Nikolaj Goemiljov: don Juan

Don Juan

Mijn droom is trots en simpel tegelijk: / Het dralen van de tijd te overwinnen, / Op reis gaan, schoonheden te beminnen, / Tot ik een hoge ouderdom bereik.

Dan wijd ik me aan Christus’ koninkrijk. / Met as bestrooid treed ik het klooster binnen, / Waar ik me op het leven ga bezinnen / En afstand doe van alle aardse slijk!

Maar op het hoogtepunt van het festijn / Ontwaak ik uit de wirwar van mijn wegen, / Ik zie opeens hoe ijdel dromen zijn:

Dat ik tot nutteloosheid ben gedoemd, / En bij geen vrouw ooit kindren heb gekregen, / Noch ooit een man mijn broeder heb genoemd.

Uit: De meisjes van Zanzibar, Plantage Leiden, 2000

goemiljov, wikipedia

bron foto: wikipedia.org

Nikolaj Goemiljov (1886-1921, Rusland)

Advertenties

“God is wreed en gaat streng met ons om”

‘God is wreed, en hoe meer we hem gehoorzamen, hoe strenger hij met ons omgaat. Hij is machtiger dan de machtigen, met de nagel van zijn pink kan hij hen van kant maken, maar hij doet het niet. Alleen de zwakken richt hij graag ten gronde. De zwakte van een mens prikkelt zijn kracht, en gehoorzaamheid wekt zijn toorn op. Hij is een grote, wrede ispravnik (russisch voor officier van justitie). Gehoorzaam je zijn wetten, dan zegt hij dat je ze alleen in je eigen voordeel gehoorzaamt. En overtreed je ook maar één enkel gebod, dan vervolgt hij je met honderd straffen. Wil je hem omkopen, dan rekent hij met je af. En ga je rechtschapen met hem om, dan loert hij op een kans om jou om te kopen. In heel Rusland is er geen boosaardiger ispravnik!’

‘Denk eens, Mendel,’ begon Rottenberg, ‘denk eens aan Job. Hem is hetzelfde overkomen als jou. Hj zat op de naakte aarde, met as op zijn hoofd, en zijn wonden deden zoveel pijn dat hij als een dier over de grond rolde. Ook hij lasterde God. En toch was het alleen een beproeving geweest. Wat weten wij, Mendel, van wat daarboven gebeurt? Misschien is de satan voor God verschenen en heeft hij net als toen gezegd: er moet een rechtvaardige worden verleid. En de Heer zei toen: probeer het eens met Mendel, mijn knecht.’

Uit: Job, roman over een eenvoudige man – Joseph Roth, Atlas Amsterdam, 2007; vertaling Wilfred Oranje

roth, grunberg.combron foto: arnongrunberg.com

Joseph Roth (1894-1939, Brody, Oekraïne)

Kafka voelde zich een kever

Kafka als kever, readitforward.com

bron illustratie: readitforward.com

Je werkt zo overdreven op kantoor, dat je daarna zelfs te moe bent om goed van je vakantie te genieten. Maar door al het werk heb je nog niet het recht verworven om door allen met liefde te worden behandeld, veeleer ben je alleen, geheel en al vreemd en alleen onderwerp van nieuwsgierigheid. En zolang je ‘je’ zegt in plaats van ‘ik’, is er niets aan de hand en kun je dit verhaal opzeggen, maar zodra je jezelf bekent dat je het zelf bent, word je gewoonweg doorboord en bent ontzet… Maar als ik zelf onderscheid maak tussen ‘je’ en ‘ik’, hoe zou ik me dan over de anderen mogen beklagen. Ze zijn waarschijnlijk niet onrechtvaardig, maar ik ben te moe om alles in te zien.

Allen die mij willen kwellen en die nu de hele ruimte om mij heen hebben bezet, worden heel geleidelijk teruggedrongen door het goedige verloop van deze dagen, zonder dat ik hen ook maar in het geringste hoef te helpen. En ik kan, zoals natuurlijk zal blijken, zwak en stil zijn en alles met mij laten doen en toch moet alles goed worden, alleen maar door de verstrijkende dagen.

