Jan Hanlo heeft een advies voor zijn psychiater

Jan Hanlo (1912-1969, Bandung, Indonesië) ken ik ondermeer van zijn gedichten Oote en Tsjielp. Jan was een getormenteerde ziel, die worstelde met zijn homosexualiteit en zijn katholieke geloof. Dat bracht hem in de psychiatrische kliniek en in contact met behandelende psychiaters. In Zonder geluk valt niemand van het dak doet hij van zijn ervaringen in de psychiatrie verslag. Daaruit het volgende advies aan zijn behandelende geneesheren.

In dit verband zou ik, zonder aanmatigend te zijn en nogmaals erkennend dat mijn ondervinding en kennis slechts subjectief is, psychiaters willen zeggen dat ik het eens ben met wat ik in de regel ook, hoewel misschien soms nog niet nadrukkelijk genoeg, van hen ondervonden heb: dat ze niet ‘mee’ praten met de aan een idee fixe lijdende patiënt. De patiënt – ik tenminste – wil zelf zo graag geloven in de normale realiteit, als de hiermee strijdende ‘bewijzen’ het hem maar mogelijk maakten. Hij wil zelf zo graag naar het normale terug, tenminste als hij van zijn eerste avonturendrang bekeerd is, en dat is al gauw. Dit normale moet hem steeds als het bestaande en als weer bereikbaar worden voorgehouden. Steeds moet gepoogd worden hem bij te brengen dat hij het verkeerd ziet. Natuurlijk is het van precies even groot belang dat dit met begrip voor, of tenminste waarachtig ernstig nemen van, zijn zienswijze gebeurt, omdat anders alle contact verbroken wordt. Begrip en vooral oprechtheid – geen leugens of quasi-begrijpend meepraten – is het wat de patiënt nodig heeft. Ik geloof dat nergens zo veel gedacht en waargenomen wordt als in de inrichtingen voor geesteszieken, door de patiënten. De fouten die er in dit denken en waarnemen zitten, zijn gelocaliseerder en als zodanig zeldzamer dan men geneigd is aan te nemen, al is de rol die zij spelen nóg zo overheersend. Ik merk het aan mezelf: nú reeds kan ik nog maar ten dele mijzelf volgen zoals ik toen was, en toen begreep ik mijn medepatiënten (d.w.z. nadat ik ze meer en meer als medepatiënten  ging zien) niet of heel onvolledig en was ik geneigd hun waanzin als in zich onvolgbaar te beschouwen.

Uit: Zonder geluk valt niemand van het dak, Van Oorschot Amsterdam, 1972 

jan hanlo, literatuurmuseum.nlbron illustratie: literatuurmuseum.nl

Jan Hanlo (1912-1969, Bandung, Indonesië)

Verpale: Jaklien

Jaklien

In het huis alwaar ik woonde toen / hield ik de ramen goed gesloten / Geld had ik niet, en aldus van / het plezier verstoken / droomde ik ervan dat je bij me was.

Oud zonlicht viel door de ruiten / en wat op tafel stond / bleef onaangeroerd. / Alzo, dacht ik, wordt het verleden:

zonder veel omhaal / en met altijd warme kleren.

Uit: Polder en andere gedichten, Ertvelde, 1975

Eriek Verpale, Vlaams schrijver (1995)

bron foto: wikipedia.org

Eriek Verpale (1952-2015, Zelzate, België)

Biesboek: grootouders van moeders kant

biesboek, grootouders

De andere twee mensen zijn mijn grootouders van moeders kant. Opa Vreugdenhil was zuivelhandelaar in Rotterdam. Hij liep in de tweede wereldoorlog, kijkend naar de wolken, per vergissing, neuriënd onder een aanstormende tram. Ik vertelde oma Vreugdenhil dat ik heel blij voor Opa was dat hij nu voor altijd naar de Hema was. Ze lachte en zoende me en nam me op schoot. ‘Pas op dat je niet zo eigenaardig wordt als Opa,’ zei ze. Ik heb haar nog wel tot 1969 gekend. Ze stierf toen ze erg oud was aan suikerzoekte. Van Oma heb ik geleerd dat je bescheiden moet zijn en dat je veel moet liefhebben. Maar als ze een ruzie in de familie had bijgelegd, zei ze steevast: ‘Heb ik dat niet handig gedaan?’ Ik begreep daaruit dat het af en toe ook nodig is om geprezen te worden.

