Eybers: papier is geduldig

Papier is geduldig

Vir elke knelling van nou en hier / vind jy ’n noodluik van papier.

Geen bokkesprong of papier is bereid / tot lankmoedige medepligtigheid.

Wat nouliks bestaan word toevertrou / aan papier wat dit omhels en behou.

Die onverkenbare chaos vertoon / op papier ’n hartvormige patroon.

Uit: Noodluik, Querido Amsterdam, 1989

literatuurmuseum.nl, eybers elisabethbron illustratie: literatuurmuseum.nl

Elisabeth Eybers (1915-2007, Klerksdorp, Transvaal)

Waarom geschiedenis? Twee antwoorden

Er is niet één antwoord op de vraag wat geschiedenis is. Ook niet op de vraag wat het nut ervan is. Eén conclusie is wel gerechtvaardigd. Het lineaire, menselijke, aardse bestaan is tijdelijk, eenmalig, vergankelijk, eindig. Daarom kijken we erop terug en staan erbij stil. Om er recht aan te doen. Om het te veroordelen. Om het te begrijpen. Om er wijzer van te worden. Om ons ermee te verzoenen. Om de inspiratie die het biedt. Om het vertrouwen dat het geeft. En om het vorm te geven.

Uit: Geschiedenis – Chiel van den Akker, Atheneum, Polak & Van Gennep Amsterdam, 2019.

In mijn leven heb ik nooit iemand meegemaakt met zo’n vreemde instelling, zo’n idioot leven, zulke wonderlijke opvattingen als hij, mijn studievriend. We hadden elkaar voor het eerst tijdens een college middeleeuwse geschiedenis ontmoet. Terwijl ik ijverig aantekeningen zat te maken over de Investituurstrijd, trok hij lijnen in zijn schrift, twee lijnen op enkele centimeters van elkaar. Die lijnen liepen overdwars en gingen van pagina naar pagina. Af en toe schreef hij er iets bij, meestal liet hij de ruimte onder en boven de lijnen leeg. “Wat deed je toch,’ vroeg ik na het college. ‘Dat had met het onderwerp weinig te maken of…’ Voor het eerst zag ik dat ironisch-bittere lachje dat me later vertrouwd zou worden.

‘Ik teken de weg naar de horizon,’ zei hij. ‘Dat doe ik altijd.’

‘De weg naar de horizon? Maar die komt toch nergens?’

‘Juist daarom,’ antwoordde hij. ‘Als die weg een eindpunt had, zou ik hem niet tekenen.’

‘Maar waarom loop je college? Zonder aantekeningen heb je er weinig aan. Of onthoud je alles?’

‘Ik onthoud niets. Ik lees het later wel in een dictaat. Of niet. Het kan me niet schelen.’

‘Jij bent ook een rare. Waarom studeer je dan geschiedenis?’

Opnieuw dat lachje. ‘Zomaar. En omdat je in de gepasseerde tijd misschien de horizon kunt vinden die je in de open ruimte altijd stappen verder ligt dan waar je bent.’

Uit: De man die legende werd – Chris van der Heijden, uit de bundel resiverhalen Daghani, Daghani, Contact Amsterdam, 1989.

chiel van den akker, research.vu.nlbron foto: research.vu.nl

Chiel van den Akker

chrisvanderheijden-suzanneliem_4en5mei.nlbron foto: 4en5mei.nl

Chris van der Heijden (Leiden, 1954)

De (onregelmatige) dosis Nabokov

Vladimir Nabokov (1899-1977, Sint Petersburg, Rusland) is Russisch-Amerikaans dwz geboren in het Russische Sint Petersburg en daar vandaan naar het buitenland gevlucht om aan de chaos en dreigingen te ontkomen van de Revolutie (1917).

Nabokov kwam uit een welgestelde familie. Vader was naast jurist en journalist, ook nog eens minister in het kabinet dat regeerde voordat de revolutionairen onder leiding van Lenin aan de macht kwamen. In 1922 werd Nabokov’s vader vermoord in Berlijn.

Nabokov emigreerde eerst naar Groot-Brittannië, maar verkaste aan het begin van de Tweede Wereldoorlog naar de VS, waar hij in 1945 Amerikaans staatsburger en docent literatuur aan verschillende universiteiten werd. Na 1961 woonde, leefde en werkte hij in Europa (Zwitserland). Daar stierf hij ook.

Nabokov heeft Rusland nooit uit het oog verloren. In Een brief, nooit in Rusland aangekomen, vertelt hij over de tijd dat hij in Rusland vertoefde, zijn ervaringen en zijn gevoelens bij het (vader)land. Uiteraard in geheel eigen stijl.