En bovendien, kan ik het niet doen zoals ik het altijd als kind bij gevaarlijke bezigheden deed? Ik hoef niet eens zelf de stad uit te gaan, dat is niet nodig. Ik stuur mijn aangeklede lichaam. Wankelt het door de deur van mijn kamer naar buiten, dan is dit wankelen geen teken van vrees, maar van nietswaardigheid. Het is ook geen opwinding als het over de trap strompelt, als het snikkend de stad uitgaat en op het land huilend zijn avondmaal eet. Want ik, ik lig intussen in mijn bed, glad toegedekt met een geelbruine deken, blootgesteld aan de lucht die door de weinig geopende kamer waait.

Ik heb, zoals ik in bed lig, de gestalte van een grote kever, een vliegend hert of een meikever, geloof ik.

De grote gestalte van een kever, jawel. Ik deed dan alsof het om een winterslaap ging, en ik perste mijn beentjes tegen mijn buikige lijf. En ik murmel een klein aantal woorden, dat zijn instructies aan mijn treurige lichaam, dat vlak bij mij staat en gebogen is. Gauw ben ik klaar – het maakt een buiging, het gaat snel weg en zal alles op de beste manier uitvoeren, terwijl ik rust.

Uit: Hochzeitsvorbereitungen auf dem Lande und andere Prosa aus dem Nachlass – Franz Kafka, 1907 geschreven. In 1915 verscheen Die Verwandlung, Kafka’s meest beroemde werk over een man (Gregor Samsa) die ’s morgens wakker wordt en in een kever is veranderd.

Franz Kafka (1883-1924, Praag, Tsjechië)

Italo Svevo over de literaire roem (die laat kwam)

joyce en svevo, theirishtimesJames Joyce en Italo Svevo (rechts) kenden vanaf 1907 een hechte vriendschap. bron foto: irishtimes.com

De Italiaanse schrijver Italo Svevo (1861-1928, Triëst) heeft lang op zijn literaire doorbraak moeten wachten. Nadat hij al een aantal romans en verhalen had gemaakt en (een deel ervan) gepubliceerd, wachtte er stilte. Om in zijn levensonderhoud te voorzien stortte hij zich in het zakenleven.

In 1907 leerde hij James Joyce kennen. Ondertussen maakte hij kennis met het werk van Sigmund Freud. Hij kwam onder de indruk van Freud’s psychoanalyse. Dat alles leidde tot zijn meest bekende boek: Bekentenissen van Zeno. Die roman zou hem de lang uitgestelde roem brengen.

Over die frusterende situatie waarin de schrijver schrijft maar geen weerklank vindt (bij uitgever en publiek), gaat zijn korte verhaal (novelle) Een geslaagde grap. Daarin de volgende passage over literaire roem:

Bovendien droeg die vervloekte litertuur er haar steentje toe bij om Gaia’s ziel, die er toch volledig van bevrijd leek, te vertroebelen. Je koestert niet straffeloos, al is het maar heel kort, een droom van roem zonder er daarna eeuwig spijt van te hebben en degene die hem blijft koesteren te benijden, ook al zal hij die roem nooit ofte nimmer verwerven. Bij Mario sijpelde die droom uit elke porie van zijn huid, die zo gauw bloosde. De plaats die hem in de Republiek der Letteren niet werd gegund, eiste hij op en bezette hij, bijna tersluiks maar daarom niet met minder recht of met enige beperking. Hij zei wel aan ieder die het horen wilde dat hij al jaren niets meer schreef (waarbij hij gemakshalve de verhaaltjes over vogeltjes vergat), maar niemand geloofde hem, en dat was voldoende om hem met algemene instemming een hoger leven toe te schrijven, hoger dan alles wat hem omgaf.

Uit: Een geslaagde grap, Hema Amsterdam, 1989; vertaling Frans Denissen en Monique Wyers

De liefde die je achterlaat en je tegemoet treedt

Uit: Job, roman over een eenvoudige man

In het Russisch joodse gezin Mendel Singer is de beslissing gevallen om zoonlief te volgen, die zich heeft gevestigd in het beloofde land Amerika. Het gezin ontvlucht de armoede, bereidt zich voor op een welvarende, maar onzekere toekomst. In onderstaand fragment droomt de ontluikende puberdochter Mirjam zich af wat deze stap voor haar betekent.

