Bijna iedere dag muziek: Brian Eno

Muziek is geluid dat ons oor streelt, onze hersenen kraakt en ons hart raakt. Daarmee hebben we muziek gedefinieerd en kunnen we verder naar waar ik naar toe wil: de producer. De producer (in de popmuziek, althans) is diegene die aan het geluid iets toevoegt waardoor het kenmerkend wordt. Een voorbeeld: wat zijn the Beatles zonder George Martin; Joy Division zonder Martin Hannett; Radiohead zonder Nigel Godrich? In dit kader nog maar een paar bekende namen, at random: J. Dilla, Steve Albini, Danger Mouse, Prince (ja, ook die), Dr Dre, Rick Rubin, Phil Spector en last but not least: Brian Eno (1948, Woodbridge, UK).

Eno werkte samen met onder andere: Roxy Music, David Bowie, Talking Heads, U2 en Coldplay. Niet de minsten dus. In Roxy Music was Eno keyboard-speler. Hij werkte mee aan de eerste 2 albums en koos in 1973 zijn eigen weg: die van het geluid dat iets toevoegt aan het geluid van de band, artiest. In het geval van Eno waren dat technieken die gebaseerd waren op tape-echo en tape-delay. Elektronische foefjes waardoor de muziek net even anders klonk dan kale producties. In het midden van de jaren 70 leidde dat tot ambient music: muziek die door Eno’s geluid de stemming van de luisteraar kon beïnvloeden.

In de beginjaren leidde dat geluid tot samenwerking met alternatieve bands en muzikanten, later werd dat met Talking Heads en U2 ook mainstream-muziek. Eno heeft tal van samenwerkingen gevonden met muzikanten en performers (bv. Laurie Anderson). Dat leverde vaak extra’s op. Zelf zocht Eno samenwerking met artiesten die hem inspireerden: Bowie, Byrne en Fripp. Zijn eigen gedachtenspinsels, als om het de uitvoer van muziek gaat, vatte hij samen in het project Music for Installations. Beste voorbeeld van zijn solo-werk: Another Green World.

Murakami vertelt humorvol en surrealistisch over honger

Jezus, wat hadden we een honger! Zoiets kon je niet eens meer honger noemen. We hadden het gevoel alsof we al het vacuüm dat er in de kosmos te vinden is in één keer hadden ingeslikt. Eerst was het vacuüm nog klein – ongeveer zo groot als het gat in een donut – , maar naarmate de dagen verstreken zwol het in ons lichaam op tot een bodemloos Niets. Tot een monument voor de honger, met plechtige achtergrondmuziek.

Hoe ontstaat honger? Door een tekort aan voedsel natuurlijk. En hoe ontstaat een tekort aan voedsel? Door een tekort aan ruilobjecten van equivalente waarde. En waarom hadden we niet voldoende van zulke objecten tot onze beschikking? Waarschijnlijk omdat we niet voldoende verbeeldingskracht bezaten. Misschien was ons tekort aan fantasie wel de directe oorzaak van onze honger. Dat sluit ik helemaal niet uit.

Dat doet verder ook niet ter zake.

God, Marx en John Lennon waren allemaal dood. Wij hadden honger – dat was het enige dat ons interesseerde. Wij hadden honger, en dat dreef ons het slechte pad op. Let wel: het was niet de honger die ons ertoe bracht om Kwaad te doen, maar het Kwade dat ons het slechte pad op dreef door ons honger te laten lijden. Ik weet niet waarom, maar het klinkt existentialistisch.

‘Ik val van m’n graat,’ zei mijn kameraad. Die paar woorden vatten de situatie uitstekend samen.

Uit: De broodjesroof, Atlas Contact Amsterdam, Antwerpen, 2012

haruki-murakami-1Haruki Murakami (1949), Japans

Beatles in Blokker en Cees Nooteboom was erbij

Het is 8 juni 1964, een onvergetelijke dag voor de Nederlandse bewonderaar van The Beatles. De Britse band was in ons land voor de eerste en, naar zou blijken, de laatste keer voor een live-concert. Plaats van handeling: de tot popzaal omgebouwde veilinghal van Blokker. En onze internationaal gelouterde schrijver Cees Nooteboom was getuige.

Al op de weg naar Blokker begont het, overal auto’s met Beatlesymbolen, naar elkaar zwaaiende onbekenden, en in het door de Noordhollandse wind schoongewaaide Blokker zelf de opwinding voor het stierengevecht. Toen ik er aankwam was de zaal al grotendeels  vol, zevenduizend schreeuwende, schril fluitende wezens, samen één grote, afwachtende engel, klaar om in vervoering te worden gebracht.

(..) Het podium was prachtig, al was het alleen maar omdat zij er straks zouden verschijnen. Zoals bij elke schooluitvoering waren er fraaie bloemstukjes op aangebracht, links en rechts beginnend met landelijke lupines. Achter het podium een muur van vier Joyflesjes met beatleharen en een geschilderde microfoon ertussen.

Het wachten is op de supergroep: John, Paul, George en neen, geen Ringo. Die was ziek en werd vervangen door Jimmie Nicol. Ondertussen wordt het ongeduldige publiek beziggehouden met andere beatmuziek. Muziek die aanzet tot dansen, zo blijkt.

Er is een merkwaardig contrast tussen hun uiterlijk van zachte, wat bedorven kinderen en het keiharde, agressieve ritme van hun muziek dat steeds grotere groepen in mijn omgeving omhoog en tegen elkaar in drijft.