Ja, ik weet dat ik in mijn vorige brief had gezworen het verleden niet te noemen, en zeker niet de futiele details van ons gedeeld verleden; want wij, schrijvers in ballingschap, worden geacht een taal van verheven kiesheid te spreken, en zie hoe ik mijn allereerste regels dat recht al vergooi omwille van verwaten onvolmaaktheid en met mijn oorverdovende omschrijvingen de herinnering overschreeuw die jij zo vluchtig en gracieus aanroerde. Maar niet over het verleden wil spreken, lieveling.

(..)

Luister: ik ben volmaakte gelukkig. Mijn geluk heeft iets uitdagends. Dwalend door straten, over pleinen en de paadjes langs het kanaal, verstrooid voelend hoe de lippen der klamheid door mijn sleetse zolen dringen, draag ik trots mijn onuitsprekelijk geluk mee. De eeuwen zullen voorttollen, schooljongens zullen knikkebollen over de geschiedenis van onze revoluties; alles zal voorbijgaan, maar mijn geluk, lieveling, mijn geluk zal blijven, in de vochtige weerspiegeling van een lantaarn, in de behoedzame bocht van de stenen treden die afdalen naar het zwarte water van het kanaal, in de glimlach van een danspaar, in alles waarmee God de menselijke eenzaamheid zo rijkelijk omringt.

Uit: Verhalen 1, Bezige Bij Amsterdam, 1996; vertaling Yolanda Bloemen, Anneke Brassinga, Peter Verstegen en Marja Wiebes

nabokov,bron foto: wbur.org

Vladimir Nabokov (1899-1977, Sint Petersburg, Rusland)

Lieske: wat trekt mij in jou aan?

Wat trekt mij in jou aan?

Wat trekt mij in jou aan? Ik luister aan je deur. / Ik draai je kleren in mijn hand als jij met jonge / sprongen dit huis weer hebt verlaten. De huid / om je heupen, je geur, je rollend plaatsen.

Alles is in bruikleen aan jou afgestaan. De ruimte / die jij met krijt van ziel hebt volgestreept / opdat je lijf kan schuilen, die jij tot roofdierkooi / hebt verbouwd; een vertrouwd pad is uitgesleten / in het kleed tussen wasbak en wand.

De buizen die ik aanleg om jouw adem / op te vangen en jaren te bewaren; de stalen draden / die ik span om jou zacht te laten vallen. De muren / die ik leegschep om jou te kunnen zien. De bakken / die ik plaats om jou weer in je kooi te lokken. / Je rokken die om je in brand gestoken benen staan.

Kijk, hier zit ik stil voor je kamer; op de hoogte / van het risico. Met een verbeterd oog, een langer / en gevoeliger membraam; / met gespannen vliezen en holgezogen / nappen; met een geverderd oor.

Uit: Een tijger onderweg, Querido Amsterdam, 1989

lieske getekend door Petere van DongenLieske getekend door Peter van Dongen; bron illustratie: nrc.nl

Thomas Lieske (1943, Den Haag)

Saul Bellow: vrijheid, oorlog en het lot

‘We zijn bang om onszelf te beheersen. Natuurlijk. Het is zo moeilijk. We willen onze vrijheid gauw opgeven. Het is niet eens echte vrijheid, want zij gaat gepaard met begrip. Het is slechts een toestand die aan vrijheid voorafgaat. Maar wij hebben er een hekel aan. En weldra raken we uitgeput, we kiezen een meester, rollen ons op onze rug en vragen om de zweep.’

‘Ah,’ zei Tu As Raison Aussi.

‘Dat gebeurt er. Het is niet de liefde die ons levensmoe maakt. Het is ons onvermogen om vrij te zijn.’

‘Ben je bang dat het jou zal kunnen overkomen?’

‘Dat ben ik.’

‘Hoe zou je de oorlog in het gunstigste geval willen zien?’

‘Ik zou hem als een incident willen zien.’

‘Alleen maar een incident?’

‘Een heel belangrijk incident, misschen het belangrijkste dat zich ooit heeft voorgedaan. Maar toch, een incident. Wordt de ware aard van de wereld erdoor veranderd? Nee. Zal het uitsluitsel geven over de belangrijkste vraagstukken van het bestaan? Nee. Zal het ons geestelijk bevrijden? Nogmaals nee. Zal het ons bevrijden in de meest elementaire zin, dat wil zeggen alleen maar mogen ademen en eten? Ik hoop het, maar ik ben er niet zeker van dat het zo zal zijn. Hij is niet op een wezenlijke manier cruciaal – als je mijn betekenis van wezenlijk aanvaardt. Veronderstel dat ik een totale levensvisie had. Ik zou dan niet wezenlijk worden aangetast. De oorlog kan me lichamenlijk vernietigen. Dat kan. Maar dat kunnen bacteriën ook. Ik moet er natuurlijk rekening mee houden. Maar zolang ik leef moet ik desondanks mijn lot volgen.’

