Edna St. Vincent Millay: al wie mijn lippen kusten

Al wie mijn lippen kusten

Al wie mijn lippen kusten, waar, waarom, / Vergat ik; ook de armen, ooit gelegen / Onder mijn hoofd tot ’s morgens. Maar de regen / Is deze nacht vol geesten, die de trom / Van ’t venster roeren, horen of ik kom. / En in mijn hart gaat kalme pijn bewegen / Om jongens, door ’t geheugen doodgezwegen; / Geen keert zich ’s nachts nog roepend naar mij om. / Zo staat een boom er ’s winters eenzaam bij. / Niet wetend welke vogels zijn gevlogen, / Weet hij zijn takken stiller dan tevoren. / Mijn liefdes staan me niet meer zo voor ogen; / Ik weet slechts dat de zomer zong in mij, / Heel even, maar hij laat zich niet meer horen.

ednamillay2cbarehouse.com_

bron foto: barenose.com

Edna St. Vincent Millay (1892 – 1950, USA)

Uit: Collected Poems, New York; vertaling Jan Kal

James Joyce laat de doden dwalen in Dublin

Uit: De doden

Maar de temperatuur in de kamer verkilde zijn schouders. Hij strekte zich behoedzaam uit onder de dekens en ging naast z’n vrouw liggen. Eén voor een zouden ze allemaal schimmen worden. Maar, beter moedig naar die andere wereld over te gaan, in de volle glorie van een liefde, dan weg te kwijnen en treurig met de jaren te vergaan. Hij dacht eraan hoe zij, die hier naast hem lag, zoveel jaren dat beeld van de ogen van haar liefste, toen hij vertelde dat hij niet meer verder wilde leven, in haar hart had bewaard.

Milde tranen vulden Gabriels ogen. Hij had zich nog nooit zo vreemd gevoeld tegenover een vrouw, maar hij wist dat dit gevoel niet anders dan liefde kon zijn. De tranen drongen steeds dichter in zijn ogen en in de halve duisternis verbeeldde hij zich de gestalte van een jongeman te zien, die stond onder een drupende boom. Andere gestalten waren in de nabijheid. Zijn ziel was het gebied genaderd, waar de uitgestrekte scharen van de doden dwalen. Hij was zich bewust van hun grillig en flakkerend bestaan. Zijn eigen identiteit loste op in een grijze, ongrijpbare wereld – de wereld der dingen zelf, waarin deze doden eens geleefd en gewerkt hadden, loste op en verdween in het niets.

james-joyce-grandson, thedailybeast.comJoyce met zijn kleinzoon. Bron foto: thedailybeast.com

James Joyce (1882 – 1941, Iers)

Uit: Dubliners, Van Gennep Amsterdam, 1971; vertaling Rein Bloem

‘Marlon Cruz, niet naar buiten gaan!’

Kratochvil-paradijsvogels

foto: Antonin Kratochvil

Ik had wel dood kunnen gaan, die nacht dat ik de weg kwijtraakte, niet alleen omdat de dood me zelf op mijn schouder tikte, maar ook omdat ik er verschrikkelijk naar verlangde. Ik dacht nu met begrip terug aan al die keren dat Reina had gezegd: laten we er een eind aan maken, waar uiteindelijk niemand meer van opkeek omdat ze het al zo vaak had gezegd.

‘Laten we er een eind aan maken,’ zei ze woedend bij elke tegenslag.

Ik was niet alleen bang voor Reina’s leven maar voor dat van iedereen, ook voor het mijne, waar ik vreemd genoeg zuinig op was, misschien vanwege die zwartgallige liefde die ik altijd voor het leven heb gevoeld. Een liefde die duurde tot de nacht dat ik de wanhopigste mens op aarde was, toen ik voor het eerst dacht: liever dood dan levend zonder Reina. Maar juist die herinnering aan haar rare ideeën bracht me tot de conclusie dat ik best nog een paar stappen kon zetten.

Toen ik begon te rennen wist ik dat ik haar kwijtraakte, dat ik zelf in een razend tempo de weg kwijtraakte. Terwijl ik vluchtte voor de politieagenten dacht ik aan haar, aan haar woedende mond nadat ze had geschreeuwd: Marlon, niet naar buiten gaan!

Maar mijn kwaadheid telde net zo goed, en ik liep naar buiten zonder te vermoeden dat ik die nacht zou verdwalen in het grootste, ingewikkeldste labyrint op aarde, waar ik het moest doen met die laatste herinnering aan Reina’s woeste gezicht, dat naar me roept zoals mijn moeder me waarschuwde toen ik klein was: Marlon Cruz, niet naar buiten gaan!

Jorge Franco (1962, Colombiaan)

Uit: Paradijsvogels – Jorge Franco, Meulenhoff Amsterdam, 2001

Wat een indrukwekkend boek is dit! Een liefdesgeschiedenis, een road-movie (ja, want de beelden zijn cinematografisch van aard), een actueel verhaal over het lot van migranten, de beschrijving van een zoektocht naar geluk in een wereld die dat geluk niet kent of ontkent. Een verhaal over ongelijkwaardige liefde. Marlon houdt echt van Reina, terwijl je van Reina sterk de indruk overhoudt dat ze Marlon gebruikt als middel naar haar geluk. Je zou haar een golddigger kunnen noemen ware het niet dat Marlon straatarm is. Reina probeert via Marlon aan de armoede te ontkomen en New York is haar doel.

Elk moment heb je het idee dat het kwartje de goede kant op gaat vallen. De ontknoping is een verrassing. Wie voor een kwartje geboren is, zich daaraan ontworstelt, gaat teleurstellingen tegemoet. Maar die tocht naar geluk is een spannende en het verhaal daarover is overtuigend. Gaan lezen dus! (Waarom is van dit boek nog geen film; het schreeuwt om verfilming!)

