Trolsky: kunst

Jasper-mikkers; jaspermikkers.nlbron illustratie: jaspermikkers.nl

Kunst

Er zijn momenten dat je vliegen kunt. / Het is nooit zeker of het nòg eens lukt. / Je spreidt je armen en je rent gebukt / een wei af, diep en krachtig ademend.

Daar stijg je dan; het is je weer vergund. / Beneden staan de mensen zielsverrukt / te turen en een kreet van onderdrukt / geluk stijgt op: je bent nog maar een punt.

Je hebt het vliegen iedere afgeraden. / Je merkt zo hoog niet dat het donker wordt. / Je raakt verstrikt in hooggespannen draden / of breekt je pennen op een uithangbord. / En zie, terwijl je suizend dieper stort: / verdwenen zijn ze die je eerst aanbaden.

Ongepubliceerd maar wel in: Ons poëtisch dichtersland, redactie Ernst van Altena en Jan Veldhuizen, V&D, 1988

Tymen Trolsky (1948, Oerle)

Abdellatif Laâbi: de Arabische dichter

Abdellatif_Laâbi; en.wikipedia.orgbron foto: en.wikipedia.org

De Arabische dichter

De Arabische dichter / zet zich voor zijn schone schrijfblad / en maakt aanstalten zijn testament op te stellen / maar ontdekt dan dat hij / het gebruik van schrijven is verleerd / Hij is zijn eigen gedichten vergeten / en de gedichten van zijn voorouders / Hij wil schreeuwen van woede / maar beseft dan dat hij / het gebruik van woorden is verleerd / Oorlogsmoe maakt hij aanstalten op te staan / maar hij voelt dat hij / het gebruik van zijn ledematen is verleerd / De dood is hem vóór geweest / daar waar hij moest aftreden / voor het leven

Van: laabi.net; vertaling Piet Liedmeier

Abdellatif Laâbi (1942, Fes, Marokko, Frankrijk)

Laâbi werd geboren in Fes, Marokko. In 1972 werd hij opgepakt, gemarteld en tot 10 jaar gevangenisstraf veroordeeld vanwege zijn literaire werk. Hij was in 1979 de eerste gevangen schrijver aan wie het Poetry International Eregeld werd toegekend. In 1985 vestigde hij zich in Parijs.

De Razende Roelands van onze tijd

Harrison, Robert; news stanford.edubron foto: news.stanford.edu

Gedreven doelloos, zo typeert Robert Harrison (1954, Izmir, Turkije), onze tijdgeest. Harrison is professor Literatuur aan de Britse Stanford University. Hij maakt met enige regelmaat interssante podcasts over literatuur en muziek. Interssant omdat ze verrassende verbanden leggen tussen onze tijd en lang geleden.

In bijgaande podcasts gaat het over onze tijd waarin velen van ons op zoek zijn naar weer die volgende kick (beleving, dat vreselijke woord), de volgende illussie, de volgende (on)bevredigende inlossing van een behoefte. We zijn inmiddels grotendeels losgezongen van het collectief, onze religie, ons morele kompas. Wat rest is: vulling. We maken ons druk over veel oppervlakkigs en doen dat in een razend tempo.

Dat was Harrison opgevallen en het deed hem denken aan het werk van de Italiaanse schrijver en dichter Ludovico Aristo (1474-1533). Zijn bekendste werk en een klassieker in de Italiaanse literatuur: Orlando Furioso (Razende Roeland). Wat de parallelen zijn met onze tijd legt Harrison in dit boeiende betoog uit. Daarbij zijn de ridders van belang, de tuinen (de ene sensationeel, de ander saai) en hun betekenis. Het is meer dan interessant te horen wat een werk van vijf eeuwen oud kan zeggen over de tijd waarin we nu leven.

(kopieer en plak deze link) https://podcasts.apple.com/nl/podcast/entitled-opinions-about-life-and-literature/id81415836?i=1000479796030

Bernlef: ziekenzaal

2doc.nl; bernlef. jbron foto: 2doc.nl

Ziekenzaal

Het wordt nacht. Hij was piloot. / Uit een trechter druppelen woorden. / Schietstoel. Parachute. De naam van een vrouw.

De jongen in het bed ernaast richt zich op en luistert / beantwoordt het ijlen: ‘Ze is er, / blijf bij je, laat je niet gaan.’

De jongen denkt aan zijn vriendin. Hoe zij / temidden van snippers en kadopapier / in snikken uitbarstte: ‘Nu ben ik 21.’

Het hijgen. Iedereen wil leven, tegen / de klippen op waar de piloot zich traag / te pletter vliegt onder het laken.

