Vroomkoning: overleg

Overleg

Mijn zoon spant bogen / samen met mijn vader. / Zij lijken sprekend / op grote mensen die gemeen- / zaam aan het werk terloops / wijsheden verkondigen.

Terwijl mecano-onderdelen / tot een brug worden gesmeed / legt vader uit dat sommigen / na honderd jaar de over- / kant bereiken.

Zijn wij sommig? / leidt het kind hem af. / Vader geeft geen antwoord / maar een schroef terug / die niet past.

De brug vlot naar zijn einde / als de onvermijdelijke god / weer bovenwater komt. / Of die dan sommig is? / Sommiger dan wij, / probeert vader.

Uit: Ommezien, gedichten 2008-1983, Arbeiderspers Amsterdam, 2008

hetty ermers, vroomkoning, victor, poezieweek.com

foto: Hetty Ermers; bron: poezieweek.com

Victor Vroomkoning (1938, Boxtel)

Margaret Atwood kondigt een verdwijning aan

De situatie: twee meiden Lucy en Lois, beiden enigst kind thuis, ontmoeten elkaar tijdens zomerkamp. Vriendschap ontstaat. Beiden houden de gang naar het zomerkamp lang vol. Tot in hun late puberteit. Niet alleen veranderen beide meiden, ook de wereld om hen heen. Dat is wat we meekrijgen van de Canadese schrijfster Margaret  Atwood (1939, Ottawa) voordat het korte verhaal zich naar zijn plot ontwikkelt.

Dit jaar is Lucy weer anders: lijziger, lustelozer. Ze heeft geen zin meer om in het donker rond te sluipen, sigaretten te pikken van de leidster, zwarte handel te drijven in snoep. Ze is zwaarmoedig en ’s morgens moeilijk wakker te krijgen. Ze mag haar stiefvader niet, maar ze wil ook niet naar haar echte vader, die een nieuwe vrouw heeft. Ze denkt dat haar moeder een verhouding heeft met een arts; ze weet het niet zeker maar ze heeft hen in zijn auto zien vrijen op de oprijlaan, toen haar stiefvader er niet was. Net goed voor hem. Ze heeft een hekel aan haar particuliere school. Ze heeft een vriendje, hij is zestien en werkt als tuinmanshulp. Zo heeft ze hem leren kennen: in de tuin. Ze beschrijft aan Lois hoe het is als hij haar zoent – eerst wat rubberachtig, maar dan worden je knieën week. Ze mag niet met hem omgaan en er wordt met kostschool gedreigd. Ze wil van huis weglopen.

Lois heeft daar weinig tegenover te stellen. Haar eigen leven is onbewogen en plezierig, maar over geluk valt weinig te vertellen. ‘Geluksvogel,’ zegt Lucy, een beetje zelfvoldaan. Ze had net zo goed kunnen zeggen saaie piet, want zo voelt Lois het.

Uit: Wenken voor de wildernis (verhalen), Bert Bakker Amsterdam, 1992; vertaling Barbara de Lange

atwood, margaret, thegentlewoman.co.ukbron foto: thegentlewoman.co.uk

Margaret Atwood (1939, Ottawa, Canada)

Kopland: Eden

Eden

Vanaf de dijk met een glas bier / kijkend in de tuinen van het gehucht / wist ik weer dat het ongeveer als hier / was, als toen de zon hoog in een even / nevelige lucht stond en ook in deze / populieren was geen wind en rood / glanzend en afgerond vielen appels / met zachte ploffen uit de bomen / in het gras tussen de doodstille grove / hemden de enige tekenen van leven.

Uit: Onder het vee, Van Oorschot Amsterdam, 1966

kopland-rutger-door-trudy-kramer, literatuurmuseum.nlllustratie door Trudy Kramer; bron literatuurmuseum.nl

Rutger Kopland (1934-2012, Goor)

Elly de Waard: muze aan de telefoon

Mijn kabels liggen naar je uitgestrekt, / Het net is open, / Cijfers regenen over het landschap, / Lijnen, vaten van communicatie, / Beginnen in patroon te lopen, / Het bloed gaat in galop, het raast en klopt, / En vraagt bellend belet – ben je al op?