Uit: Biesboek – Maarten Biesheuvel, Eva Biesheuvel-Gütlich, Tilly Hermans, Meulenhoff Amsterdam, 1988

Maarten Biesheuvel (1939, Schiedam)

Peter Pontiac tekende sex, drugs en rock ’n roll

peter pontiac 3

peter pontiac_miss holland

Peter Pontiac (1951 – 2015, echte naam Peter Pollman) is de peetvader van de underground-strip. In de jaren 70 van de vorige eeuw maakte hij met zijn strips internationaal naam en faam. Zijn tekenwerk is rauw, gedetailleerd, persoonlijk en begaf zich in tal van subculturen: van hippie tot punk. Hij was de eerste vaderlandse tekenaar die autobiografisch werk uitgaf, waarmee hij baanbrekend was. Pontiac tekende niet alleen over rock ’n roll, sex en drugs, maar hij leefde er ook naar. Zijn verhalen handelen over persoonlijke maar ook universele thema’s: verslaving, het foute oorlogsverleden van zijn vader. De in Beverwijk geboren tekenaar maakte behalve strips ook talloze illustraties en ontwerpen voor albumhoezen. Zijn werk verscheen bij leven in talloze bladen in binnen- en buitenland.

Meer informatie over het leven en het werk van Pontiac: http://www.lambiek.net/aanvang/pontiac.htm

peter pontiac 2

peter pontiac 4

peter pontiac 6

peter pontiac 8

Frans Kusters: ‘Wat belangrijker dan waar’

Frans_Kusters, bron dekker vd vegt

Frans Kusters (bron foto: Dekker vd Vegt)

Frans Kusters (Nijmegen, 1949 – 2012) schreef vooral korte verhalen. Het proza van Kusters bevat geen traditionele vertellingen met een lineair verloop en een intrige, maar kan eerder omschreven worden als een verzameling snapshots en verdichtingen van een werkelijkheid die verwarrend en moeilijk grijpbaar is en vaak aanleiding geeft tot weemoed. (uit: Schrijvers vanA tot Z, Het Spectrum Utrecht, 2002)

Kusters bewonderde de schrijvers Nescio en Bruno Schulz. Die laatste was Pools en joods. “Die plaats (uit het werk van Schulz) is hooguit aanleiding tot de beklemming die Schulz in zijn verhalen weet te leggen. Wat ze van belang maakt, is het vermogen van deze schrijver om van zijn persoonlijke ervaringen literatuur te maken.”

Over Nescio: “De kracht van Nescio’s verhaal zit niet in het noemen van die brug (de Waalbrug in Nijmegen) alleen of van deze rivier, maar in de hele sfeer die hij rond deze twee begrippen heen oproept, en met name treft mij dan de beweging van de rivier..”

“Ik sta heel ambivalent tegenover dit thema (het belang van de plek in literatuur), de betekenis van de plek voor het verwoorden van emoties en ideeën. (..) Je kiest een plek omdat ze bij het thema van het verhaal past. (..) Het is het samengaan van allerlei verhaalelementen waarin de plek ook haar functie heeft.”

Ik ontken hiermee niet dat mijn schrijven niet ook autobiografisch is. Je gaat natuurlijk altijd uit van eigen ervaringen en gedachten. Maar je moet, wil het goed zijn, voortdurend in de slag met de werkelijkheid. Dat is het rare: je moet ineens afstand doen van dingen die, toen je begon met het verhaal, vrij vast lagen. Dan komt er iets volkomen anders, puur bij toeval, in je tekst sluipen, dat een veel beter beeld blijkt te geven dan de werkelijkheid waarop je verhaal berustte.

(..)

Plaatsen – ze symboliseren wat er op een bepaald ogenblik in je omgaat. Je hecht soms je gevoelens eraan en door een ander perspectief kijk je er anders tegenaan, hoewel objectief gesproken alles hetzelfde blijft. Maar je verloochent jezelf natuurlijk niet als je schrijft.

In mijn verhalen zijn locaties belangrijk in de zin dat ze sfeerbepalend zijn, hoewel er eigenlijk heel weinig over wordt uitgelegd.

(..)

Je kunt spreken over terreinen, maar dan bedoel ik toch vooral geestelijke gebieden en herinneringen en datgene wat je je eigen maakt. Nijmegen, dat is mijn leven, daar woon ik, ik maak er dingen mee. In Nijmegen word ik het meest geraakt en de rest is ver van mijn bed, hoog en abstract.