Uit: Wachttijd – Saul Bellow, Hema Amsterdam, 1990; vertalingMax Schuchart

bellow, walesartsreview.orgbron foto: walesartsreview.org

Saul Bellow (1915-2005, Lachine, Canada)

Andrew Motion: dagen van herdenken, eerste jaar

Dagen van herdenken

Eerste jaar

Wat ik me herinner is niet / je weggaan, maar dat je niet / terugkwam – en geknisper / van sneeuw in zware bomen,

die de sporen bedekte, eronder / in verfromfaaid gras bewaard. / De hele middag keek ik / uit het keukenraam naar

een dooiplek van de kraan op het erf, / sijpelend in zijn ijszak, die / weer hard werd toen de avond / opnieuw alles toesloot met ijs.

En nog altijd sta ik daar, / zie hoe je paard terugkeert, / alleen naar de open stal, / hoe de teugels erachter een spoor

door het akkerland slepen, / een wazig litteken-raadsel / dat wij toen niet ontcijferen konden / en nu niet kunnen genezen.

Uit: Dangerous play, poems 1974-1984, Penguin Books Londen, 1985; vertaling Peter Verstegen

Motion, highprofiles.infobron foto: highprofiles.info

Andrew Motion (1952, Londen UK)

Ed Leeflang: Adriaen Coorte

COORTE, Adriaen, Drie perzikken op een stenen richel met vlinder, 1693-95Adriaen Coorte

De schilder van asperges en frambozen / heeft ook citroen en klapbes uitgekozen / om lof te spreken van de stof. / Hij legt ze neer en beeldt ze af. / Dat biedt wie ziet de starre orde / en koppigheid te leven met het / het duurzame alsof. / Wat eetbaar en verderfelijk is als / mensen, is voor een oponthoud met / moedwil afgezonderd en boven de / amechtige natuur gesteld. Het moest en / zou daaraan voorbij; eer het onduidelijk / restant zou worden op de etensborden / of de belt.

Uit: Bewoond als ik ben, Arbeiderspers Amsterdam, 1981

ed leeflang, nrc.nlbron foto: nrc.nl

Ed Leeflang (1929-2008, Amsterdam)

Het is niet ongebruikelijk om de stilstand te zien als kenmerk bij uitstek van de poëzie. De dingen worden stilgezet, gestuit in hun beweging. Ze worden als het ware bevroren, vastgeprikt in de onwrikbare formulering van het gedicht. Die stilstand is dan een beeld van de overwinning op de tijd en dus op het verhaal. Verhalen over wat er gebeurt met dingen en met mensen lopen onafwendbaar uit op verval, dood en verdwijnen. Het gedicht isoleert uit dat verhaal een moment en verleent er duurzaamheid aan. Zoals de schilder van een stilleven binnen de lijst van zijn schilderij verhindert dat de bloemen verwelken en de vruchten gaan rotten.

Uit: De dichter is een koe. Over poëzie – Hugo Brems, Arbeiderspers Amsterdam, 1991

“God is wreed en gaat streng met ons om”

‘God is wreed, en hoe meer we hem gehoorzamen, hoe strenger hij met ons omgaat. Hij is machtiger dan de machtigen, met de nagel van zijn pink kan hij hen van kant maken, maar hij doet het niet. Alleen de zwakken richt hij graag ten gronde. De zwakte van een mens prikkelt zijn kracht, en gehoorzaamheid wekt zijn toorn op. Hij is een grote, wrede ispravnik (russisch voor officier van justitie). Gehoorzaam je zijn wetten, dan zegt hij dat je ze alleen in je eigen voordeel gehoorzaamt. En overtreed je ook maar één enkel gebod, dan vervolgt hij je met honderd straffen. Wil je hem omkopen, dan rekent hij met je af. En ga je rechtschapen met hem om, dan loert hij op een kans om jou om te kopen. In heel Rusland is er geen boosaardiger ispravnik!’

‘Denk eens, Mendel,’ begon Rottenberg, ‘denk eens aan Job. Hem is hetzelfde overkomen als jou. Hj zat op de naakte aarde, met as op zijn hoofd, en zijn wonden deden zoveel pijn dat hij als een dier over de grond rolde. Ook hij lasterde God. En toch was het alleen een beproeving geweest. Wat weten wij, Mendel, van wat daarboven gebeurt? Misschien is de satan voor God verschenen en heeft hij net als toen gezegd: er moet een rechtvaardige worden verleid. En de Heer zei toen: probeer het eens met Mendel, mijn knecht.’

