat zichzelf tot in zijn diepste vezel.

(..)

Het was decadent om de vorm boven de inhoud te stellen. Ik besloot mijn mond te houden, maar ik had haar willen zeggen dat de vorm de inhoud meesleept, en niet omgekeerd.

A.L. Snijders

Greshoff, Roland Holst, EybersVan links naar rechts: Jan Greshoff, Adriaan Roland Holst en Elisabeth Eybers. bron foto: hetgeheugenvannederland.nl

Jan Greshoff (1888-1971)

Pierre Kemp: naar Cythère

Cythère, vivreathenesbron foto: vivreathenes.com

Naar Cythère

Alle kinderen komen van Cythère, / een blank, een geel, een bruin, een zwart, een rood. / Zij zingen hun onnozelheid’s air / en ruiken naar de schoot. / Alle kinderen komen van Cythère / en dan gaan zij naar school. / Zij staan voor het gelaat van het middaguur. / Een kind, dat meer weet, ziet ze in ‘azuur’. / Zij hebben de klaproos al gezien. / Zij plukten de korenaar misschien / en merkten elkanders symbool. / Maar onnozel blijft hun groeiend air, / want straks gaan ook zij naar Cythère.

Pierre Kemp (1886-1967)

Uit: Verzameld werk, deel 2, Van Oorschot Amsterdam, 1976

Ezra Pound: verbond

Verbond

Ik sluit een verbond met je, Walt Whitman – / Ik heb je nu lang genoeg verfoeid. / Ik kom tot je als een volwassen kind / Dat een eigenzinnige vader heeft gehad; / Ik ben nu oud genoeg om vriendschap met je te sluiten. / Jij hebt het nieuwe hout gekapt, / Het is nu tijd om te kerven. / Wij zijn één van wortel en sap – / Laten we ons met elkaar verstaan.

ezra-pound, poetry foundationbron foto: poetryfoundation.org

Ezra Pound (1885 – 1972, USA)

Uit: Selected poems 1908 – 1959, Faber and Faber Londen, 1968; vertaling Ko Kooman

Wallace Stevens: de dood van een soldaat

De dood van een soldaat

Het leven krimpt en de dood wordt verwacht, / Als in een herfstgetij. / De soldaat sneuvelt.

Hij wordt geen driedaags personage, / Dat zijn verscheiden opdringt / Met pracht en praal.

De dood is absoluut, zonder gedachtenis, / Als in een herfstgetij, / Wanneer het ophoudt met waaien,

Wanneer het ophoudt met waaien en langs de hemel / De wolken, niettemin, / Hun kant op gaan.

Wallace-Stevens, improvisedlife.comWallace Stevens (1879 – 1955, USA)

bron foto: improvisedlife.com

Uit: The collected poems of Wallace Stevens, Knopf New York, 1971; vertaling Ko Kooman

Kafka niet over schrijven, maar over lezen

Wat vooraf ging:

De boeken in mijn boekenkast kennen mij niet voordat ik ze opensla, en toch ben ik er zeker van dat ze mij bij mijn naam aanspreken – en mij en elke andere lezer; ze wachten onze commentaren en meningen af. Ik word voorondersteld bij Plato, zoals ik voorondersteld word in elk boek, zelfs in de boeken die ik nooit zal lezen.

bron: Een geschiedenis van het lezen – Alberto Manguel, Ambo Amsterdam, 2000; vertaling Tinke Davids

En dan Franz Kafka:

Kafka, wikiwijs

bron foto: maken.wikiwijs.nl

‘Over het geheel genomen,’ schreef Kafka in 1904 aan zijn vriend Oskar Pollak, ‘geloof ik dat wij alleen boeken moeten lezen die ons bijten en steken. Als het boek dat we lezen ons niet wakker schudt als een klap op de schedel, waarom zou je dan de moeite nemen? Opdat het ons blij maakt, zoals jij het uitdrukt? Goeie God, we zouden precies even blij zijn als we helemaal geen boeken hadden; boeken die ons blij maken, zouden we desnoods zelf wel kunnen schrijven. Wat wij nodig hebben, dat zijn boeken die ons treffen als een uiterst pijnlijk ongeluk, zoals de dood van iemand die we meer liefhadden dan onszelf, die ons het gevoel geven dat wij zijn verbannen naar de wildernis, ver van alle mensen, als een zelfmoordenaar. Een boek moet de bijl zijn voor de bevroren zee binnen in ons. Dat is mijn overtuiging.’

bron: The nightmare of reason. A life of Franz Kafka – Ernst Pawel, New York, 1984

John Masefield: zeekoorts

Zeekoorts

Ik moet weer naar de zee terug, naar de eenzame zee en de wind, / En al wat ik vraag is een viermastschip en een ster waar ‘k het noorden bij vind. / En de ruk van het roer en het zingen van ’t want en het klappen van ’t zeil in de vlagen, / En een grauwe mist die de einder bedekt en een grauwe kim als ’t gaat dagen.