Mirjam, die vanuit een hoek naar de tafel keek, kon de blik van haar vader zien, haar hart ging sneller kloppen. Maandag had ze een afspraakje. Heel deze warme nazomerperiode had ze afspraakjes. Haar liefde kwam laat tot bloei, tussen de hoge aren. Mirjam was bang voor de oogsttijd. Ze hoorde de boeren soms al voorbereidingen treffen, hun sikkels wetten aan de blauwe slijpstenen. Waar moest ze heen als de velden kaal werden? Ze moest mee naar Amerika. In een vage voorstelling van de vrije liefde in Amerika, tussen de hoge huizen, waar je je nog beter kon verstoppen dan tussen de korenaren op het veld, vond ze troost voor de naderende oogsttijd. Die was al in aantocht. Mirjam had geen tijd te verliezen. Ze hield van Stepan. Hij zou achterblijven. Ze hield van alle mannen, stormen woedden in hen en toch staken enorme handen de vlammen in haar hart zachtjes aan. Stepan, Ivan en Vsevolod heetten de mannen. In Amerika waren nog veel meer mannen.

Job is een roman van Joseph Roth (1894-1939, Oekraïne); Atlas Amsterdam, 2007; vertaald door Wilfred Oranje

j roth, thetimes.combron foto: thetimes.co.uk

Slauerhoff: de voortekenen

De voortekenen

vogels op zee, ad van duren

foto: Ad van Duren, natuurfotograaf

Witte ijsvogels wiegen / Zich op zee en twijgen dichtbij. / Zij wijst ze en roept met helle / Bekoringsstem: “Zij voorspellen / Geluk!” / Maar ik zie verder: van het bergenjuk / Komt een donkere stip neersnellen, / Een zwarte vogel voegt zich er bij.

Uit: Verzamelde gedichten, Nijgh & Van Ditmar Amsterdam, 1999

J. Slauerhoff (1898-1936, Leeuwarden)

Niko Pirosmani: een groot Georgische naïeve schilder

pirosmani 2pirosmani 4pirosmani 6

“Tenslotte bracht Tamila me naar de zaal van Niko Pirosmanasjvili (Pirosmani), zodat ik de schilderijen kon zien die weldra in Parijs zouden worden tentoongesteld. Tamila beweerde dat Parijs tegenwoordig wild enthousiast is over Pirosmani die in 1916 overleed. Hij was de Georgische Nikifor of Rousseau le Dounanier. Een grote naïeve.

Niko woonde in Nachalovka, de buurt van de paria’s en armen van Tbilisi. Hij was straatarm. Zijn penselen maakte hij zelf. Op Niko’s schilderijen overheerst zwart, hij had altijd het meeste zwart omdat hij de verf kreeg van de doodkistenmakers. Hij verzamelde oude blikken uithangborden om ergens op te kunnen schilderen. Daarom schemeren er door zijn schilderijen slordig overgeschilderde opschriften, zoals ‘Magaz’ of ‘Tabak’. Een reclame in goudkleur of rood met daarop de zwart-witte visioenen van Niko. Georgisch primitief aangebracht op Russische koopmans-fin-de-siècle. Niko schilderde in taveernen, in de bedompte lucht van de kroegen van Nachalovka. Soms trakteerden de omstanders hem op een glas wijn. Misschien had hij tuberculose. Of vallende ziekte. Men weet weinig van hem. Veel van zijn werken zijn verloren gegaan, een deel is bewaard gebleven. Het belangrijkste onderwerp van zijn schilderijen is het avondmaal. Niko schilderde het avondmaal als Veronese.