Jongkind schilderde langs de Seine in Parijs en omgeving

Johan_Barthold_Jongkind,_parijs 5

Die Seine mit Notre-Dame, gesehen vom Quai des Grands Augustins mit der Brücke Saint-Michel

De Nederlandse kunstschilder Johan Barthold Jongkind (1819-1891) werd geboren te Latrop in Overijssel. De kunstenaar stierf in La Côte-Saint-André (Isère).

Johan_Barthold_Jongkind,_parijs 8In de periode 1845-1855 bracht de kunstenaar afwisselend door in Frankrijk en Nederland. Jongkind verkocht weinig kunstwerken, waardoor hij een armoedig bestaan leidde.
Gaandeweg raakte zijn werk steeds bekender bij andere kunstenaars en mensen uit de kunstwereld.

Johan_Barthold_Jongkind,_parijs 6Aan de Franse kust ontstonden veel landschappen, waarin zijn Nederlandse afkomst toch duidelijk zichtbaar blijft. Tijdens zijn reizen maakte hij veel vrienden onder collega kunstenaars. In Honfleur ontmoette Jongkind bijvoorbeeld Claude Monet.
Op het persoonlijke vlak ging het Jongkind beter toen hij Madame Fesser ontmoette. Zij werd zijn toegewijde levensgezellin en hielp hem van zijn drankzucht en achtervolgingswaan af.

Johan_Barthold_Jongkind,_parijs 4In 2012 bemachtigde de Fondation Custodia in Parijs een schilderij van de Nederlandse kunstenaar Johan Barthold Jongkind: een ‘Gezicht op de Seine met het Louvre en de Tuilerieën’. Jongkind zat ter hoogte van het station d’Orsay. De stoom en damp is inmiddels verdwenen uit Gare d’Orsay. De Fransen transformeerde het station in een prachtig museum: Musée d’Orsay. De kunstenaar plaatste zijn schildersezel op een een paar honderd meter van de plaats waar nu de Fondation Custodia is gevestigd. Johan Barthold Jongkind zou later twee keer op de schets teruggrijpen voor een groter, meer voltooid schilderij.

Johan_Barthold_Jongkind,_parijs 1

bron: cultuurarchief.nl

Jakob Haringer: an die Tyrannen

An die Tyrannen

Mehr Narren! Narren! – ach! es gibt ja keine, / Drum ist die Welt so arm an Weisheit und an Lachen. / Die schönen Spässe fristt der Spiesser Drachen, / Das Edlen Witz zersticht blöd das Gemeine. / Den Gott der Lacher haben längst getötet / Der Leidensgötzen rohe, heilige Rachen; / Wichtig und lau in ernsten, blöden Sachen, / Die töten Fratzen nie ein Lächeln rötet! / Gäb einer uns der Narren Weisheit wieder! / Wir könnten leichter alles Dulden tragen, / Und lachten noch den ärgsten Spuk in Lieder. / So sind die Klugen fern wie edle Sagen… / Wie schön, wenn einer lieblich noch erwachte – / So wie ein Kind beim Kasperl selig lachte.

Aan de tirannen

Meer narren! Narren! – Ach! Er zijn er immers geen, / daarom is de wereld zo arm aan wijsheid en gelach. / De draak van de kleinburgers vreet de kostelijke grappen, / het alledaagse steekt stompzinnig de grap van de edele kapot. / De ruwe, heilige muilen van de afgoden van het lijden / hebben de God van het lachers al lang gedood; / gewichtig en koel bij ernstige, stompzinnige zaken, / nooit brengt een glimlach eens wat kleur in die dooie smoelen! / Gaf iemand ons maar de wijsheid der narren terug! / Dan zouden we makkelijker al het stille lijden kunnen verdragen, / en zouden we zelfs het ergste spookbeeld in liederen uitlachen. / Zo zijn de wijzen net zo ver weg als de edele sagen… / wat zou het mooi zijn als er nog iemand lief wakker werd – / zoals een kind dat bij de poppenkast zalig lachte.

jakob haringer

Jakob Haringer (1898 – 1948)

Uit: Das Schnarchen Gottes und andere Gedichte, Hanser München, 1979

Koezmin: verlaten zijn is een geluk in het leven!

Verlaten zijn is een geluk in ’t leven!

Verlaten zijn is een geluk in ’t leven! / Oneindig licht lijkt alles van weleer: / Zo voel je in de winterkou nog even / De zomerzon, al schijnt ze dan niet meer.

Een bloem, de brieven die je hebt gekregen, / Een afspraakje of twee, een lieve lach – / Al is je pad nu duister, vol van regen, / Hoe groen en fris was ’t op die lentedag.

Voor wellust is een andere les te geven, / Het is een weg die eenzaam is en breed. / Verlaten zijn is een geluk in ’t leven! / Maar onbemind zijn is een bitter leed.

1907

Kuzmin

Michail Koezmin (1875 – 1936), nakomer uit een oude adellijke familie in Jaroeslavl. Studeerde compositieleer aan het conservatorium in Petersburg. Maakte reizen naar Egypte en Italië.

Zijn eerste gedichten verschenen in 1905. Was medewerker aan de tijdschriften Weegschaal en Apollon. ‘Liederen over Alexandrië’ is zijn beroemdste werk: een verzameling liefdesbrieven met een homoseksuele ondertoon, geschreven in vrije verzen.

Bleef na de Revolutie in Rusland en was na 1929, toen zijn werk niet langer gewenst was, voornamelijk werkzaam als vertaler. Stierf in grote armoede.

Uit: Bloemlezing van de Russische poëzie – Marja Wiebes en Margriet Berg, Plantage Leiden, 1997