Ik moet weer naar de zee terug, want de roep van eb en vloed / Is een wilde roep en een klare roep en een die ‘k gehoorzamen moet; / En al wat ik vraag is een dag met veel wind en met witte wolken die jagen / En het spattende sop en het vliegende schuim en de meeuwen die krijsen en klagen.

Ik moet weer naar de zee terug, waar ik als zigeuner kan zwerven, / Naar de weg die de meeuwen en walvissen gaan, waar de winden als messen kerven; / En al wat ik vraag is een vrolijk verhaal, van een maat die met mij lacht, / En de rust van de slaap en ’t geluk van de droom aan het eind van mijn lange wacht.

Strang, William, 1859-1921; John Masefield (1878-1967)bron foto: artuk.org

John Masefield (1878 – 1967, Brits)

Uit: The Oxford Book of Twentieth-Century English Verse, Clarendon Press Oxford, 1973; vertaling Ko Kooman

Robert Musil signaleert een opkomende duisternis

‘Ik weet helemaal niet wat jullie met hem van plan zijn.’

‘Dat is ook niet zo eenvoudig. Wij moeten hem nog verder vernederen en hem nog dieper laten buigen. Ik wou wel eens zien hoe ver dat kan. Hoe dat moet gebeuren is een heel andere vraag. Ik heb daar natuurlijk  wel een paar ideetjes over. Wij zouden hem bijvoorbeeld kunnen afranselen en hem ondertussen dankpsalmen laten zingen, ik denk dat dat niet slecht zou klinken – iedere noot krijgt kippenvel, bij wijze van spreken. Wij zouden hem ook als een hond de smerigste dingen kunnen laten apporteren. Wij zouden hem ook mee kunnen nemen naar Bozena en hem daar de brieven van zijn moeder later voorlezen, en Bozena zou daar vast een aardige conference bij houden. Maar dat loopt allemaal niet weg. Wij kunnen het rustig uitdenken, bijvijlen, nieuwe dingen erbij verzinnen, Maar zonder de bijbehorende details, is dat voorlopig nog wat saai. Misschien kunnen wij hem toch beter aan de klas uitleveren. Dat zou het aardigste zijn. Als ze met zo velen zijn en iedereen zijn steentje bijdraagt, dan is dat al voldoende om hem aan stukken  te scheuren. Ik ben trouwens dol op zulke massa-bewegingen. Niemand wil speciaal meedoen, en toch gaan de golven hoger en hoger tot zij zich boven ieders hoofd sluiten. Jullie zult het zien, niemand zal een vinger uitsteken en toch komt er een reusachtige storm. Zo iets te ensceneren schenkt mij een bijzonder genoegen.’

Uit: De ervaringen van de jonge Törless, Ambo Baarn, Atheneum, Polak & Van Gennep Amsterdam, 1985; vertaling Frank Diamand

rm, manwithoutqualities.com

bron foto: manwithoutqualities.com

Robert Musil (1880 – 1942, Oostenrijks)

Ilmari Aalto vond de basis van het schilderen

aalto 2

aalto 4

aalto 6De Finse kunstenaar Ilmari Aalto (1891 – 1934) maakte stillevens, schilderde landschappen en portretten. In eerste instantie deed hij dat als lid van de groep Sallinen, genoemd naar de kunstenaar Tyko Sallinen. Na kennismaking met het werk van Edvard Munch en dat van de groep Der Blaue Reiter, werd zijn werk beïnvloed door stromingen als expressionisme en kubisme.

Werd zijn vroegere werk vooral gekenmerkt door een wat grijzig palet, in zijn latere werk zien we meer kleur, scherpere contouren, niet-gemengde kleuren en een steviger gebruik van de kwast.

Aalto vond zijn inspiratie dicht bij huis. Het landschap van Töölö en Suursaari, de stillevens in zijn atelier en de portretten van vrienden maakten een belangrijk deel van zijn werk uit.

Van Aalto is bekend dat hij vermoedelijk veel van zijn ouder werk vernietigde. De Fin stierf jong (43 jaar).

aalto 1

aalto 5