Niko’s avondmaal is alleen Georgisch, is werelds. Tegen de achtergrond van het Georgische landschap zien we een rijkelijk voorziene tafel, aan die tafel Georgiërs die drinken en eten. De tafel staat op het eerste plan. De tafel is het belangrijkste. Niko werd gefascineerd door culinaria. Wat er te eten zal zijn, waarmee een mens zich volpropt. Hij schildert het allemaal. Hij laat zien wat hij zou willen eten, maar vandaag niet zal eten, misschien nooit. Tafels overladen met hopen eten. Gebraden lammeren. Vette biggetjes. Wijnen rood en zwaar als kalfsbloed. Sappige meloenen. Geurende granaatappels. Dit geschilder heeft iets masochistisch, is als het steken van een mes in eigen buik, ook al is Niko’s kunst vrolijk, zelfs vermakelijk.

(..)

Het schilderen bracht hem geen geluk. Hij had een meisje genaamd Margerita. Niemand weet wat voor een meisje het was. Niko hield van haar en maakte haar portret. Margerita’s gezicht is geschilderd in de conventie van de grote naïeven, bij wie alles te groot is en niet volgens de norm. De mond is te fors, de ogen puilen uit. Enorme flaporen. Niko gaf het portret aan Margerita. Boos begon het meisje te tieren. Ze liep bij hem weg, woedend, vol haat. Zijn talent doemde hem tot eenzaamheid. Van toen af leefde hij verlaten.

Hij verzamelde zijn roestige uithangborden, de doodkistenmakers gaven hem verf. Hij bleef zijn gelagen schilderen, telkens weer die tafel tegen de achtergrond van het berglandschap. Soms trakteerden de omstanders hem op een glas wijn. Hij was 54 toen hij overleed, in Tbilisi, in een of ander huisje, niemand weet waaraan, honger lijdend, misschien ook krankzinnig.”

Uit: Imperium – Ryszard Kapuscinski, Arbeiderspers Asmterdam, 1993; vertaling Gerard Rasch

pirosmani 1pirosmani 3pirosmani 5

Jan Greshoff over verontwaardiging

Uit: Jeugd

Een ZKV (zeer kort verhaal) van A.L. Snijders is de aanleiding. Over het jeudig elan van een jonge vrouw tegenover het oudemannen-cynisme. Over oordelen en vanaf de zijlijn toekijken en ‘het mijne ervan denken’. Over verontwaardiging. Waarop Snijders antwoordde: ‘Alleen als de verontwaardiging in een goede vorm steekt, zei ik, en las haar een verontwaardigd gedicht van Jan Greshoff voor.

Ze hebben alles tot op ’t merg verpest: / God met de clerus en met encyclieken, / de liefde met het gore huwelijksnest / en de natuur met al hun stinkfabrieken.

Wie in ’t geluk hartstochtelijk heeft geloofd / voelt zich teneergeslagen en een ezel, / hij rilt en schaamt zich de ogen uit zijn hoofd / en haat zichzelf tot in zijn diepste vezel.

(..)

Het was decadent om de vorm boven de inhoud te stellen. Ik besloot mijn mond te houden, maar ik had haar willen zeggen dat de vorm de inhoud meesleept, en niet omgekeerd.

A.L. Snijders

Greshoff, Roland Holst, EybersVan links naar rechts: Jan Greshoff, Adriaan Roland Holst en Elisabeth Eybers. bron foto: hetgeheugenvannederland.nl

Jan Greshoff (1888-1971)

Pierre Kemp: naar Cythère

Cythère, vivreathenesbron foto: vivreathenes.com

Naar Cythère

Alle kinderen komen van Cythère, / een blank, een geel, een bruin, een zwart, een rood. / Zij zingen hun onnozelheid’s air / en ruiken naar de schoot. / Alle kinderen komen van Cythère / en dan gaan zij naar school. / Zij staan voor het gelaat van het middaguur. / Een kind, dat meer weet, ziet ze in ‘azuur’. / Zij hebben de klaproos al gezien. / Zij plukten de korenaar misschien / en merkten elkanders symbool. / Maar onnozel blijft hun groeiend air, / want straks gaan ook zij naar Cythère.

Pierre Kemp (1886-1967)

Uit: Verzameld werk, deel 2, Van Oorschot Amsterdam, 1976