O dat het bij je binnen dringt, je lippen / Wijken en ik voel / Hoe je mij toestaat ze met mijn lippen / Te bestrijken. Kussen spatten uit de hoorn. / De muze aan de telefoon! / O help mij dit labyrint / De draad te volgen die ons bindt.

Uit: Furie, De Harmonie Amsterdam, 1981

de waard, elly, deharmonie.nl

bron foto: deharmonie.nl

Elly de Waard (1940, Bergen)

Jeugd Helga Ruebsamen: ‘hier loert het Boze Oog’

8D4079FB-EF13-4650-90DB-C610E1CB26AB_1_201_a

Hier loert het Boze Oog, dit is wat het wil: plaatjes van wolkenloos geluk, een ongegeneerd vertoon van tevredenheid. Nu zal het genadeloos straffend ingrijpen. We schrijven 1939, in Bandoeng, Lembangweg kilometer acht, aan de voet van de Tangkoeban Prahoe. Dat weet ik allemaal nog precies, toen wist ik van niks. De lust om een smartlap te schrijven welt in mij op als ik mijzelf daar als zielsvergenoegde vijfjarige zie, hoe ik daar sta te glimmen in mijn Shirley Temple-jurk. En wat had de toekomst wel niet in petto voor dat arme kind. Het stond aan de vooravond van een wereldbrand. Met de volgende stap die het zette donderde het in een ravijn. Het heeft die stap vol vertrouwen gezet. De foto is geschoten op de valreep van het Paradijs.

Een paar dagen later scheepten wij ons in op ms. Garoeda en voeren naar Nederland, waar het na een eindeloze, kille winter opeens op een stralende meidag in 1940 oorlog zou zijn.

Meteen na aankomst in het grijze Holland wist ik dat ik een tegenwereld zou moeten verzinnen om mijzelf gaande te houden. Ik oefende eerst in mijn hoofd, maar zo gauw ik wat handiger werd legde ik mijn verzinsels vast op papier, in tekeningen en woorden; een soort strips waren het. Sprookjesachtig in het begin, maar het duurde niet lang of er werden alleen nog maar gruwelen door mij geschetst en verteld. De realiteit om mij heen was ook gruwelijk, misschien wilde ik het Noodlot (of het Boze Oog) toen laten zien dat ik er zelf ook wat van kon.

Uit: De gevoelige plaat – Lisa Kuitert en Mirjam Rotenstreich, Nijgh & Van Ditmar Amsterdam, 1995

Helga Ruebsamen (1934-2016, Djakarta, Indonesië)

Victor Vroomkoning: erfgoed

Erfgoed

Hoe ik mijn zoon besmet / met angsten die mijn vader / in mij deed breken.

Kijk uit! smeek ik / terwijl ik plaats- / vervangend huiver / voor de Duitse herder / die zijn hand likt.

Hoe hij ze verder / uit zal zaaien, / zelfde verlammingen, / onverhoedse stollingen / van eender bloed.

Hoe toekomst onherroepelijk / verleden aanmaakt, hoe steeds / meer vroeger in ons woekert.

Uit: Klein museum, Agathon Houten, 1987

vroomkoning, gelderlander.nlbron foto: gelderlander.nl

Victor Vroomkoning (1938, Boxtel)

Bijna iedere dag muziek: Lou Reed

Ik heb een haat-liefde-verhouding met Lou Reed (1942-2013, New York city, USA). De man heeft prachtige nummers geschreven, die nog altijd veel indruk maken (denk aan: Perfect Day en Sad Song), maar ook ongelofelijke rotzooi. Wat voor Reed spreekt, is dat hij het experiment niet uit de weg ging. Hij bewandelde een muzikaal pad met hoogte- en dieptepunten maar was invloedrijk.

Reed is tijdgenoot van David Bowie en die twee hebben elkaar bezig gehouden. Mijn kennismaking was het album Transformer. Een plaat die in veel huiskamers te vinden is, in ieder geval van mijn generatie. Via Transformer kwam ik terecht bij opvolger Berlin. Een duister en donker album met prachtige songs, over verloren gegane liefdes en drugsgebruik (‘it’s so cold in Alaska’). Berlin maakte veel indruk op mij omdat het zo beduidend anders was en meer zeggingskracht had dan Transformer.