Uit: Tirade nr.399, Amsterdam, 1992

J.Bernlef (1937-2012, Sint Pancras)

Wolkers: ken jij ook dat meisje

Wolkers,Jan, literatuurmuseum.nlbron foto: literatuurmuseum.nl

Ken jij ook dat meisje

ken jij ook dat meisje / opgevouwen in een koffer leeft ze / van gebersten vreugden eet ze het avondbrood / als rode maïskolven handenstrekkend geeft ze

ik weet ook van reizen met haar / reigers en mos weten in oksels te schuilen / anemonen offert ze tussen haar dijen

dragen wij haar om de beurt / en lachen haar dood tussen de tanden / en maken haar egel en varen minded

dat meisje ken je dus ook / kokend en kokerjufferbevend / van gebartsen vreugde eet ze het abendkadmiumrot / als rode maïskolven handenstrekkend geeft ze

Uit: Verzamelde gedichten, Bezige bij Amsterdam, 2008; samenstelling Onno Blom

Jan Wolkers (1925-2007, Oegstgeest)

Ter Balkt: het riet

ter balkt, hh, nrc.nlbron foto: nrc.nl

Het riet

Weerspiegeling, verzinking, weerspiegeling / beveelt het riet, dat verdrinking behoeft; / rinkeling bevalt het riet, outcast in water; / zachte rinkeling als het dichtschuift / de rinkeling als het wuift en zich opricht; / knarsen van grendels wanneer het water sluit; / weerspiegeling, uitwisseling, verzinking, / het riet is maar schildering en wandkleed / van wat ’t langsstromend oog weeft en schildert: / weerspiegeling, uitwisseling, weerspiegeling; / wandelaar zit de eeuw uit als riet aan water, / het weer in hem geslagen ziet hij de schepen, / zijn transistor siddert van verlating, / weerspiegeling, verzinking, weerspiegeling.

Uit: Waar de burchten stonden en de snoek zwom, Harmonie Amsterdam, 1979

H.H. ter Balkt (1938 – 2015, Usselo)

Szymborska: lof der dromen

Wislawa-Szymborska, vpro.nlbron foto: vpro.nl

Lof der dromen

In mijn dromen / schilder ik als Vermeer van Delft.

Spreek ik vloeiend Grieks en niet alleen met de levenden.

Bestuur ik een auto / die me gehoorzaamt.

Ben ik heel begaafd / schrijf grootse poëmen.

Hoor ik stemmen, / niet slechter dan respectabele heiligen.

Mijn voortreffelijke pianospel / zou u sterk verbazen.

Ik vlieg zoals het hoort, / dat wil zeggen: zelf.

Als ik van het dak val, / weet ik zacht in het groen te landen.

Het valt me niet moeilijk / onder water te ademen.

Ik mag niet klagen: / het is me gelukt Atlantis te ontdekken.

Het verheugt me dat ik voor mijn dood / altijd wakker weet te worden.

Direct na het uitbreken van een oorlog / draai ik me op mijn goede zij.

Ik ben een kind van mijn tijd, / maar hoef dat niet te zijn.

Enige jaren geleden / zag ik twee zonnen.

En eergisteren een pinguïn. / Haarscherp.

Uit: Elk geval, Meulenhoff Amsterdam, 1972; vertaling Gerard Rasch

Wislawa Szymborska (1923-2012, Kornik, Polen)

Astrid Roemer: als storm

roemer, astrid, trouw.nlbron foto: trouw.nl

Als storm

als storm / wind is zij die vuur / aanwakkert in mijn hoofd

vlammen slaan uit mijn ogen / bloed zwelt voorbij mijn oevers / wachtwoorden zwichten voor mijn tong

schoongelikt heeft ze de straten / als mijn lakens zijn ze droog en in bruik / ik hoor bomen uit hun kleed glijden, luid / ruchtig en hoe het riet de stroom verzoekt / golven hebben het zand genomen / zelfs de dijken hebben ze bespuugd

maar de zon verzet zich nog / met de tijd

zodra de wolken weeën / kom jij / rochelend met het onweer tegen mijn raam en / geen mens weet van de vloed die wordt / geweerd:

stomwind is zij die vuur aanwakkert in mijn hoofd

Uit: Noordzeeblues, De Geus Breda, 1985

Astrid Roemer (1947, Paramaribo, Suriname)

De Ierse kwestie, ook bij Michael O’Loughlin

OLoughlin1, michael; liwre.fibron foto: liwre.fi

Kun je maatschappelijke beroering onbesproken laten als schrijver? Dat kan, maar dat zoiets moeilijk gaat, blijkt uit het verhaal De taal der stenen van de Ierse schrijver Michael O’Loughlin. De verhalenbundel De weeën van de mannen van Ulster gaat vooral over de banneling, de vreemde. Iemand die besluit zijn eigen huis en haard te verlaten om zich elders te vestigen. Dat komt overeen met de eigen ervaringen van O’Loughlin. Hij verliet Ierland om zich tijdelijk te vestigen in Spanje en Nederland. Inmiddels is hij weer teruggekeerd naar Ierland.