(..)

Voor mij is het altijd belangrijker geweest wàt je doet dan wáár je dat doet.

(..)

Ik zal eerlijk zijn: ik vind het mooi om naar de Ooij te kijken, ’s avonds, wanneer ik, vlak bij huis, aan het eind van de Pater Brugmanstraat of Museum Kamstraat sta, én ik vind het leuk om die slotzin te maken. Dat is een mooie zin, over zo’n vergezicht. Die combinatie van werkelijkheid en ambachtelijk genoegen, die doet je schrijven. Het eerste deel van het verhaal gaat over dadendrang en idealisme; in het tweede stukje wordt dat al minder en in het derde stukje overheerst saaiheid en dat is dan het sloteffect. Zo verloopt het leven en zo zijn er talloze levens. En daarvoor heb je natuurlijk een plek nodig om dat aan te geven.

Uit: Het wat is voor mij belangrijker dan het waar; uit: Dit is de plek – Wam de Moor, Gaillard Pers Zutphen, 1992

(on)Zin: lied van de verkalkte priester

Lied van de verkalkte priester

Ik leg die dingen daar – Zie ze verbranden, / Smaragd, azuur en goud, / Het sist en kraakt, het blauw & groen der wereld / Alsof ik moe ben. Iemand hindert me / Steeds weer, de wolken, wolken hebben rare randen / En ik begrijp ze niet en houd niet van ze.

Altocumulus-Fluctus, bommetje.nl

…wolken hebben rare randen… (bron foto: bommeltje.nl)

Mijn lange lippen likkend keek ik naar God, / Hij vlamde en was vriendelijker / Dan jullie, hij was klein. Hij liet / Me slangen, dunne bloemen zien: die waren koud. / Gezag wuifde & lichtte als de fakkel / Van ijs onder een zonnetje. Ik sta verbaasd.

Daar had je de schrille en stijve dansers, / Hun krachteloze koppen schuddebollend. / Ik zou ze leren maar dat kan nu niet / Wegens de regels. Ze verheffen zich en schuiven. / Dans maar, knik ik, ze dansen in de regen / In mijn rode tuniek, ik heers over de dood.

John Berryman (1914 – 1972), Noord-Amerikaans

Uit: Iets dat te groot is om te zien, Meulenhoff Amsterdam, 1991; vertaling Rob Schouten

8 1/2 (1963)

A fantasia played out in

a creative cul-de-sac

As much as any director alive, in the early- to mid-1960s Italian Federico Fellini became synonymous with cinema, and more than any of his films, this one is why.  A fantasia played out in a creative cul-de-sac—a movie about a movie-maker unable to make a movie—  marked the onset of Fellini’s most personal period, which included Juliet of the Spirits andAmarcord. Creative impotence becomes a metaphor for emotional and sexual impotence, or maybe it’s the other way around, as Fellini’s main man Marcello Mastroianni, at the edge of suicide and madness, and approximating his director from the hat to his physical flourishes, lashes the pesky women of his life into place (or tries to), along with the obsessions that they represent.

Falling into place as well are all the Fellini tropes that would become famous, from otherworldly beach scenes as captured by Gianni di Venanzo’s shimmering black-and-white cinematography to Nino Rota’s score, half frolic and half elegy. gave license to the cinematic self-indulgences of Fellini himself and his inferior imitators, but no other film so overtly aspired to and succeeded in expressing the medium’s inherent dream-language, right down to its vocabulary and parentheses and exclamation points.

Bron: Los Angeles Magazine

Door: Steven Erickson

February 20, 2013

Fellini’s Amarcord

Het circus. De jaargetijden. De weersomstandigheden. De zee. Het plein. De winkels. Het hotel. De trappen. De boerderij. De landwegen. De gierende hormonen. De jeugd. De vergankelijkheid. Het huwelijk. Het fascisme. il Duce. Rondborstige vrouwen. De kleur rood. Pluisjes. Sneeuw. Lelijke en mooie mensen. De muziek van Nino Rota. Een verteller. Meerdere hoofdpersonen. De sensatie van buitengewone dingen die het dagelijks leven kleur geven. De dromen. Het katholicisme. School. De onderwijzers. De types. De dood. Het gezin. De liefde. De Vrouw. Humor. Fellini. Jeugdervaringen. Rimini. De bioscoop. Film!!