Automatisch volgde de gang naar The Velvet Underground, de vorige muzikale bezigheid van Reed. De samenwerking met onder andere zangeres Nico en kompaan John Cale leverde in de jaren 60 eenvoudige pop op die toch van enorme invloed bleek. Iedere band die wilde beginnen zag aan VU dat alles mogelijk was. Drang, de wil om zich muzikaal te uiten in een eigen geluid waren belangrijker dan instrumentbeheersing, zoiets.

Reed zelf heeft veel en vaak nummers uit de VU-tijd opnieuw opgenomen en van andere arrangementen voorzien, waarmee hij bevestigde dat die nummers niet feilloos, tijdloos en van eeuwigheidswaarde waren. Eigenzinnig en tijdloos was Lou Reed vandaar deze huldeblijk.

Rogi Wieg: altijd al

Altijd al

Geboren worden, is een uitgang vinden, / in een bioscoop na een lange rolprent / van zoveel maanden, moeder en kind binden / het leven aan met elkaar, hij staat ontwend

in de gang, wacht, hij noemt zichzelf ‘de vader’, / en komt stapsgewijs zijn vrouw en baby nader. / Zo is het altijd al gegaan, dit is het / beste zo: een dubbelstandbeeld ligt in bed,

rust, slaapt, komt in beweging, omarmt de man, / zij groeien uit tot drie: de ingang vinden / tot wat men bestaan noemt, drie blijven en dan

vier worden, of vijf. Achter de ramen staan / bomen in april, bloesemdragend, een film / knispert in de wind, beelden staan op en gaan.

Uit: het boek van de beminnelijkheid, Arbeiderspers Amsterdam, 2000

Rogi_Wieg_,_wikipedia.orgbron foto: wikipedia.org

Rogi Wieg (1962-2015, Delft)

Bijna iedere dag muziek: Leo Kottke

Aanleiding: een overzicht van wat genoemd wordt: American Primitive Guitar. Een term die van toepassing is op het werk van gitarist John Fahey (1939-2001, Takoma Park, USA). Fahey zong zich los van het traditionele gitaarspel door vooral te fingerpicken en zijn gitaar op andere wijzen te stemmen dan gebruikelijk. Dat leverde nieuwe gitaarmuziek op. Fahey was geworteld in de blues, maar liet zich beïnvloeden door folk, Indiase raga’s, klassiek en avant-garde. En dat allemaal in de jaren 50, vorige eeuw. Fahey’s opvallende gitaarspel kreeg veel volgers.

Mijn held werd Leo Kottke (1945, Athens, USA), die de 6- en 12-snarige gitaar hanteerde alsof de duivel zelf aan het werk was. Wie Kottke hoort spelen denkt aan meerdere personen of overdubs, maar nee, alles uit een persoon! En met een snelheid die buitenaards klinkt. Zijn eerste elpee werd opgenomen in 3 en een half uur tijd en liet composities horen, die mijn oren niet wilden geloven. Wie Kottke live aan het werk gezien heeft, weet dat de man niet alleen prachtig speelt maar tevens enorm humoristisch is. En oh ja, hij zingt ook wel eens. Dat stemgeluid noemt hij zelf: ‘een gans die scheten laat op een benauwde dag.’ Kottke doet zichzelf tekort; het klinkt apart maar niet slecht. Oordeel zelf:

Van Lier: miniem gebaar

Miniem gebaar

Groots, zeg ik tegen mijzelf. De mens / leeft zich uit in zomerfrivoliteiten, ongetwijfeld, / het is zomer. / Zwijgend kijk ik toe, met / af en toe een miniem gebaar. Ter verduidelijking: / Ik ben een serieus mens, / nooit bak ik het ei met geschonden dooier.

Uit: Miniem gebaar, Meulenhoff Amsterdam, 1995

Peter-van-Lier, ooteoote.nlbron foto: ooteoote.nl

Peter van Lier (1960, Eindhoven)