Uit: Job, roman over een eenvoudige man – Joseph Roth, Atlas Amsterdam, 2007; vertaling Wilfred Oranje

roth, grunberg.combron foto: arnongrunberg.com

Joseph Roth (1894-1939, Brody, Oekraïne)

Narcotische matheid? Saul Bellow vertelt…

Het is een narcotische matheid. Er zijn tijden waarop ik me er niet eens bewust van ben dat er iets mis is met dit bestaan. Maar daartegenover zijn er tijden waarop ik me met verbijstering en ergenis verman, en dan zie ik mezelf als een moreel slachtoffer van de oorlog. Ik ben veranderd. Twee voorvallen in de afgelopen week hebben me laten zien hoezeer. Het eerste kan nauwelijks een voorval worden genoemd. Ik zat in Goethe’s Poëzie en leven te bladeren en kwam bij de volgende zin: ‘Deze walging van het leven heeft zowel fysieke als morele oorzaken…’ Ik werd hierdoor voldoende gestimuleerd om verder te lezen. ‘Alle comfort in het leven berust op een regelmatig optreden van externe verschijnselen. De veranderingen van de dag en nacht, van de jaargetijden, van bloemen en vruchten en alle andere zich herhalende genoegens die tot ons komen zodat we ervan kunnen en behoren te genieten – dit zijn de voornaamste drijfveren van ons aardse leven. Hoe meer we open staan voor die genietingen, des te gelikkiger we zijn; maar als die veranderende verschijnselen zich voordoen en wij er geen belangstelling voor hebben, als we ongevoelig zijn voor dergelijke mooie verlokkingen, dan overvalt ons het ergste kwaad, de zwaarste ziekte – we beschouwen het leven als een weerzinwekkende last. Van een Engelsman wordt gezegd dat hij zich ophing zodat hij zich niet langer iedere dag hoefde aan en uit te kleden.’ Ik lees verder en verder met ongewoon gevoel. Goethe’s kopje op de volgende pagina was ‘Levensmoeheid’. Exact Radix malorum est, moeheid van het leven. Toen kwam de verklaring: ‘Niets brengt deze moeheid meer teweeg dan de herhaling van de hartstocht van de liefde.’ Diep teleurgesteld legde ik het boek neer.

Uit: Wachttijd (Dangling man) – Saul Bellow, Hema Amsterdam, 1990; vertaling Max Schuchart

bellow_saul_loa.orgbron foto: loa.org

Saul Bellow (1915-2005, Lachine, Canada)

W.F. Hermans over de moord op zijn zus

Het was de ochtend na de avond waarop de capitulatie plaatsvond. Ik hoorde een vreemd geluid in huis. Ik werd wakker en merkte toen op dat mijn ouders, die allebei hele droge mensen waren, liepen te snikken. Een verschrikkelijke sensatie voor mij, ik had nog nooit zoiets meegemaakt. Mijn zuster was die vorige avond gevonden met die neef die eerst nog geprobeerd had naar IJmuiden met z’n gezin te ontkomen en dat was niet gelukt… Mijn neef heeft mijn zusje die avond in de auto opgehaald om zogenaamd een beetje met zijn vrouw te praten. Toen zijn ze later door die surveillancewagen gevonden, dood in die auto.

Wat voor man was die neef?

Een vreemde, wilde man (dat m’n zusje met hem een verhouding gehad bleek te hebben, kwam dan ook voor mij als een complete verrassing). Die neef heb ik beschreven in Ik heb altijd gelijk (de politieman). ’t Soort vlotte, enigszins corpulente man, je kent dat type wel: geintjes en zo, altijd grapjes, moppen over vrouwen. Leek een beetje op Mussolini, haha. Helemaal niet ’t soort man van wie ik zou denken dat-ie dol op mijn zuster zou worden…

Die neef was toen 40 of zo en wij 18 en 20. We kenden hem al van ons tweede jaar, hij was ons vertrouwd… Het was ook een ontnuchtering voor mij: dat mijn zusje, de brave Hendrik van de familie, met zulke feiten voor den dag kwam… Ik kon met die neef ook geweldig opschieten. Hij kon aardig scharrelen en zo, hè, hij praatte ook altijd luchthartig over allerhande dingen. Hij maakte een enorme indruk op mij.

Nu ben ik niet meer jaloers op dat soort mensen, ik háát dat soort mensen, ik haat waar ze voor staan, dat zijn nou typisch de mensen die hun omgeving met kletspraat zoet houden. Die mensen zijn gevaarlijk voor mij. In wezen ben ik een verlegen en naïef mens, ik kom makkelijk onder de invloed van dat soort mensen. Ze vormen een bedreiging voor mij. Ik ben argeloos. Iedereen wi macht. De mensen die over vrijheid praten, die denken dat de slavenmeester de macht heeft, maar de slaaf heeft ook macht. En zo is de bedrieger niet alleen machtig, maar de bedrogene ook.

Uit: De Interviewer – Ischa Meijer, Prometheus Amsterdam, 1999.

hermans, zuiderluchtbron foto: zuiderlucht.eu

W.F. Hermans (1921-1995, Amsterdam)