(..)En dan ineens is het zover. Toch nog onverwacht, zoals dat heet, staan ze er, zij zelf, vier dansende, bewegende aangelegenheden – maar tegelijkertijd begint de gevreesde golfslag van de menigte, en het wordt een moeilijke keuze, letten op de uitbrekende paniek bij sommigen voor me of op de gezichten van de idolen die eroverheen spelen en als je het mij vraagt er zelfs naar keken.

(..) Tussen de naderende hartaanval van een officieel iemand voor me, een gillende moeder van twee kinderen die tussen de banken terechtkomt, en een vechtpartij met wonden links van me zie ik toch nog wat zich afspeelt op het podium, en vreemd genoeg zie ik het in langzame, maar duidelijke foto’s, tot ik zelf ineens onder schuddende lichamen raak, me eruit sla, een gat zie en voor ik het eigenlijk zelf goed weet over een hek klim waar anderen onwrikbaar tegen aangestampt staan. De politieman die me van het hek aftrekt, zegt bitter: ‘Nou, je moest toch zo nodig naar de Beatles?’, maar een andere denkt al dat ik eruit gegooid wordt en grijpt me in de bekende greep en ineens sta ik buiten in de krankzinnige nachtlucht.

Nooteboom staat buiten maar geeft zich niet gewonnen. Via de achterdeur schaft hij zich toegang tot Blokker. Dit keer komt hij achter in de zaal terecht. Daar is het wat rustiger. Tijd voor reflectie.

(..) Er is iets onwezenlijke aan hun werkelijke aanwezigheid, zoals wanneer je voor het eerst van je leven voor de Eiffeltoren staat – het is alleen maar een bevestiging, een controle. Het heeft eerder met een minimaal soort tevredenheid dan met teleurstelling te maken – dat zijn ze nou. En inderdaad, dat zijn ze nou. Ze zien eruit zoals ze eruit zien, en ze bestaan echt. Ze zingen de nummers die we uit ons hoofd kennen, en dan zijn ze ineens weg, razend snel, net heel vlugge hagedissen, zelfs geen kans op de staart, en de menigte loopt leeg als een ballon, brokkelt af, er is de afmatting na de extase, een gevoel dat het nu over is, en dat het misschien toch niet gebeurd is waar ze voor kwamen, een sentiment dat je, als je het overdreven zou willen zeggen, zou kunnen benaderen als rouw om de niet werkelijke gehaalde extase.

Uit: Verleden als eigenschap, Cees Nooteboom, samenstelling Arjan Peters, Atlas, Amsterdam, 2008

 

X = XTC

Ik ga het niet over de drug hebben maar wel over iets geestverruimends: de muziek van de Britse band XTC.

Die muziek is vooral bedacht voor de geest. Geworteld in punk en new wave begon de groep rond Andy Patridge en Colin Moulding met nerveuze, gejaagde nummers die mooi de tijdsgeest verklankten. Met dat verklanken van de tijdgeest ging het vervolgens daarna bergafwaarts. De talenten van Moulding en Patridge zaten ook niet in het vorm geven van die tijdgeest. Hun vaardigheid was het om mooie songs te schrijven die verwezen naar Beatles, Kinks en Beach Boys, maar altijd met die onbestemde XTC-twist (scheutje psychedelica plus pastorale ingetogenheid). En in de teksten kon Patridge steeds vaker zijn intellectuele ei kwijt. Patridge die slecht tegen optreden en touren kon.

XTC’s doorbraak kwam met het derde album Drums and Wire waarop de single Making Plans for Nigel. Daarna volgden succesvolle albums die het beurtelings in de VS en de UK goed deden maar nooit tegelijkertijd. Black Sea, waarop Beatle en Kinks-invloeden duidelijk hoorbaar waren. English Settlement dat complexer van muziek en pittiger van tekst was.

Murmur, Skylarking en Nonsuch. Allemaal albums die door de critici geprezen werden, maar geen kopers trokken. Nonsuch werd door critici zelfs vergeleken met Revolver van The Beatles en Pet Sounds van The Beach Boys.

Skylarking was een album waarbij gebruik werd gemaakt van de hulp van producer Todd Rundgren. Een mooi sfeervol en pastoraal werkje.

Ondertussen stortte Patridge in als gevolg van de druk van het optreden en touren. Dat bood de mogelijkheid van zij-sprongen zoals het project Dukes of Stratosphear. Hier konden de heren hun voorliefde voor psychedelica kwijt.

Eigenlijk is XTC de band van de vergeten juweeltjes: muziek die mooi in het gehoor ligt maar zelden paste in de tijd waarin het verscheen. Jammer!

O is Oasis

Oasis is Britpop en vooral gitaarpop. Oasis is de band van de broers Liam en Noel Gallagher. Basis van de band: Manchester. En dat was in de jaren 90 van de vorige eeuw een broedplaats voor heel veel nieuwe popmuziek. In die sfeer kwamen de broers Gallagher met hun schaamteloze kopieën van T-Rex, Sex Pistols en Beatles-rifs. Toch origineel en zeer gewild omdat Liam zong als een mix van John Lennon en  Johnny Rotten en Noel een wall of sound optrok met zijn gitaar. Dat leidde tot een reeks succesvolle hard-rockende songs en een aantal krachtige ballads die nog steeds het aanhoren waard zijn.