Michael O’Loughlin laat de Ierse kwestie lang onbesproken en dan verschijnt het in De taal der stenen.

Wall was nieuwsgierig, maar was niet van plan iets te vragen. Hij wist waar Goldfarb mee bezig was en ofschoon hij het niet goedkeurde liet hij Goldfarb vaak bij hem slapen als die werd verrast door de avondklok. Hij wist dat Goldfarb soms gewapend was, en dat er problemen zouden zijn als de Engelsen hem hier te pakken kregen. Soms dook hij onverwacht op, meestal buiten zichzelf, vreemd, onherkenbaar, als een lievelingshond die je na een gevecht binnenlaat, stinkend, bloedend, hijgend. Je kijkt in zijn ogen maar hij schijnt je niet te kennen, en je kent je troetelbeest niet meer terug. Maar geleidelijk aan zou hij weer normaal worden.

Wall bracht zijn dagen door in de rokerige vergaderzalen en bestuurskamers van de Dublinse arbeidersklasse. De vakbeweging en de Ierse taal waren zijn twee grote passies. Hij was het niet eens met Collins of de rest van die bende. Organiseren en scholen, dat was de weg voorwaarts voor de arbeiders. Die ruige boeren met hun bommen en revolvers begreep hij niet. Het baarde hem zorgen te zien dat zijn jonge vriend er steeds meer bij betrokken raakte. Maar zij discussieerden er niet meer over. Goldfarb ging rechtop zitten en dronk zijn thee, hij voelde zich al wat beter.

‘Nog steeds in die ouwe boeken, zie ik.’

‘Oh ja. De zoete en koninklijke taal. Je zou het ook moeten leren, weet je.’

‘Wat is daar het belang van, we kunnen toch allemaal Engels spreken.’

‘De taal van de binnendringer. We spraken allemaal Iers tot de Saxen kwamen en we zullen dat weer doen, zo God het wil, als ze weggaan.’

Uit: de taal der stenen; uit: De weeën van de mannen van Ulster, Thoth Bussum, 1994; vertaling Wim Platvoet

Michael O’Loughlin (1958, Dublin, Ierland)

Bijna iedere dag muziek: Neil Young

Een man van tegenstellingen; experimenterend, eigengereid, eigenzinnig; invloedrijk en altijd herkenbaar aan zijn eigen stem en geluid. Ik heb het over de iconische Neil Young. Met zijn muziek maakte ik kennis in mijn puberjaren. Dat was de rustige Neil Young (1945, Toronto, Canada), die van de liedjes die het goed deden bij het kampvuur. Maar er was ook de lawaaierige, de man die met Crazy Horse heftige gitaarrock maakte en niet vies was van een lange gitaarsolo. De tegenstelling hard-zacht, is en blijft horen bij Young. Hoogtepunt wat dat betreft: het dubbelalbum Rust never sleeps met een volledige akoestische en een rock-kant. Typerend: het album begint met het akoestische nummer My, My, Hey, Hey (Out of the blue) en eindigt met het gruizige Hey, Hey, My, My (Into the black). Neil ten voeten uit.

Young verhuisde van geboorteland Canada naar de VS waar de Hippie-revolte plaatsvond. Daar speelde hij in Buffalo Springfield, een band die country en rock probeerde samen te brengen. Vervolgens bracht zijn samenwerking met Crosby, Stills en Nash hem wereldwijde naamsbekendheid. Dan volgt de solo-carrière die tot op de dag van vandaag voortduurt. Uit die begindagen stamt zijn maatschappelijke betrokkenheid. Die uit zich in songs als Ohio, Southern Man, Rockin in the free world en onlangs nog in Shut it down. Young is ook iemand die de nieuwste techniek volgt en waar mogelijk toepast. Zo had hij zijn eigen digitale muziekspeler Pono en experimenteerde hij een album lang (Trans) met de nieuwe mogelijkheden van digitale instrumentatie.

Neil Young vertegenwoordigt een typisch eigen geluid in de pop. Hij wordt tot godfather van de Grunge betiteld al was het maar omdat Kurt Cobain (Nirvana) hem in een song eerde.